PP. 287-330

13.5. DE RECHTEN EN VRIJHEDEN

13.5.1. DE BESCHERMING VAN RECHTEN EN VRIJHEDEN

  • Fundamentele rechten en vrijheden: Essentieel voor individuele vrijheid en menselijke waardigheid. Bijzondere bescherming in Grondwet en internationale verdragen (o.a. EVRM). Volgen uit normenhiërarchie: moeten worden nageleefd door wetgevende, uitvoerende en rechterlijke macht.

  • Gericht tot de overheid (verticale werking): Grondrechten richten zich tot alle overheden. Belangrijk voor machtsbeperking in rechtsstaat.

  • Horizontale doorwerking: In beginsel richten grondrechten zich niet tot burgers onderling. Uitzondering: antidiscriminatiewetgeving breidt discriminatieverbod uit tot private sfeer (werkgevers, clubuitbaters).

  • Onthoudingsplicht (negatieve werking): Fundamentele rechten zijn vrijheidsrechten die individu vrijwaren van overheidsinmenging. Overheid mag rechten niet aantasten.

  • Positieve verplichtingen: Verwezenlijking van vele rechten veronderstelt actief overheidsoptreden (bv. sociale zekerheid, gezondheid, vrijheid van onderwijs, eerlijk proces).

  • Absolute en niet-absolute rechten:

    • Absoluut: verbod op foltering, mensonterende of vernederende bestraffing en behandeling (geen overheidsinmenging).

    • Niet-absoluut: uitoefening kan aan beperkingen worden onderworpen mits evenredig.

      • Toets: 1) legitiem doel (nationale veiligheid, openbare orde, volksgezondheid, rechten anderen); 2) bij of krachtens wet ingesteld (duidelijk, voorspelbaar); 3) nuttig en noodzakelijk; 4) evenredig (ernst beperking vs. ernst doel).

13.5.2. HET BEGINSEL VAN GELIJKHEID EN NIET-DISCRIMINATIE

A. Verticale werking: gelijkheid door de wet
  • Zie eerdere bespreking (p. 282-283).

B. Horizontale werking
  • Ongelijke behandeling door sociale interactie: Problematisch voor toegang arbeidsmarkt, woningmarkt, dienstverlening.

  • Antidiscriminatiewet (10 mei 2007): Algemene wet inzake gelijke behandeling. Verplicht burgers medeburgers gelijk te behandelen in belangrijke sectoren van maatschappelijk leven.

  • Verboden discriminatie:

    • Directe discriminatie: direct onderscheid op grond van beschermde criteria. Toegestaan indien objectief gerechtvaardigd door legitiem doel en middelen passend en noodzakelijk.

    • Indirecte discriminatie: indirect onderscheid op grond van ogenschijnlijk neutraal criterium. Toegestaan indien objectief gerechtvaardigd.

13.5.3. DE PERSOONLIJKHEIDSRECHTEN

A. Begrip
  • Persoonlijkheidsrechten: Subjectieve rechten die elke persoon heeft wegens zijn eigenheid als persoon. Juridische aanspraken op gebruik van intrinsieke bestanddelen van persoonlijkheid; beschermen fysieke, psychische en morele integriteit.

B. Het leven en de lichamelijke integriteit
  • Recht op leven (art. 2 EVRM). Doodstraf afgeschaft (art. 14bis Gw.; 13de protocol EVRM).

  • Lichamelijke integriteit: geconcretiseerd in verbod op foltering, dwangarbeid, onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing (art. 3, 4, 8 EVRM).

C. De persoonlijke integriteit
  • Persoonlijke levenssfeer (art. 22 Gw.; art. 8 EVRM): Recht op beslotenheid, eigen privésfeer, met rust gelaten worden, bescherming tegen bespieden, afluisteren, openbaarmaking gegevens privéleven.

  • Woning onschendbaar (art. 15 Gw.).

  • Briefgeheim onschendbaar (art. 29 Gw.).

D. De relationele en seksuele integriteit
  • Recht om zelf te bepalen wie toegang krijgt tot privéleven en met wie men relaties aangaat.

  • Recht op eigen seksuele geaardheid: private seksuele relaties met meerderjarige instemmende partners van keuze.

13.5.4. DE VRIJHEIDSRECHTEN

A. Begrip
  • Persoonlijke vrijheidssfeer: voorbehouden domein voor ontplooiing zonder inmenging van overheid en medeburgers. Vrijheidsrechten zijn afweerrechten.

  • Beperkingen: mogelijk mits objectief en redelijk verantwoord.

B. Fysieke vrijheidsrechten
  • Vrijheid van persoon (art. 12 Gw.): Niemand kan worden vervolgd dan in gevallen en vorm door wet bepaald. Aanhouding enkel krachtens met redenen omkleed bevel van rechter binnen 48 uur, enkel tot voorlopige inhechtenisneming. Willekeurige vrijheidsberoving verboden (art. 5 EVRM).

  • Vrijheid van verplaatsing: binnen landsgrenzen en (in bepaalde gevallen) over landsgrenzen. Vrij verkeer van personen binnen EU/EER (art. 21 VWEU).

C. Geestelijke vrijheidsrechten
  • Vrijheid van mening (art. 9 EVRM).

  • Gewetensvrijheid (art. 9 EVRM).

  • Vrijheid van meningsuiting (art. 19 Gw.; art. 10 EVRM).

  • Persvrijheid (art. 25 Gw.).

  • Vrijheid van eredienst (art. 19 Gw.; art. 9 EVRM).

  • Vrijheid van onderwijs (art. 24 Gw.).

D. Sociale vrijheidsrechten
  • Vrijheid van vergadering (art. 26 Gw.; art. 11 EVRM).

  • Vrijheid van vereniging (art. 27 Gw.; art. 11 EVRM).

E. Economische vrijheidsrechten
  • Vrijheid van ondernemen: niet grondwettelijk verankerd, maar gewaarborgd in art. II.3 WER.

  • Vrij verkeer binnen EU: personen, goederen, diensten, kapitalen.

