LKT oranje

cognitieve taalfuncties:

  • rapporteren; verslag doen van de werkelijkheid

  • redeneren; bewerken van gebeurtenissen op chronologische volgorde, conclusies trekken, oorzaak gevolg

  • projecteren; verplaatsen in een ander

Luistervaardigheden:

  • een beschrijving kunnen volgen

  • gevoelend en meningen begrijpen en waarderen

  • inhoud interpreteren en beoordelen

  • een uitleg volgen

  • de strategie vand e spreker doorzien

  • passende feedback geven

  • vragen stellen

Spreekdoelen:

  • informeren

  • amuseren

  • instrueren

  • overtuigen

Identiteit van een woord:

  1. akoestische identiteit (hoe klinkt het?)

  2. articulatorische identiteit (hoe je het uitspreekt)

  3. fonologische identiteit (akoestische en articulatorische identiteit samen)

  4. morfologische identiteit (hoe is het woord opgebouwd? voor- en achtervoegsels etc.)

  5. semantische identiteit (wat is de betekenis en gevoelswaarde)

  6. synthactische identiteit (met welken woorden kan dit woord gecombineerd worden?)

  7. orthografische identiteit (Spelling)

5 fasen spontane schrijfontwikkeling:

  1. het tekenen van woorden (geen onderscheid tussen schrijven en tekenen)

  2. het krabbelen van nog niet herkenbare lettertekens (voor schrijven worden abstractere tekens gebruikt)

  3. het schrijven van letterachtige vormen of letters (Kind heeft ontdekt dat woorden betaan uit letters)

  4. het weergeven van woorden door een of enkele letters (klank-letter-koppeling ontwikkelt, vaak alleen met medeklinkers geschreven)

  5. invented spelling (gebruik fonetisch schrift)

    pseudovoorlezen:

    1. commentaar geven op plaatjes

    2. het volgen van het verhaal op de plaatjes

    3. een verhaal weergeven in dialoogvorm

    4. een verhaal weergeven in monoloogvorm

    5. een verhaal weergeven in een mengeling van spreektaal en schrijftaal

    6. het memoriseren van teksten

Fonologisch bewustzijn: vermogen om te kunnen reflecteren op de klankvorm van de taal.

Fonemisch bewustzijn: besef dat woorden uit fonemen zijn opgebouwd. fonemen zijn klanken die opgebouwd zijn uit letters.

Foneem: een klank die een betekenisverschil tussen woorden veroorzaakt.

Auditieve objectivicatie: letten op de klank en niet op de betekenis.

Auditieve discriminatie: verschil horen tussen woorden of klanken.

Auditieve analyse: een woord in klanken splitsen.

Auditieve synthese: losse klanken samenvoegen tot een woord.

temporeel ordenen: de volgorde van de klanken onthouden.

klankpositie bepalen: aangeven waar je een klank in een woord hoort.

Grafeem: een lettercombinatie dat verwijst naar één foneem.

Visuele discriminatie: verschil zien tussen letters of woorden.

visuele analyse: letters in een woord herkennen.

visuele synthese: losse letters samenvoegen tot een woord.

spatieel ordenen: volgorde van letters onthouden.

letterpositie bepalen: aangeven wat de plaats van een letter in een woord is.

elementaire leeshandeling:

  1. het van links naar rechts koppelen van fonemen aan grafemen. a. werken volgens de leesrichting b. visuele analyse in grafemen c. koppelen van foneem aan grafemen d. fonemen op volgorde onthouden

  2. auditieve synthese

  3. betekenis geven

Componenten tijdens het schrijven:

  • de kennis van de schrijver (taal(systeem) en onderwerp)

  • de communicatieve situatie waarin de schrijver zijn werk doet

  • het eigenlijke schrijfproces

schrijfstrategieën:

  • vertellend schrijven: in een keer schrijven met nauwelijks verbeteringen. Je schrijft zoals je praat.

  • Denkend schrijven: schrijfopdracht wordt eerst geanalyseerd. komt voor bij teksten die niet vanuit ervaring geschreven kunnen worden.

Stelvaardigheden:

  • bepalen doel, publiek en tekstsoort

  • verzamelen, selecteren en ordenen van de inhoud

  • structureren van de tekst -Stapelstructuur: tekst betaat uit min of meer losse onderdelen zonder samenhang, bijvoorbeeld ene telefoonboek of een boodschappenlijstje. -De verhaalstructuur: Hier gaat het om een tekst waarin personages opeenvolgende gebeurtenissen meemaken. -De betoogstructuur: Dit is een tekststructuur waarin een mening of standpunt wordt ondersteund met argumenten.

  • formuleren

  • Hanteren schrijfstijl en taalregels (coderen)

  • reviseren

  • verzorgen van de tekst

  • reflecteren op schrijfgedrag

foneem: een klank die betekenisverschil tussen woorden veroorzaakt.

Morfologisch principes:

  • samenstellingen: woorden (morfemen) samen

  • afleidingen: een woord (morfeem) + een voor of achtervoegsel (nat, natig)

  • verbuigingen: een gebonden morfeem + een vrij mofeem samen vormt een geheel nieuw woord. (meervoud, verkleinwoorden, vergelijking, buiging-s, buiging-e)

  • vervoegingen

Taalbeschouwingsstrategieën:

  • analyseren - zoek naar stukjes

  • relateren - waar zegt het iets over?

  • vergelijken - zoek naar hetzelfde

  • classificeren - waar hoort het bij?

  • generaliseren - bedenk een regel

  • herordenen - kijk op een ander manier