CG

Cognitieve psychologie: de tak van de psychologie die zich bezighoudt met het wetenschappelijk bestuderen van de geest

Geest: iets dat mentale functies creëert en controleert, zoals perceptie, aandacht, geheugen, emoties, taal beslissingen maken, denken en redeneren. Of het systeem dat representaties van de wereld creëert.

Simpele reactietijd: reactietijd om iets waar te nemen

Keuze reactietijd: reactietijd om een keuze te maken

Reactietijd: tijd tussen de presentatie van de stimulus en de gedragsreactie

Analytische introspectie: een methode waarbij men de geest onderzoekt d.m.v. associaties en sensaties bij stimuli

Empirische benadering: benadrukt het belang van het uitvoeren van experimenten om kennis te kunnen vergaren over de geest

Structuralisme: de gedachte dat onze globale ervaring is opgebouwd uit verschillende basiselementen van ervaringen, oftewel dat het bewustzijn bestaat uit gedeeltes.

Savings curve: laat zien hoe snel iemand ingeprente informatie vergeet

Savings: de originele tijd die nodig is om de lijst te leren min de tijd die nodig is om de lijst opnieuw te leren na een bepaalde tijd.

Behaviorisme: reactie op analytische introspectie, waarbij wel objectieve en experimentele metingen konden worden gedaan.

Klassieke conditionering: gedemonstreerd dat honden konden leren te kwijlen bij het horen van een bel, zonder dat er daadwerkelijk de geur van eten aan te pas kwam.

Operante conditionering: gefocust op hoe gedrag versterkt of vermniderd wordt door de prestatie van positieve of negatieve bekrachtiging.

Cognitieve map: een soort interne kaart

Information-processing approach: een benadering van cognitieve ontwikkelingsstudies die tot doel heeft uit te leggen hoe informatie in het geheugen wordt gecodeerd. Het is gebaseerd op het idee dat mensen niet alleen reageren op prikkels uit de omgeving.

Dichotic listening experiment: een procedure uit de experimentele psychologie waarbij, meestal door middel van koptelefoons, aan elk van beide oren tegelijkertijd auditieve prikkels (zoals gesproken woorden) worden gepresenteerd. 

Flow diagram: schematische voorstelling van een proces

Artificial intelligence: ‘ervoor zorgen dat een machine zich gedraagt op zo’n manier dat het intelligent genoemd zou worden als een mens zich zo zou gedragen’

Logic theorist: een programma dat het menselijk redeneren gebruikte om problemen op te lossen, werd gezien als ware denkmachine.

Structurele modellen: representaties van fysieke structuren. Doel om een model te simplificeren en verschillende structuren te laten zien, zonder al te veel detail.

Process modellen: representaties van processen die betrokken zijn bij cognitieve mechanismen.

Episodisch geheugen: het geheugen voor gebeurtenissen in het leven en heeft een emotioneel component.

Semantisch geheugen: het geheugen voor feiten

Procedureel geheugen: het geheugen voor het uitvoeren van fysieke acties

H5 Visie – Kalat

 

The law of specifiec nerve energies: elk zintuig blijkt specifieke neuronen te hebben die op de specifieke sensatie reageren, zoals licht, geluid en gevoel.

Pupil: centrale gedeelte van de iris

Retina: netvlies, het achteroppervlak van het oog. Bekleed met visuele receptoren.

Bipolaire cellen: cellen in het midden van het oog

Ganglioncellen: nog verder naar het midden van het oog gelokaliseerd, komen samen en sturen de informatie m.b.v. axonen door naar het brein.

Amacrine cellen: verfijnen de informatie voor de ganglioncellen. Krijgen informatie van bipolaire cellen en sturen de informatie weer door naar ganglioncellen, maar ook naar amacriene cellen.

Blinde vlek: 1 locatie waar geen receptoren zijn. Gevormd door de optische zenuw die bestaat uit axonen van ganglioncellen en bloedvaten van en naar het oog.