  • Vrij verkeer binnen België: gewesten oefenen economische bevoegdheden uit met inachtneming van beginselen vrij verkeer van personen, goederen, diensten, kapitalen, vrijheid van handel en nijverheid.

13.5.5. DE GEZINS- EN FAMILIALE RECHTEN

  • Gezin: samenlevingsverband van mensen die huishouden vormen, op elkaar aangewezen op emotioneel en socio-economisch vlak.

  • Familie: ruimere groep van bloed- en aanverwanten.

  • Recht op gezinsleven (art. 22 Gw.; art. 8 en 12 EVRM): recht om te huwen, gezin te stichten, eerbiediging gezinsleven.

13.5.6. DE VERMOGENSRECHTEN

  • Eigendomsrecht (art. 16 Gw.; art. 1 Eerste Protocol EVRM): overheid mag niet onteigenen zonder voorafgaande en billijke vergoeding.

13.5.7. DE SOCIALE RECHTEN

  • Sociale grondrechten (art. 23 Gw.; Europees Sociaal Handvest; IVESCR): bestaanszekerheid, menswaardig leven, tewerkstelling, gezondheid, huisvesting.

  • Beperkte afdwingbaarheid:

    • Enkel kosteloos onderwijs tot einde leerplicht is afdwingbaar recht (art. 24 Gw.).

    • Overige sociale grondrechten zijn instructienormen: wetgever moet rechten erkennen en inspanningen doen; niet afdwingbaar.

  • Niet-discriminatie: overheid moet sociale rechten zonder discriminatie toekennen.

  • Standstill-verplichting: overheid mag bestaand beschermingsniveau niet aanzienlijk verminderen zonder redenen van algemeen belang.

13.5.8. DE POLITIEKE RECHTEN

A. Politieke rechten in enge zin
  • Politieke rechten: subjectieve rechten die mens inschakelen in gemeenschapsleven: kiesrecht (actief en passief), toegang tot openbaar ambt, militaire dienst.

  • Kiesrecht: alleen Belgen (art. 8 Gw.). EU-onderdanen: actief en passief kiesrecht voor Europese en gemeenteraadsverkiezingen. Derdelandsonderdanen: enkel actief kiesrecht na 5 jaar verblijf.

B. Politieke bedieningen
  • Toegang tot burgerlijke en militaire bedieningen: Unieburgers hebben geen toegang tot betrekkingen in overheidsdienst (art. 45.4 VWEU). Uitzondering volgens Hof van Justitie: enkel betrekkingen met rechtstreekse of onrechtstreekse deelneming aan uitoefening openbaar gezag en bescherming algemene belangen.

  • Verdragsconforme uitleg: voorrang Europese verdragsbepalingen en afgeleid recht op nationale bepalingen (inbegrepen Grondwet). Categorie politieke rechten in art. 8 Gw. niet verwarren met ruimere categorie politieke subjectieve rechten in art. 145 Gw. (waarvoor Belg zijn niet vereist).

13.5.9. DE BEHOORLIJKE RECHTSBEDELING

A. Begrip
  • Beginselen van behoorlijke rechtsbedeling: rechtsethische beginselen, gepositiveerd in Grondwet, mensenrechtenverdragen (art. 6 EVRM, art. 14 IVBPR, art. 47 Handvest EU), en rechtspraak als algemene rechtsbeginselen.

B. Verbod van eigenrichting
  • Nemo judex in sua causa: men mag niet zijn eigen rechter zijn; overheid heeft monopolie dwingende rechtspraak.

  • Uitzonderingen:

    • Exceptio non adimpleti contractus: bij wederkerig contract mag partij die wanprestatie vaststelt eigen prestatie weigeren zonder rechter (Hof van Cassatie beschouwt dit als uitzondering, niet als afwijking van verbod eigenrichting).

    • Andere wettelijke uitzonderingen.

C. Onpartijdigheid van de rechter
  • Persoonlijke onpartijdigheid: rechter mag geen persoonlijke vooringenomenheid tonen. Geen persoonlijke banden met partijen, geen financieel belang, geen eerder betrokkenheid als getuige, raadsman, etc.

  • Functionele onpartijdigheid (schijn van vooringenomenheid): voortvloeiend uit organisatie rechtsbedeling of voorwaarden waaronder rechter optreedt. Vraag of men, gelet op eerdere functies van rechter, kan vrezen dat hij partijdig is. "Justice must not only be done, it must also be seen to be done." Indruk moet objectief gerechtvaardigd zijn (EHRM).

  • Remedies:

    • Verschoning (excuse)

    • Wraking (récusation) (art. 828-847 Ger.W.)

    • Onttrekking van de zaak aan de rechter (art. 648-659 Ger.W.)

    • Verwijzing naar andere rechtbank op grond van gewettigde verdenking (art. 542-552 Sv.)

D. Openbaarheid van de rechtspleging
  • Externe openbaarheid: terechtzittingen openbaar (art. 148 Gw.; art. 6 EVRM), tenzij gevaar voor orde of goede zeden (bij vonnis verklaard). Bij politieke en drukpersmisdrijven kan sluiten deuren enkel met algemene stemmen. Vonnis in openbaar uitgesproken (art. 149 Gw.; art. 6 EVRM).

  • Afwijking: mogelijk indien betrokkene vrijwillig afziet van openbaarheid, op ondubbelzinnige wijze, en verenigbaar met nationaal recht.

  • Toepassingsbereik art. 6 EVRM: op elke rechtspleging over vaststelling van burgerlijke rechten en verplichtingen of gegrondheid van strafvordering. Ook in tuchtzaken.

  • Geen sub judice-beginsel in België (geen gepositiveerd beginsel, geen algemeen rechtsbeginsel). Wel foutaansprakelijkheid bij onrechtmatige gerechtsverslaggeving.

  • Interne openbaarheid: toegang tot stukken voor beide partijen, tijdig bekend, zodat zij kunnen reageren.

E. Onafhankelijkheid van de rechter
  • Functionele onafhankelijkheid (art. 151, §1 Gw.; art. 6 EVRM): vrij van inmenging van andere overheden. Wetgever mag niet zonder dwingend doel van algemeen belang ingrijpen in lopend geding (EHRM, Grondwettelijk Hof).

