5. LIPIDEN

INLEIDING

Lipiden hebben een grotendeels hydrofoob karakter, maar ook gedeeltelijk hydrofiel. We noemen ze ook wel amfifiel = amfipatisch vanwege de asymmetrische verdeling van polaire en apolaire groepen;

  • kleine polaire kop = hydrofiel deel

  • lange apolaire staart = hydrofoob deel


Belangrijkste functies van lipiden zijn;

  • energiebron + energieopslag

  • bescherming + isolatie

  • signaalmoleculen

  • structurele rol; membranen


Onder membranen vallen zowel plasmamembraan, die de volledige cel omgeeft, als membranen rond organellen; zoals nucleus, mitochondriën, ER, lysosomen, peroxisomen …

3 voornaamste membraanlipiden zijn;

  • fosfolipiden

  • glycolipiden

  • cholesterol



FOSFOLIPIDEN

= “bouwstenen” van het membraan


De naamgeving (fosfo-) verwijst naar de polaire kop die fosfaatgroep bevat. We onderscheiden twee types;

  • glycerofosfolipiden; glycerol = backbone

    • meest belangrijke fosfolipide

  • sfingomyeline

    • structureel een sfingolipide; sfingosine = backbone

    • functioneel een fosfolipide; bevat fosfaat


(GLYCERO)FOSFOLIPIDEN

opm; glycerofosfolipiden = fosfoglyceriden = fosfoglycerolipiden


STRUCTUUR

  • glycerol + 2 vetzuren + fosfaatgroep + kopgroep


FUNCTIES

  • vorming van lipidelaag, zeer talrijk aanwezig in biologische membranen

  • structuur en flexibiliteit van membranen


VOORBEELDEN

BASISSTRUCTUREN — DIA26, p.131

Lipide

Kopgroep

Netto Lading (pH=7.4)

Voorkeurs-locatie

Functie / Kenmerk

Fosfatidinezuur (PA)

waterstof (H)

-1 / -2

binnenkant (cytosol)

precursor voor andere fosfolipiden

Fosfatidylethanolamine (PE)

ethanolamine

0

binnenkant (cytosol)

zorgt voor membraanbuiging (curvature)

Fosfatidylcholine (PC)

choline

0

buitenkant (extracellulair)

Structurele rol & signaalfunctie (meest voorkomend)

Fosfatidylserine (PS)

serine

-1

binnenkant (cytosol)

negatieve lading cruciaal voor eiwitinteracties; naar buiten flippen → apoptose

Fosfatidylinositol (PI)

inositol

-1

binnenkant (cytosol)

precursor voor PIP2/PIP3 & signaaltransductie

PIP2 (Bisfosfaat)

inositol + 2 P

-5

binnenkant (cytosol)

2nd Messenger pathway (splitst in IP3 + DAG)

PIP3 (Trisfosfaat)

inositol + 3 P

-7

binnenkant (cytosol)

2nd Messenger (docking site voor eiwitten)

Lipide

Kopgroep

Netto Lading

(pH=7.4)

Voorkeurs-locatie

Functie / Kenmerk

Sfingomyeline (SM)

fosforylcholine

0

buitenkant (extracellulair)

onderdeel van Lipid Rafts (met cholesterol), isolatie zenuwcellen (myelineschede), chemisch zeer stabiel

opm; andere kopgroepen kunnen ook, maar deze is meest voorkomend


  • PC & PE; neutraal = zwitterionen

    • PC zit buiten (groot hoofd)

    • PE zit binnen (klein hoofd, zorgt voor buiging)

  • Inositol-ladder

    • PI (-1) → basis

    • PIP2 (-5) → heel negatief (signaal klaar om te vuren)

    • PIP3 (-7) → extreem negatief (krachtig signaalanker)