Fovea: een specifiek gedeelte van de retina, gespecialiseerd in acute, gedetailleerde visie. Hierin bijna geen bloedvaten en ganglioncellen, waardoor de visie nergens door gehindert kan worden. Veel receptoren die stuk voor stuk verbonden zijn met een bipolaire en ganglioncel met een axon naar het brein.

Midget ganglioncellen: kleine ganglioncellen die slechts op een enkele kegel reageren.

Staafjes: voornamelijk in de periferie en reageren op zwak licht. Zwart wit zien.

Kegeltjes: vooral in en rondom fovea, functioneel bij daglicht, kleur zien.

Fotopigmenten: chemicaliën die energie vrijlaten als er licht op komt. Bestaan uit 11-cis-retinal, gebonden aan opsins.

Opsins: passen de gevoeligheid van de fotopigmenten voor verschillende golflengtes van licht aan. Zorgt voor vrijkomen energie + activeren van second messengers, waarbij licht geabsorbeerd.

Trichromatische theorie: we zien kleur door de relatieve mate van responsen door drie verschillende soorten kegeltjes. Elk kegeltje is sensitief voor een verschillende set van golflengten.

Visuele veld: het deel van de wereld dat waargenomen wordt.

Negative color afterimage: als er bijvoorbeeld voor langere tijd in fel licht wordt gekeken en vervolgens op een wit oppervlak worden de kleuren omgedraaid. De kleuren die in eerste instantie waargenomen zijn worden dan vervangen door een tegengestelde kleur.

Opponent-process theory: kleuren worden waargenomen in termen van tegenstelling. Verklaart niet de volledige kleurvisie.

Color constancy: op welke manier kleur waargenomen kan worden ondanks verschillen in licht.

Retinex theorie: stelt dat de cortex een grote rol speelt bij het waarnemen van kleur en felheid van het object. De cortex vergelijkt namelijk info voor verschilllende delen van de retina om helderheid en kleur van elk genied te onderscheiden.

Color vision deficiency: mensen hiermee hebben vaak een kegeltje minder dan normaal, of er is er één abnormaal.

Horizontale cellen: maken inhibitorisch contact met bipolaire cellen, en deze maken weer verbinding met amacrine cellen en ganglioncellen.

Optisch chiasma: de plaats waar de twee optische zenuwen zich kruisen.

Laterale geniculate nucleus: maakt deel uit van de thalamus

Occipitale cortex: achterste gedeelte van de hersenen verantwoordelijk voor het verwerken van visuele informatie

Laterale inhibitie: het activeren van een bipolaire cel, wat leidt tot de onderdrukking (inhibitie) van de bipolaire cel ernaast. Hierdoor kunnen verschillende prikkels en informatiepatronen van elkaar worden onderscheiden, oftewel contrast.

Receptief veld: een gebied in de visuele ruimte dat inhibeert of exciteert.

Primaire visuele cortex/V1: actief bij inbeelding, activiteit onvereenkomend met zien van object, bij schade vindt geen bewuste en ingebeelde visie meer plaats.

Blindsight: een reactie op visuele informatie zonder deze te kunnen waarnemen.

Simpele cellen: deze cellen hebben een vaste exciterende en inhiberende aone, dus hoe meer licht op exc deel, hoe meer reactie cel. Het receptieve veld is een verticale bar. In V1

Complexe cellen: reageren niet op exacte locatie van een stimulus maar reageren op een patroon van licht in een specifieke oriëntatie, sterktste reactie bij beweging. In V1 en V2.

Hypercomplexe cellen: Lijken op complexe, maar hebben inhiberende zone aan één kant van receptieve veld.

Feature detectors: neuronen diens responsen aanwezigheid van specifieke eigenschappen aangeven. Deze detectoren kunnen moe worden als een bepaalde eigenschap te lang is gebruikt, waardoor ee gevoeligheid voor de eigenschap afneemt.

Binoculair: neuronen die input krijgen van beide ogen.

Retinal disparity: het brein moet onderscheid maken tussen wat het linker en het rechter oog ziet.

Strabismus: lui oog

Astigmatisme: het beter zien van deze lijnen, dan andere lijnen. treedt op wanneer iemand in de kritieke periode veel is blootgesteld aan een bepaald soort lijn, bijvoorbeeld vertivaal of horizontaal.