  • Institutionele onafhankelijkheid:

    • Benoeming rechters: door koning (met tegentekening minister Justitie). Wet 18 juli 1991 heeft toegang geobjectiveerd: leeftijd, diploma, vergelijkend examen of examen beroepsbekwaamheid met juridische ervaring.

    • Vergelijking kandidaten: koning (minister Justitie) moet "titels en verdiensten" vergelijken; bij betwisting bewijzen dat vergelijkend onderzoek plaatsvond.

    • Hoge Raad voor de Justitie: cruciale rol in benoemingsbeleid. Koning kan slechts rechter of ambtenaar openbaar ministerie benoemen, of korpschef aanwijzen, die door benoemings- of adviescommissie van Hoge Raad met 2/3 meerderheid is voorgedragen.

    • Benoeming voor het leven (art. 151, § 3 Gw.): leden rechterlijke macht die met rechtspraak belast zijn, worden voor het leven benoemd. Einde: ontslag op eigen verzoek, bereiken leeftijdsgrens, ontslag om medische redenen, ontslag wegens tuchtrechtelijke beslissing.

  • Vaste rechtsprekende functie (art. 152 Gw.): rechter kan niet worden afgezet of geschorst dan door vonnis. Overplaatsing alleen door nieuwe benoeming en met toestemming rechter.

F. Wapengelijkheid
  • Tegenspraak (Audite et alteram partem): partijen hebbenzelfde rechten en plichten; gelijke wapens ter verdediging.

  • Rechten van verdediging: algemeen rechtsbeginsel. Recht op bijstand van advocaat.

  • Fair trial (art. 6, lid 1 EVRM; art. 14, lid 1 IVBPR): verzamelnaam voor tegenspraak, rechten van verdediging, wapengelijkheid.

G. Kosteloosheid van de rechtspraak
  • Rechters worden niet betaald door partijen.

  • Gedingkosten (rolstelling, dossierbehandeling, gerechtsdeurwaarders, notarissen, deskundigen): ten laste van rechtzoekenden. Rechter veroordeelt een of beide partijen tot kosten.

  • Rechtsbijstand: voor minvermogenden (vermindering of vrijstelling kosten). Pro deo advocaat mogelijk.

  • Rechtsplegingsvergoeding: forfaitair bedrag dat gedeeltelijk kosten verdediging door advocaat verlicht.

H. Geen rechtsweigering
  • Verplichting recht te spreken (art. 5 Ger.W.): rechter moet geschil ten gronde beslechten, tenzij vordering onontvankelijk of rechter onbevoegd.

  • Rechtsweigering: weigering recht te spreken onder enig voorwendsel (stilzwijgen, duisterheid, onvolledigheid van wet). Strafbaar (art. 258 oud Sw.; art. 633 nieuw Sw.: straf niveau 1).

  • De minimis non curat praetor: niet erkend als algemeen rechtsbeginsel.

I. Afdoening binnen een redelijke termijn
  • Redelijke termijnvereiste (art. 6 EVRM; art. 14 IVBPR): procedures moeten binnen redelijke termijn worden afgedaan. In concreto beoordeling (feitelijke kwestie). Hof van Cassatie controleert of feitenrechter wettig heeft afgeleid dat termijn al dan niet overschreden.

  • Criteria (EHRM): aard en complexiteit zaak, gedrag verzoeker, gedrag overheid (verwijtbare traagheid), belang van de zaak voor verzoeker.

  • Herstel bij overschrijding:

    • Rechter kan veroordeling bij eenvoudige schuldigverklaring uitspreken of lagere straf dan wettelijk minimum (art. 21ter Voorafg. Titel Sv.).

    • Ontslag van rechtsvervolging of vrijspraak indien overschrijding bewijsvoering en recht van verdediging ernstig en onherstelbaar heeft aangetast.

    • Vordering tot schadeloosstelling tegen staat.

    • EHRM kan billijke genoegdoening toekennen (art. 41 EVRM).

  • Ook in bestuurszaken: Raad van State beschouwt redelijke termijn als algemeen rechtsbeginsel (tuchtzaken, verblijfszaken).

  • Termijnen van orde: wettelijke termijnen waarbinnen rechter uitspraak moet doen. Geen rechtstreekse sancties. Hof van Cassatie kan zaak onttrekken aan rechter die >6 maanden verzuimt uitspraak te doen.

J. Motivering van de uitspraak
  • Motiveringsplicht (art. 149 Gw.): rechterlijke beslissing moet gronden inhouden waarop zij rust. Waarborg tegen willekeur; bewijs dat rechter middelen zorgvuldig heeft onderzocht en uitspraak heeft beredeneerd. Ook uitspraak hof van assisen gemotiveerd.

  • Beantwoording middelen: rechter dient middelen van partijen te beantwoorden. Motiveringsplicht berust op algemeen rechtsbeginsel.

  • Louter formele motiveringsverplichting: redenen mogen niet tegenstrijdig of dubbelzinnig zijn. Inhoudelijk foutieve motivering leidt niet tot vernietiging wegens schending motiveringsplicht, maar wegens schending van de wet.


14. ADMINISTRATIEF RECHT

14.1. DE OPENBARE DIENST

  • Openbare dienst: organisme opgericht door overheid om in collectieve behoefte te voorzien en onder controle van overheid.

  • Organisatievormen:

    • Centralisatie: bestuursbeslissingen door Staat, gemeenschappen, gewesten; voorbereid door centraal georganiseerde diensten (FOD's, ministeries).

    • Deconcentratie: beslissingsbevoegdheid gedelegeerd aan gedeconcentreerde diensten die aan centraal bestuur verbonden zijn (interne: delegatie aan secretaris-generaal; externe: ruimtelijk gespreide buitendiensten). Blijven onder hiërarchisch gezag.

    • Decentralisatie: toekennen zelfstandige beslissingsbevoegdheid aan gedecentraliseerde rechtspersonen, autonoom maar onder toezicht van centraal bestuur. Territoriale decentralisatie (provincies, gemeenten); functionele decentralisatie (parastatalen). Administratief toezicht kan wettigheids- en/of opportuniteitstoezicht zijn; veelal negatief (vernietiging), soms positief (dwangvoogdij).