  • Lading; alles wat negatief is (PS, PI, PIPs), zit meestal aan de binnenkant (cytosol-zijde) van het membraan


myo-inositol; foute nummering in cursus
  • PIP2; fosfaat aan 4, 5

  • PIP3; fosfaat aan 3, 4 én 5


SPECIALE STRUCTUREN

  • difosfatidylglycerol = cardiolipine

    • 4 vetzuren

    • netto-lading = -2

    • voornamelijk in binnenste membraan mitochondriën; helpt bij de sterke kromming van de cristae (de plooien in de binnenmembraan) → fungeert als een soort "isolatielaag" die de membraan extreem ondoordringbaar maakt voor protonen (belang protonengradiënt ATP-productie)

  • plasmalogen = fosfolipide-ether (C1 → vinyl-etherbinding, C2 → esterbinding vetzuur)

    • ethanolamineplasmalogen

    • cholineplasmalogen

  • lysofosfolipide (C2 → OH, geen esterbinding met vetzuur)

    • lysofosfatidinezuur (LPA)

    • lysofosfatidethanolamine (LPE)

    • lysofosfatidylcholine (LPC)

    • lysofosfatidylinositol (LPI)


cardiolipineplasmalogenlysofosfolipiden

GLYCOLIPIDEN

= “ID-badge”

opm; glycolipiden zijn een type sfingolipide (zie verder)


STRUCTUUR

  • ceramide + suiker

    • met ceramide = sfingosine + vetzuur


FUNCTIES

  • celherkenning

  • signaaloverdracht

  • opm; komt uitsluitend voor op buitenste membraanlaag


VOORBEELDEN

  • cerebroside

    • simpele structuur; ceramide + monosacharide in β-vorm aan 1’ (glc of gal)

    • neutraal

  • ganglioside

    • complexe structuur; ceramide + oligosacharideketen

    • bevat minstens één NANA → negatieve lading → celherkenning en signaaltransductie


cerebroside

CHOLESTEROL

= “buffer” membraanfluïditeit

opm; valt onder de categorie sterolen, is geen categorie an sich

opm; structuur NK


STRUCTUUR

  • lange, vlakke lipide

  • steroïde-ringstructuur + klein polair kopje (OH) + kleine apolaire staart

  • neutraal


FUNCTIES

  • “bufferend effect” afhankelijk van temperatuur;

    • T < Tm; beperkt strakke “packing” vetzuurstaarten → meer fluïditeit

    • T > Tm; beperkt beweging vetzuurstaarten → minder fluïditeit


  • effect op (on)verzadigdheid;

    • verzadigde vetzuren; vermindert interactie → meer fluïditeit

    • onverzadigde vetzuren; houdt staarten samen → minder fluïditeit


  • effect op transitiefase (gel ←→ vloeibaar);

    • verbreedt de overgangsrange

    • scherpe overgang bij Tm → geleidelijke overgang

    • resultaat; membraan is minder gevoelig voor kleine temperatuurschommelingen




EXTRA — SFINGOLIPIDEN


STRUCTUUR

  • ceramide + kopgroep

    • met ceramide = sfingosine + vetzuur


FUNCTIES

  • signaaltransductie

  • barrièrefunctie

  • stabilisatie van het membraan


VOORBEELDEN

  • kopgroep = fosfaat → behoren tot fosfolipiden

    • sfingomyeline (SM)

      • buitenste laag membraan

      • stabiliseert membraan, aanwezig in myeline

      • sfingolipiden, zoals SM, stapelen veel compacter dan de "lossere" fosfoglyceriden (zoals PC); samen met cholesterol vormen ze lipid rafts → plasmamembraan wordt dikker en stugger

  • kopgroep = suiker(s) → behoren tot glycolipiden

    • glycosfingolipiden

      • vb. cerebroside

      • vb. ganglioside


sfingomyeline

TOEPASSING — NAAMGEVING

Dit geldt voor de staarten van de fosfo- en glycolipiden.