Secondary visual cortex/V2: verwerkt de informatie verder en stuurt het weer door. Hierbij gaat de info langs de ventrale stroom en de dorsale stroom.

Ventrale stroom: de ‘what pathway’, loopt door temporale cortex en de functie is het identificeren en herkennen van objecte.

Dorsale stroom: de ‘where pathway’, loppt door de pariëntale cortex en gaat over het lokaliseren van objecten.

Inferieure temporale cortex: cellen hierin identiferen objecten. De cellen reageren op wat er gezien wordt en niet op hoe de stimulus er fysiek uit ziet.

Visuele agnosia: het niet kunnen herkennen van objecten, terwijl je deze wel kan zien en omschrijven. Dit is een gevolg van schade aan de temporale cortex.

Fusiforme gyrus: deel hiervan, dat deel is van de inferieure temporale cortex reageert sterk op gezichten, dit is in de rechter hemispheer. Ook actief in andere gedetailleerde visuele herkenning. Een gebied dicht bij fusiforme gyrus reageert sterk op lichamen.

Prosopagnosia: onvermogen om gezichten te herkennen, onstaat bij schade aan de fusiforme gyrus.

MT/V5: middelste temporele cortex actief bij detectie van beweging. Betrokken bij het herkennen van versnelling, vertraging en absolute snelheid.

MST: mediale superieure cortex ook actief bij detectie van beweging. Beide ontvangen info van het magnocellulaire pad. Reageren sterktst complexe stimuli, zoals expansie, contractie en rotatie (en achtergrondbeweging).

Bewegingsblindheid: het kunnen zien van objecten, maar niet kunnen zien dat ze bewegen, waar ze naartoe bewegen en met welke snelheid. Veroorzaakt door schade aan MT of MST.

Saccades: Activiteit in MT en delen van de pariëntale cortex verlaagd tijdens vrijwillige oogbewegingen, waardoor bewegen eigen ogen niet waargenomen kan worden.

 

H6 Andere sensorische systemen – Kalat

 

Amplitude: de intensiteit van een geluidsgolf. Niet hetzelfde als hardheid.

Frequentie: aantal compressies per seconde, in Hertz. Dit gaat gepaard met toonhoogte (pitch), want hoe hoger de frequentie, hoe hoger de toon.

Timbre: de kwaliteit van de toon of de geluidskwaliteit.

Pinna: het buitenste oor/oorschelp.

Typanic membrane/eardrum: trommelvlies in het middelste oor.

Ovale raam: De drie botten; hamer, aambeeld en stijgbeugel brengen de trillingen naar het ovale raam, het membraan naar het binnenoor.

Cochlea: slakkenhuis, bestaat uit drie met vloeistof gevulde tunnels.

Haarcellen: auditore receptoren

Plaats theorie: elke frequentie activeert de haarcellen op een specifieke plaats op het basilaire membraan van de cochlea. Het zenuwstelsel maakt vervolgens onderscheidt door te onderzoeken welke neuron reageert op welke frequentie. Gaat op voor hoge frequenties.

Frequentie theorie: het basale membraan vibreert synchroon met het geluid, waardoor de gehoorzenuw axonen actiepotentialen produceren met dezelfde frequentie. De maximale vuursnelheid van een neuron komt echter niet overeen met de frequentie waarin we kunnen horen. Gaat op voor lage frequenties.

Volley principe: hieruit blijkt dat neuronen samen een frequentie kunnen vormen.

Amusia: het niet kunnen horen dat een frequentie veranderd en wordt ook wel toondooheid genoemd. (tegenovergestelde perfect pitch)

Primaire auditore cortex/A1: ook een wat en waar pad, zowel echte geluiden als ingebeelde geluiden. A1 is afhankelijk van ervaring. A1 niet perse nodig voor horen, maar het verwerken van auditore informatie.