14.2. DE BESTUURSMIDDELEN

  • Personeel: statuut ambtenaren bij K.B. of regeringsbesluit.

  • Goederen: openbaar en privaat domein, onteigening, ruimtelijke ordening en stedenbouw, wegen en waterwegen, publieke erfdienstbaarheden.

  • Handelingen: overheidscontracten en eenzijdige rechtshandelingen.

  • Normatieve bevoegdheid: uitvoerende macht oefent ondergeschikte normatieve bevoegdheid uit via verordeningen.

  • Individuele beschikkingen: eenzijdige rechtshandelingen met individuele rechtsgevolgen (bv. bouwvergunning, belastingaanslag). Constitutief (recht ontstaat pas bij toekenning) of declaratoir (recht vloeit uit wet; bestuur erkent bestaan).

  • Gebonden of discretionaire bevoegdheid: wetgever legt alle voorwaarden vast (gebonden) of beleidsruimte (discretionair).

  • Verbindend (privilège du préalable): eenzijdige overheidshandelingen worden vermoed rechtmatig te zijn totdat tegendeel bewezen. Burger kan beslissing bestrijden bij Raad van State; beroep schorst in beginsel niet. Bij spoedeisendheid kan Raad opschorting bevelen.

  • Uitvoerbaar (privilège de l'exécution d'office): onmiddellijk uitvoerbaar. Burger moet vrijwillig naleven zonder rechterlijke veroordeling. Uitzonderlijk mag bestuur zonder rechter overgaan tot gedwongen uitvoering.

14.3. DE RECHTSBESCHERMING TEGEN DE OVERHEID

14.3.1. DE POLITIEKE EN BESTUURLIJKE CONTROLE
  • Politieke controle: uitvoerende organen politiek verantwoordelijk aan volksvertegenwoordiging. Vaak niet efficiënt (consensus, sancties te laat, herstellen nadeel niet).

  • Bestuurlijke controle: burger kan beroep doen op bestuur dat beslissing nam, hiërarchische overheid (willig beroep), of toezichthoudende overheid (beroep in kader administratief toezicht). Bestuurlijk beroepsorgaan (soms eerst uitputten voor rechter).

14.3.2. DE RECHTERLIJKE CONTROLE
  • Flandria-arrest (5 november 1920): rechterlijke macht kan handelen en nalaten van overheid beoordelen en als onrechtmatig aanmerken. Thans algemeen aanvaard.

  • Recht op schadevergoeding: onrechtmatig bestuursoptreden (strijdig met wet of onzorgvuldig) kan aanleiding geven tot schadevergoeding (art. 1382 oud BW / art. 6.5 BW) voor burgerlijke rechter of - na vernietiging - voor Raad van State.

  • Uitbreiding: Hof van Cassatie erkende bevoegdheid rechterlijke macht om na te gaan of overheid zorgvuldigheidsplicht heeft nageleefd (wegverkeerstekenarrest 1963), zorgvuldigheidsnorm toepaste op verordenende bevoegdheid (koepokkenarrest 1963), geschillen over politieke rechten (Cuvelier 1965), overheidsverzuim in verordenende functie (postontvangersarrest 1971).

14.3.3. DE BESTUURLIJKE RECHTSCOLLEGES
  • Bestuursrechter: wetgever kan voor beslechting subjectieve politieke rechten en objectief contentieux bestuurlijke rechtscolleges oprichten.

  • Raad van State: bevoegd voor vernietigingsberoepen tegen uitvoerbare eenzijdige overheidshandelingen (objectief contentieux).

14.4. BEGINSELEN VAN BESTUURSRECHT

14.4.1. HET LEGALITEITSBEGINSEL
  • Bestuurshandelingen moeten gegrond zijn op hogere rechtsregel (bevoegdheid). Bestuurshandelingen moeten inhoudelijk in overeenstemming zijn met hogere rechtsregels.

14.4.2. HET RECHTSZEKERHEIDSBEGINSEL
  • Bestuurlijke beslissingen en gevolgen moeten voorspelbaar zijn.

  • Patere legem quam ipse fecisti: bestuur moet eigen algemene regels volgen bij individuele beslissingen.

  • Vertrouwensbeginsel: bestuur mag gewekt vertrouwen niet beschamen, tenzij dit leidt tot beleid tegen wettelijke bepalingen.

  • Verbod op intrekking: bestuur kan beslissing waaraan burgers subjectief recht ontlenen niet intrekken, ook al is ze onwettig, wanneer onwettigheid aan bestuur zelf te wijten is.

14.4.3. DE BEGINSELEN VAN BEHOORLIJK BESTUUR
  • Motiveringsplicht:

    • Materiële motiveringsplicht: rechtsgeldige motieven in feite en rechte, blijken uit administratief dossier.

    • Formele (uitdrukkelijke) motiveringsplicht: motieven blijken uit beslissing zelf.

  • Zorgvuldigheidsbeginsel: overheid moet alle gegevens en inlichtingen verzamelen nodig voor correcte beslissing; deze volledig, juist en relevant zijn.

  • Onpartijdigheidsbeginsel: overheid of persoon die deel uitmaakt van overheidsorgaan mag geen beslissing nemen waarbij zij partij is of rechtstreeks persoonlijk belang heeft.

  • Redelijkheidsbeginsel: bestuurshandeling mag niet kennelijk onredelijk zijn (beslissing die door geen enkel redelijk denkend en handelend overheidspersoon in zelfde omstandigheden genomen zou worden).

14.4.4. DE WETTEN VAN DE OPENBARE DIENST
  • Wijzigingsbeginsel: openbare dienst moet steeds kunnen aangepast worden aan wijzigende collectieve behoeften (eenzijdig ambtenarenstatuut wijzigen, concessie intrekken, openbare dienst opheffen).

  • Continuïteitsbeginsel: openbare dienst moet continu kunnen functioneren (theorie feitelijke ambtenaar/noodambtenaar, opeisingsrecht, beperkte beslagbaarheid overheidsgoederen).