  • C “#koolstoffen” : “#dubbelebindingen” (positie(s))

    • vb. C18:1 (9)


Er is steeds aan volgende voorwaarden voldaan;

  • lengte = even #koolstoffen

  • configuratie = cis rond dubbele binding

  • telling C’en start bij carboxyl; C1 = O


Naamgeving met ω;

  • ω = plaats van dubbele binding, geteld vanaf uiteinde staart

    • vb. omega- of ω-3 vetzuren



TOEPASSING — BIOMEMBRANEN

FOSFOLIPIDEDUBBELLAAG

  • fosfolipiden = glycerofosfolipiden + sfingomyeline

  • vormen structurele basis van biologische membranen


  • in polair milieu (water) hebben lipiden neiging om polaire koppen naar buiten te richten en apolaire staarten naar elkaar = hydrofoob effect

  • gebeurt spontaan

  • coöperatie tussen; hydrofobe interacties, vanderwaalsbindingen, H-bruggen en elektrostatische interacties


  • polaire kant — hydrofoob gedeelte — polaire kant

    • met hydrofoob deel = 30 à 35 Å

    • transmembranaire α-helix bestaat uit  20 à 23 hydrofobe AZ (p.181 cursus)

    • gevolgen;

      • compartimentalisatie

      • gericht transport; pompen + kanalen + transporters

      • mogelijkheid tot diffusie


  • permeabiliteitscoëfficiënt [cm/s of nm/s]

    kleine apolaire (O₂, CO₂)

    snel

    kleine ongeladen polaire (H₂O, glycerol)

    beperkt

    grote polaire moleculen

    zeer traag

    ionen

    vrijwel onmogelijk zonder kanaal


EIWITTEN + SUIKERS — DIA61, p.139

types membraaneiwitten;

  • integraal;

    • ingebed in membraan

    • vastgehouden door hydrofobe + vanderwaalsinteracties

    • extracellulair vaak geglycosyleerd → glycocalyx

  • perifeer;

    • los geassocieerd met membraanoppervlak

    • via elektrostatische interacties en/of H-bruggen

  • lipideverankerd;

    • covalent gebonden aan lipide (bv. GPI-anker)


functies eiwitten

  • transport

  • signaaltransductie

  • vormen signalen (chemisch/elektrisch)

  • vasthechting

  • …


VLOEIBAAR SYSTEEM

  • membraan zijn dynamisch (binnen bepaalde restricties);

    Beweging

    Tijdsschaal

    buiging

    ~10⁻⁷ s

    rotatie

    ~10⁻⁹ s

    laterale verschuiving

    ~10⁻⁹ s

    flip-flop (spontaan)

    ~10⁵ s

    • probleem; flip-flop kost enorm veel E om spontaan uit te voeren, want hydrofiele kop moet daarvoor door hydrofobe staarten

    • opl; cellen hebben enzymen: flippasen, floppasen en scramblasen


  • vloeibaar mozaïek model

    • bepaalde gebieden i/e membraan functioneren als één geheel

    • lipid rafts = lipid microdomains;

      • rijk aan cholesterol + sfingolipiden

      • bewegen samen (niet-random)

      • voeren samen functie uit (signaalhulp)

    • asymmetrie binnen- en buitenzijde

      • actief in stand gehouden

      • positie lipide, binnen- of buitenkant, afhankelijk van fysicochemische eigenschappen

        • binnenkant; neg geladen

        • buitenkant; neutraal

      • bepaalt functie


  • temperatuursverandering

    • lipiden worden door niet-covalente krachten, meer bepaald Londonkrachten = dispersiekrachten en hydrofobe interacties, samengehouden

    • enkel werkzaam indien moleculen dicht bij elkaar

      • verhogen temp → meer bewegen → zwakkere krachten


    • Tm = smelttemperatuur

      • afhankelijk van lipidensamenstelling;

        • lange staarten → meer interactie

        • geen knik/onverzadigdheden → meer interactie

      • hoe meer interactie, hoe hoger Tm


  • membraanintrinsieke factoren

    • lengte van vetzuurstaarten

    • mate van onverzadiging

    • cholesterolgehalte

    • type lipiden (sfingolipiden vs glycerofosfolipiden)


  • membraanextrinsieke factoren

    • temperatuur

    • ionsterkte

    • pH

    • interactie met cytoskelet of extracellulaire matrix