Conductieve doofheid: kan ontstaan door ziektes en infecties die ervoor zorgen dat het middenoor geluidsgolven niet meer goed doorstuurt naar de cochlea. (wel in tact, mensen kunnen zichzelf wel horen)

Zenuwdoofheid: schade aan de cochlea, haarcellen of auditore zenuw. Kan genetisch bepaald zijn of ontstaan door ziektes, sommige mensen wel bepaalde toonhoogtes horen.

Tinnitus: frequent constant rinkelen van oren, kan ontstaan door harde geluiden of door andere oorzaken.

Vestibulaire orgaan: zit vast aan cochlea en compenseert voor de bewegingen van de ogen. Erg belangrijk voor beweging van de ogen en balans.

Semicirculaire kanalen: (drie) zijn gevuld met een vloeistof en omlijnt met haarcellen. Wanneer er acceleratie is duwt de substantie door de verschuiving tegen de haarcellen in één van de kanalen en activeren actiepotentialen naar de hersenstam en het cerebellum.

Somatosensorische systeem: omvat de sensatie van het lichaam en de bewegingen van het lichaam, bestaat uit meerdere zintuigen. Verschillende receptoren.

Capsaicin: een chemische stof gevonden in verschillende pepers, deze activeert ook de receptoren voor pijnlijke hitte.

Tastreceptoren: informatie hiervan gaat naar de hersenen d.m.v. cranial nerves.

Cranial nerves: hersenzenuwen, elke zenuw heeft een sensorische en motorische variant.

Dermatoom: alle zenuwen staan in verbinding met een bepaald gebied van het lichaam. Ze overlappen elkaar.

Primaire somatosensorische cortex: activiteit hier correspondeert met wat er gevoeld wordt, niet met het geen dat daadwerkelijk de receptoren gestimuleerd heeft. Schade veroorzaakt verslechterde lichaamspercepties en bewuste ervaring van aanraking.

Bare nerve endings: minst gespecialiseerde receptoren en verwerken impulsen erg langzaam.

Substance P: zorgt voor sterkere pijn

Opioid mechanismen: systemen die reageren op opioïden en drugs die erop lijken. De werking van opiaten is het blokkeren van de afgifte van substance P.

Periaqueductal gray: grijze stof (in het midbrain)

Endorfinen: opiaatachtige chemicaliën uit het zenuwstelsel zelf.

Gate theorie: zegt dat de ruggegraat berichten ontvangt van pijn en tast receptoren. Deze tast receptoren kunnen de “gates” voor pijnberichten afsluiten en ze doen dit door endorfinen vrij te laten.

Placebo’s: drugs of andere procedures die geen farmacologisch effect hebben. Op scans kan na het nemen van placebo’s een daadwerkelijke afname van pijn gevonden worden. Placebo’s werken door de afgifte van opiaten en er is ook een invloed van dopamine.  

Labeled-line model: voorspelt dat individuele smaakreceptoren reageren op slechts een enkele smaakkwaliteit. De informatie over elke smaakkwaliteit wordt dan verstuurd naar de smaakcortex via de medulla en thalamus.

Across-fiber pattern model: geeft aan dat elke receptor kan reageren op een groot aantal smaken en stimuli.

Smaakpapillen: receptoren die op de tong zitten.

Papillea: smaakreceptoren liggen in zogenoemde smaakpapillen op de oppervlakte van de tong.

Adaptatie: aanpassing, door gewenning

Cross-adaptatie: een afgenomen reactie op een smaak wanneer de receptoren net blootgesteld zijn aan een andere smaak.

Nucleus van de tractus solitarius (NTS): structuur van de medulla, waar vanaf de informatie naar de pons, laterale hypothalamus, amygdala, ventrale posterieure thalamus en twee gebieden van de cerebrale cortex gaat.

Reukcellen: neuronen die verantwoordelijk zijn voor reuk

Olfactory bulb: een zenuwknoop in de hersenen van gewervelden en betrokken bij reuk

Vemoronaal orgaan (VNO): bestaat uit een set van receptoren die dicht bij de reukreceptoren liggen. Deze receptoren reageren alleen op feromonen.

Feromonen: chemicaliën die dieren afgeven en die effect hebben op soortgenoten.