  • Beginsel van benuttigingsgelijkheid: burgers door bestuur op voet van gelijkheid behandelen (bv. overheidsopdrachten: leveranciers moeten kunnen meebieden).


15. BEGINSELEN VAN PROCESRECHT

15.1. ACCUSATOIRE EN INQUISITOIRE RECHTSPLEGING

  • Accusatoire rechtspleging:

    • Horizontale processtructuur. Partijen zijn dominus litis (meester van proces). Gelijke wapens.

    • Beschikkingsbeginsel: partijen bepalen grenzen geschil (voorwerp en oorzaak) doorheen hele geding. Rechter mag niet ultra petita uitspraak doen.

    • Oorzaak: partijen voeren rechtsfeiten en -handelingen aan. Rechter kan juridisch herkwalificeren mits feitelijke grondslag niet gewijzigd; kan rechtsgronden ambtshalve vervangen mits geen geschil opgeworpen dat uitgesloten in verzoekschrift/dagvaarding.

    • Bewijs: partijen leggen bewijsmiddelen voor.

    • Rol rechter: passief, beslecht geding. Rechter moet geschil oplossen aan de hand van rechtsregels (ambtshalve aanvoeren) mits partijen kans krijgen standpunt in te nemen (Da mihi factum, dabo tibi ius).

    • Toepassing: burgerlijke rechtsgedingen (hoofdzakelijk).

  • Inquisitoire rechtspleging:

    • Verticale processtructuur. Proces ingesteld door overheid; rechtsonderhorige ondergaat procedure.

    • Vooronderzoek in strafzaken: overwegend inquisitoir (geheim, schriftelijk, niet tegensprekelijk).

    • Procedure voor strafrechter: in beginsel openbaar, mondeling, tegensprekelijk. Rechter heeft actieve waarheidsvinding: ambtshalve initiatieven (getuigen oproepen, deskundig onderzoek), kwalificatie wijzigen na uitnodiging verdediging.

15.2. GEZAG VAN DE RECHTERLIJKE UITSPRAAK

  • Gezag van gewijsde (autorité de la chose jugée): rechterlijke uitspraak wordt geacht de juridische waarheid te zijn (Res judicata pro veritate habetur). Andere rechters mogen uitspraak niet tegenspreken, tenzij bestreden met rechtsmiddel.

  • Burgerrechtelijke uitspraak: relatief gezag van gewijsde. Enkel rechter aan wie gevraagd wordt zich opnieuw uit te spreken over zelfde zaak (zelfde partijen, voorwerp, oorzaak; rechtsgrond niet van belang) is gebonden. Res inter alios judicata, alii nec nocet nec prodest.

  • Strafrechtelijke uitspraak: gezag van gewijsde erga omnes.

    • Non bis in idem: zelfde zaak kan niet voor tweede keer voor strafrechter gebracht.

    • Art. 4 Voorafgaande Titel Sv.: elke andere rechter moet gezag van uitspraak erkennen (bv. burgerlijke rechter kan geen schadevergoeding toekennen wanneer strafrechter heeft geoordeeld dat misdrijf niet bewezen).

    • Uitzondering: Hof van Cassatie sluit erga omnes-karakter uit t.a.v. derden die geen partij waren in strafproces (recht op eerlijk proces, art. 6 EVRM).

15.3. RECHTSMIDDELEN

15.3.1. DUBBELE AANLEG
  • Geen algemene waarborg in Grondwet of EVRM. Geen algemeen rechtsbeginsel van dubbele aanleg (Hof van Cassatie).

  • Strafzaken: wel gewaarborgd door internationale verdragen.

    • Art. 14.5 IVBPR: recht op herbeoordeling door hoger rechtscollege. België heeft voorbehoud: niet van toepassing bij beroep tegen vrijspraak in eerste aanleg die in tweede aanleg leidt tot veroordeling, en bij rechtstreekse verwijzing naar hoger rechtscollege.

    • 7de aanvullend protocol EVRM (geratificeerd): recht op herbeoordeling door hoger gerecht. Uitzonderingen: lichte overtredingen, berechting door hoogste gerecht in eerste aanleg, veroordeling na beroep tegen vrijspraak.

  • Privaatrechtelijk procesrecht: dubbele aanleg enkel wettelijke basis. Niet gewaarborgd bij geschillen met geringe financiële waarde (zie art. 617 Ger.W.).

15.3.2. GEWONE RECHTSMIDDELEN
A. Hoger beroep
  • Begrip: ingesteld tegen in eerste aanleg gewezen rechterlijke beslissing (art. 1050 e.v. Ger.W.). Zaak opnieuw ter beoordeling aan hoger rechtscollege.

  • Uitzonderingen:

    • Strafzaken: geen hoger beroep tegen arresten assisenhof; tegen vervolgingen rechtstreeks voor hof van beroep (bv. ministers, magistraten met voorrang van rechtsmacht).

    • Privaatrechtelijke zaken:

      • Vonnissen rechtbank eerste aanleg en ondernemingsrechtbank over vorderingen tot 2500 euro.

      • Vonnissen vrederechter en politierechter over vorderingen tot 2000 euro (art. 617 Ger.W.).

      • Beslissingen over bevoegdheid en beslissingen alvorens recht te doen.

B. Verzet
  • Begrip: gewoon rechtsmiddel tegen verstekvonnis. Zaak opnieuw behandeld doorzelfde rechter (art. 802 e.v., 1047 Ger.W.; art. 186-187 Sv.).

  • Burgerlijke zaken: enkel tegen uitspraken niet vatbaar voor hoger beroep (laatste aanleg).

  • Strafzaken: enkel in geval van overmacht of geldige reden (art. 187, §6 Sv.). Verzet na tweede verstek niet mogelijk.

C. Gezag van gewijsde en kracht van gewijsde
  • Gezag van gewijsde: elke rechterlijke beslissing heeft gezag, ook die waartegen nog rechtsmiddelen openstaan. Vervalt bij vernietiging in beroep/verzet.

  • Schorsende werking gewone rechtsmiddelen:

    • Verzet schorst tenuitvoerlegging, tenzij rechter uitspraak bij voorraad uitvoerbaar verklaarde.

