H3 Perceptie –

H3 Perceptie – Goldstein

Perceptie: de ervaring die het resultaat is van stimulatie van de zintuigen  

Viewpoint invariance: mensen zijn beter in het identificeren van objecten dan computers, omdat de persoon een object vanuit alle perspefctieven kan identificeren.

Inverse projection problem: de taak waarbij bepaald moet worden wat het object is dat verantwoordelijk is voor het beeld op de retina.

Bottom-up: refereren naar het verwerken van sensorische informatie als het binnenkomt.

Top-down: refereren naar perceptie die gedreven wordt door cognitie.  

Spraaksegmentatie: de vaardigheid van mensen om in de taal te kunnen horen wanneer een woord eindigt en begint.

Direct pathway model: volgens dit model ontstaat pijn wanneer receptoren in de huid gestimuleerd worden, deze sturen hun signalen in een directe weg vanaf de huid naar de hersenen.

Nocireceptoren: receptoren in de huid betrokken bij direct pathway model.

Placebo-effect: het afnemen van de pijn door het geloof dat de stof effect heeft, terwijl er geen medische werking is.

Likelihood principe: houdt in dat we objecten waarnemen die het meest waarschijnlijk de stimuli verklaren. Dit gebeurt a.h.v. een proces dat unconcious inference heet.

Unconcious inference: in dit proces zijn onze percepties het resultaat van onbewuste assumpties of gevolgtrekkingen die we maken over de omgeving.

Gestalt psychologen: ontwikkelden een benadering voor perceptie als reactie op het structuralisme van Wundt. Volgens hen kan beweging niet verklaard worden door het combineren van basiselementen van ervaringen, ofwel sensaties.  

Principes van perceptuele organisatie: ontstond uit de conclusie dat geheel van ervaring anders is dan de som der delen. Deze drie wetten worden innerlijke wetten genoemd, omdat ze in ons systeem zitten, de rol van ervaring is dus klein.

Principe van continuïteit: eerste principe waarin wordt gesteld dat mensen dingen sneller waarnemen als nette en afgewerkte figuren dan als onsamenhangend.

Wet van Prägnanz: tweede principe waarbij de minste cognitieve inspanning is vereist en het resultaat zo simpel mogelijk is.

Principe van overeenkomst: derde principe waarbij dingen die op elkaar lijken als een geheel worden gezien.

Fysieke regulariteiten: veel voorkomende fysieke eigenschappwen van het milieu, het is daardoor niet toevallig dat mensen verticaal en horizontaal beter kunnen waarnemen dan diagonaal.

Semantische regulariteiten: refereren naar de betekenis van een scenen en zijn de karakteristieken die geassocieerd zijn met de functies die door verschillende typen scenes uitgedragen worden.

Oblique effect: het feit dat mensen verticaal en horizontaal beter kunnen waarnemen dan diagonaal.

Light-from-above assumptie: oblique effect geldt ook voor licht, aangezien we gewend zijn dat licht van boven komt.

Scene schema: visualisatie bevat informatie die gebaseerd is op kennis van verschillende soorten scennis, deze kennis wordt gebruikt om waar te nemen.

Prior probability: ons aanvankelijk geloof over de waarschijnlijkheid van een uitkomst.

Likelihood: de consistentie tussen de beschikbare evidentie en de uitkomst.

Bayesian inference: dat onze schatting van de waarschijnlijkheid een uitkomst is die bepaald wordt door prior probability en likelihood.

Theorie van natuurlijke selectie: karakteristieken die de mogelijkheid om te overleven vergroten zullen op toekomstige generaties worden overgedragen.

Experience-dependent plasticity: het mechanisme dat ervoor zorgt dat structuren in het brein kunnen veranderen door ervaring.

Hersenablatie: verwijderen van een deel van het brein

Object discrimination probleem: het vermogen van een systeem om verschillende objecten of entiteiten in een gegeven context te onderscheiden en te herkennen

Perceptie pad: het ‘what’ pad wordt ook wel zo genoemd. Dit is het pad van de striate cortex in de occipitale kwab, naar de parentale kwab.

Landmark discriminatie probleem: een uitdaging in de computer vision en patroonherkenning, met name in taken waarbij het identificeren en onderscheiden van specifieke punten of "landmarks" op objecten of afbeeldingen een rol speelt.

Actie pad: ‘waar pad’ loopt van striate cortex naar pariëtale kwab, dat geassocieerd wordt met actie.