SO 3.1 t/m 3.3 begrippenlijst
Kenmerk: Een eigenschap waarmee je een organisme kunt onderscheiden van andere organismen.
Prokaryoot: Naam voor bacterien en archaea; een klein eencellig organisme zonder celkern.
Eukaryoot: Organisme met een of meerdere grote cellen met celkern.
Rijk: Naam voor verdere indeling van een hoofdgroep.
Eencellig: Een organisme dat bestaat uit een cel.
Meercellig: Een organisme dat bestaat uit meerdere cellen.
Vertakkingsschema: Schema waarin je de indeling in steeds kleinere groepen kunt weergeven.
Ras: groepen waar je de organismen van een soort kunt indelen
Variatie: Kleine verschillen tussen organismen van dezelfde soort
Selectie: het proces waarbij niet alle organismen van dezelfde soort hetzelfde aantal nakomelingen krijgt
Evolutie: de ontwikkeling van het leven op aarde waarbij soorten ontstaan, veranderen en verdwijnen
Verwantschap: overeenkomst in DNA en uiterlijk van verschillende organismen.
DNA-sequentie: de volgorde van basen in het DNA
DNA-sequencing: de DNA-sequentie van organismen snel in kaart brengen met DNA-technieken
Symmetrisch: voorwerpen (of dieren) die je in twee gelijke helften kunt verdelen
Tweezijdig symmetrisch: voorwerpen (of dieren) die je op een manier in gelijke helften kunt delen
Veelzijdig symmetrisch: voorwerpen (of dieren) die je op meerdere manieren in ongeveer gelijke delen kunt verdelen
Niet-symmetrisch: voorwerpen (of dieren) die je op geen enkele manier in twee gelijke helften kunt verdelen
Skelet: de stevige delen van een dier, geeft stevigheid en bescherming
Inwendig skelet: het skelet aan de binnenkant van het lichaam van een dier
Uitwendig skelet: het skelet aan de buitenkant van het lichaam van een dier