    • Hoger beroep tegen verstekvonnis schorst tenuitvoerlegging.

    • Anders: hoger beroep heeft geen opschortende werking, tenzij wetgever of rechter anders bepaalt.

  • Kracht van gewijsde (force de la chose jugée): uitspraak niet meer vatbaar voor gewone rechtsmiddelen (verzet, hoger beroep). Kan worden uitgevoerd. Buitengewone rechtsmiddelen (cassatie, herroeping) hebben geen opschortende werking.

15.3.3. BUITENGEWONE RECHTSMIDDELEN
  • Begrip: enkel op door wet bepaalde gronden.

  • Soorten:

    • Voorziening in cassatie (art. 1073-1121 Ger.W.): tegen beslissingen in laatste aanleg. Vernietiging bij miskenning motiveringsplicht, schending wet, verzuim pleegvormen.

    • Derdenverzet (art. 1122-1131 Ger.W.)

    • Verzoek tot herroeping van gewijsde (art. 1132-1139 Ger.W.): o.m. wanneer rechter oordeelde op grond van vervalste stukken of valse getuigenverklaringen. In strafzaken: aanvraag tot herziening (art. 443 Sv.) en heropening van de rechtspleging (art. 442bis e.v. Sv.) wegens uitspraken EHRM.

    • Verhaal op de rechter (art. 1140-1147 Ger.W.)

    • Vordering tot intrekking (art. 16 Bijz.Wet GwH)

15.4. DE UITVOERING VAN DE RECHTERLIJKE UITSPRAAK

  • Initiatief (art. 40, tweede lid Gw.): arresten en vonnissen worden in naam des konings ten uitvoer gelegd. Strafzaken: openbaar ministerie waakt over uitvoering. Burgerlijke zaken: partij die veroordeling bekomen heeft.

  • Dwangsom (astreinte): bijkomende veroordeling tot betaling geldsom bij niet of niet-tijdige uitvoering hoofdveroordeling.

  • Gedwongen tenuitvoerlegging: vonnis/arrest bekleed met formule van tenuitvoerlegging = uitvoerbare titel. Gerechtsdeurwaarder kan beslag leggen (uitvoerend beslag). Bewarend beslag: preventief, schuldenaar mag goederen niet vervreemden.

  • Geen lijfdwang: afgeschaft in 1871. Verbod van dwanguitoefening tegen persoon en verbod binnen te dringen in gebied van persoonlijkheid is algemeen rechtsbeginsel (Hof van Cassatie).

15.5. AANSPRAKELIJKHEID VOOR FOUTIEVE RECHTSPRAAK

  • ANCA-zaak (Hof van Cassatie, 19 december 1991): Belgische Staat kan aansprakelijk gesteld worden voor schade door fout van rechter of magistraat openbaar ministerie (art. 1382-1383 oud BW / art. 6.5 e.v. BW).

  • ANCA I - voorwaarden:

    • Rechter treedt op binnen perken van wettelijke bevoegdheid of wordt geacht binnen die perken te zijn opgetreden.

    • Aangevochten handeling is ingetrokken, hervormd of vernietigd door in kracht van gewijsde getreden beslissing wegens schending rechtsregel.

    • Gevolg: fouten in uitspraken die niet meer kunnen worden ingetrokken, hervormd of vernietigd, geven geen aanleiding tot schadevergoeding.

  • Grondwettelijk Hof (arrest nr. 99/2014, 30 juni 2014): discriminatie indien benadeelden van beslissing rechtscollege waarvan arresten niet kunnen worden ingetrokken, hervormd of vernietigd (Hof van Cassatie, Raad van State) geen schadevergoeding zouden kunnen krijgen bij voldoende gekwalificeerde schending toepasselijke rechtsregels.

  • ANCA II - foutbegrip (Hof van Cassatie, 8 december 1994):

    • Ambtsfout: gedraging die niet voldoet aan criterium van normaal zorgvuldige en omzichtige magistraat inzelfde concrete omstandigheden, of schending van interne rechtsnorm of internationaal verdrag met rechtstreekse werking die magistraat oplegt iets niet te doen of op welbepaalde manier te handelen (onoverkomelijke dwaling of andere rechtvaardigingsgrond voorbehouden).

    • Geen fout in ANCA-zaak: ten tijde van ambtshalve faillietverklaring bestond controverse in rechtspraak en rechtsleer over toepasselijke normen. Schending van recht is geen fout wanneer controverse bestaat.

15.6. DE SEMI-PRIVATE RECHTSBEDELING

15.6.1. ARBITRAGE
  • Begrip: partijen leggen geschil voor aan door hen gekozen scheidsrechters/arbiters. Semi-private: uiteindelijke toets door overheidsrechter (exequatur). Geregeld in art. 1676-1723 Ger.W.

  • Arbitrageovereenkomst: vereist.

  • Voor arbitrage vatbare geschillen: vermogensrechtelijke aard; niet-vermogensrechtelijke geschillen vatbaar voor dading (art. 2044 BW). Niet voor dading: aangelegenheden die openbare orde of goede zeden raken (bv. familierechtelijke geschillen). Vooral (internationale) handelsgeschillen.

  • Samenstelling scheidsgerecht: oneven aantal scheidslieden. Arbitrage-instellingen: Cour d'Arbitrage van de Chambre de commerce internationale (CCI), CEPINA, consumentengeschillencommissies.

  • Toepasselijk recht: partijen kiezen; anders kiest scheidsgerecht (art. 1710, §2 Ger.W.). Partijen kunnen machtigen "als goede personen" (naar billijkheid) te oordelen.

  • Beperkte mogelijkheid hoger beroep: enkel indien partijen dit voorzagen.

  • Uitvoerbaarverklaring (exequatur): arbitrale uitspraak is niet uit zichzelf uitvoerbaar. Rechtbank van eerste aanleg verleent exequatur (art. 1721 Ger.W. weigeringsgronden: onbekwaamheid, onmogelijkheid rechten te verdedigen, gebrekkige samenstelling).

15.6.2. BEMIDDELING
  • Begrip: vrijwillig overleg tussen conflicterende partijen, geleid door onafhankelijke derde die communicatie vergemakkelijkt en poogt partijen tot oplossing te brengen (art. 1724-1729 Ger.W.). Ook in familiezaken.

  • Vrijwillige bemiddeling (art. 1730-1733 Ger.W.) en gerechtelijke bemiddeling (art. 1734-1737 Ger.W.).

  • Bemiddelingsakkoord: kan ter homologatie voorgelegd aan rechter. Weigering enkel bij strijd met openbare orde of (in familiezaken) strijd met belangen minderjarige kinderen. Na homologatie: uitvoerbare kracht.


16. STRAFRECHT EN STRAFPROCESRECHT

16.1. STRAFRECHT

16.1.1. DE STRAFFEN
  • Straf: leed opgelegd door maatschappij wegens schending strafwet, treft vermogen, vrijheid, goederen, rechten of anderszins.

  • Functies: vergelding, algemene/bijzondere preventie, resocialisering, sociaal verweer.

  • Huidig Strafwetboek:

    • Hoofdstraffen: vrijheidsberoving (hechtenis, opsluiting), werkstraf, geldboete. Alternatieve straffen: elektronisch toezicht, werkstraf, autonome probatiestraf.

    • Bijkomende straffen: bijzondere verbeurdverklaring, ontzetting burgerlijke/politieke rechten, geldboete, publicatie vonnis, beroepsverbod, terbeschikkingstelling, afzetting titels.

  • Nieuw Strafwetboek (inwerkingtreding 9 april 2026):

    • Strafdoelen (art. 27 Sw.): maatschappelijke afkeuring uiten, herstel maatschappelijk evenwicht en schade bevorderen, maatschappelijke rehabilitatie en re-integratie bevorderen, maatschappij beschermen.

    • Evenredigheid: rechter moet rechtvaardige proportionaliteit zoeken; ongewenste neveneffecten overwegen.

    • Gevangenisstraf: laatst te overwegen straf.

    • Strafniveaus (1-8): indeling misdrijven naar ernst. Art. 36-37 Sw.: hoofd- en bijstraffen per niveau. Art. 38-40 Sw.: straffen voor rechtspersonen per niveau.

16.1.2. BEGINSELEN
A. Het legaliteitsbeginsel
  • Nullum crimen, nulla poena sine lege: alleen in wet omschreven gedragingen strafbaar. Strafrecht is wettenrecht.

  • Bronnen: formele wet, decreten, ordonnanties, krachtens formele wet uitgevaardigde reglementaire besluiten, algemene door beschaafde volkeren erkende rechtsbeginselen. Gewoonte kan geen bron zijn.

  • Gevolgen:

    • Restrictieve interpretatie (geen analogische toepassing in malam partem; wel in bonam partem).

    • Geen terugwerkende kracht zwaardere strafwet; wel lichtere (art. 7 EVRM; art. 2 Sw.).

    • Gebondenheid strafrechter aan strafwet (mag niet beslissen wet niet toe te passen wegens onevenredigheid).

B. Toepassing in de ruimte
  • Territorialiteitsbeginsel (art. 3 Sw.): Belgische strafwet van toepassing op al wie op Belgisch grondgebied misdrijf pleegt, ongeacht nationaliteit, ongeacht eerdere definitieve uitspraak in buitenland.

  • Art. 4 Sw.: misdrijf buiten grondgebied door Belgen of vreemdelingen gestraft in gevallen bij wet bepaald.

C. Het schuldbeginsel
  • Nullum crimen sine culpa: elk misdrijf heeft materieel element (strafbaar gestelde feiten) en moreel/intentioneel element (schuld: opzet of onachtzaamheid). Graad van schuld bepaalt zwaarte straf.

  • Opzet: algemeen opzet, bijzonder opzet (oogmerk om te doden, animus iniurandi, nastreven onrechtmatig voordeel).

  • Onachtzaamheid: nalatigheid.

  • Toerekening: dader moet toerekenningsvatbaar zijn.

  • Sociaal verweer: krankzinnige niet strafbaar; beveiligingsmaatregelen (internering) mogelijk.

  • Minderjarigen: strafrechtelijke meerderjarigheid op 18 jaar. Jeugdrechter beveelt pedagogische maatregelen. Uit handen geven mogelijk (bv. bij 16+ voor verkeersmisdrijven of wanneer maatregelen niet geschikt).

  • Rechtspersonen (art. 5 Sw.; art. 18 nieuw Sw.): strafrechtelijk verantwoordelijk voor misdrijven met intrinsiek verband met doel/belangen of voor hun rekening gepleegd. Straffen: geldboete, bijzondere verbeurdverklaring, ontbinding, verbod werkzaamheid, sluiting, bekendmaking (art. 7bis Sw.; art. 38-39 nieuw Sw.).

16.2. STRAFPROCESRECHT

16.2.1. WAARBORGEN
  • Strafvordering: vordering om strafwet toe te passen. Opgelegd door strafrechter (art. 12, 144 Gw.). Onderworpen aan art. 6 EVRM.

  • Andere sancties:

    • Tuchtsancties: opgelegd door tuchtrechtelijke overheden (orden van artsen, advocaten, architecten, apothekers). Sancties: blaam, waarschuwing, bekeuring, boete, schorsing, ontzetting.

    • Administratieve sancties: opgelegd door administratieve overheden. Gevarieerd: administratieve geldboeten, sluiting gelegenheid, verlies recht op uitkeringen, intrekking zendvergunning, verhoging bijdragen. Komen niet op strafregister.

    • Fiscale sancties: opgelegd door fiscale administratie: fiscale boete, verdubbeling/verdriedubbeling belasting. Kunnen naast strafsancties.

  • Toepassingsbereik art. 6 EVRM: tuchtsancties, administratieve, fiscale sancties kunnen straffen zijn in zin van art. 6 EVRM (autonome criteria: aard overtreding, ernst sanctie).

  • Rechterlijke instantie met volle rechtsmacht: sanctie met strafrechtelijk karakter moet in beroep kunnen worden onderworpen aan rechterlijke instantie met volle rechtsmacht (wettigheid, feitelijke en rechtskwesties, proportionaliteit).

16.2.2. DE STRAFVORDERING
A. Het openbaar ministerie
  • Uitoefening: openbaar ministerie/parket stelt strafvordering in in naam en belang van gemeenschap. Uitzonderlijk: administratieve overheden (bv. FOD Financiën voor douane- en accijnsmisdrijven).

  • Opportuniteitsbeginsel: geen vervolgingsplicht. Openbaar ministerie mag oordelen vervolging niet opportuun; kan seponeren. Beslissing moet gemotiveerd (art. 28quater Sv.).

  • Minnelijke schikking (art. 216ter Sv.): openbaar ministerie kan bij misdrijf met hoofdstraf ≤ 2 jaar gevangenisstraf voorstellen:

    1. Geneeskundige behandeling/therapie volgen.

    2. Dienstverlening uitvoeren (max. 120 uur, kosteloos, vrije tijd, bij openbare diensten of verenigingen zonder winstoogmerk, niet door bezoldigde werknemers).

    3. Opleiding volgen (max. 120 uur). Door betaling voorgestelde geldboete vervalt strafvordering.

B. Het slachtoffer
  • Geen strafvordering: slachtoffer kan strafvordering niet uitoefenen (monopolie OM).

  • Actiemogelijkheden:

    • Klacht bij politie of parket. OM niet verplicht te vervolgen; beslissing motiveren en slachtoffer informeren.

    • Burgerlijke partijstelling voor onderzoeksrechter: slachtoffer doet klacht en stelt zich burgerlijke partij. Verplicht onderzoeksrechter tot onderzoek. Onderzoeksgerecht (raadkamer, kamer van inbeschuldigingstelling) beslist over verwijzing.

    • Rechtstreekse dagvaarding: voor politierechtbank of correctionele rechtbank (niet voor assisenhof). OM neemt stelling; vordering rechtstreeks dagende partij beperkt tot burgerlijke vordering.

  • Vergoeding schade: slachtoffer kan burgerlijke vordering instellen voor burgerlijke rechter of strafrechter (na burgerlijke partijstelling, rechtstreekse dagvaarding, of burgerlijke partijstelling op zitting). Le criminel tient le civil en état: burgerlijke vordering geschorst tot strafrechter uitspraak heeft gedaan om tegenstrijdigheid te vermijden.


Samenvattend Overzicht: Kernpunten

  1. Belgische nationaliteit: Verkregen via geboorte/adoptie, nationaliteitsverklaring of naturalisatie. Verlies mogelijk via afstand, bepaalde gevallen bij minderjarigen, gebrek aan behoudsverklaring na 28 jaar, of vervallenverklaring door rechter.

  2. Rechten van niet-Belgen: Art. 191 Gw. waarborgt bescherming van personen en goederen, behoudens uitzonderingen. Nationaliteit is een verdacht criterium; onderscheid moet objectief en redelijk verantwoord worden.

  3. Verblijfsrecht: Gedeelde bevoegdheid EU (asiel- en migratiebeleid, vrij verkeer) en federaal/gewesten. Verblijfstatuten: kort verblijf (<90 dagen), lang verblijf (>90 dagen), vestiging (na 5 jaar). Asiel en internationale bescherming voor vluchtelingen en subsidiair beschermden.

  4. Fundamentele rechten: Verticaal (overheid-burger) en horizontaal (burger-burger via antidiscriminatiewet). Absolute rechten (verbod foltering) en niet-absolute rechten (beperkingen mits evenredig).

  5. Vrijheidsrechten: Fysiek (vrijheid van persoon, verplaatsing), geestelijk (mening, geloof, pers, onderwijs), sociaal (vergadering, vereniging), economisch (ondernemen, vrij verkeer).

  6. Sociale rechten (art. 23 Gw.): Instructienormen (behalve kosteloos onderwijs tot einde leerplicht). Standstill-verplichting: beschermingsniveau mag niet aanzienlijk verminderd worden zonder redenen van algemeen belang.

  7. Behoorlijke rechtsbedeling: Verbod eigenrichting (uitzondering: exceptio non adimpleti contractus), onpartijdigheid (persoonlijk en functioneel), openbaarheid (extern en intern), onafhankelijkheid (functioneel en institutioneel: objectieve benoeming, benoeming voor het leven), wapengelijkheid, kosteloosheid, geen rechtsweigering, redelijke termijn, motiveringsplicht.

  8. Administratief recht: Openbare dienst (centralisatie, deconcentratie, decentralisatie). Bestuursmiddelen: personeel, goederen, handelingen. Bestuursbeginselen: legaliteit, rechtszekerheid (vertrouwensbeginsel, verbod intrekking), behoorlijk bestuur (motivering, zorgvuldigheid, onpartijdigheid, redelijkheid), wetten van openbare dienst (wijziging, continuïteit, benuttigingsgelijkheid).

  9. Procesrecht: Accusatoir (burgerlijk: partijautonomie) vs. inquisitoir (straf: actieve waarheidsvinding). Gezag van gewijsde: burgerlijk relatief, strafrechtelijk erga omnes (uitzondering derden).

  10. Rechtsmiddelen: Gewoon (hoger beroep, verzet) en buitengewoon (cassatie, herroeping). Dubbele aanleg niet algemeen gewaarborgd; in strafzaken via IVBPR en 7de protocol EVRM (met voorbehouden/uitzonderingen).

  11. Aansprakelijkheid foutieve rechtspraak (ANCA): Staat kan aansprakelijk gesteld worden voor fout van rechter/magistraat. Fout = handelen in strijd met normaal zorgvuldige en omzichtige magistraat of schending rechtsregel (tenzij controverse).

  12. Strafrecht: Legaliteitsbeginsel (nullum crimen sine lege), territorialiteitsbeginsel, schuldbeginsel (materieel en moreel element). Nieuw Strafwetboek: strafdoelen, evenredigheid, gevangenisstraf als ultimum remedium, strafniveaus 1-8.

  13. Strafprocesrecht: Opportuniteitsbeginsel OM. Slachtoffer kan klacht indienen, burgerlijke partij stellen, rechtstreeks dagvaarden. Le criminel tient le civil en état.