GS toetsweek 3.1

  • Van stad naar dorp naar polis

    12e eeuw v. Chr.

    • Steden op een hoge heuvel om goed te kunnen verdedigen.

    • Maar door plunderingen trok de stadsbevolking weg.

    • Stad —> Landbouw dorpjes.

    9e eeuw v. Chr.

    • Door specialisatie veranderde de dorpjes weer in steden.

      - Specialisatie = Mensen oefenen hun ambacht uit of werden handelaar.

    • De steden werden te groot, dus veroverden ze de steden erbuiten. Dit werden stadstaten (Poleis).

    • Elke polis had zijn eigen regels en bestuur.

    • “Politiek” is afgeleid van “Polis”.

    • Griekenland was niet 1 stadstaat omdat het gebied moeilijk was te veroveren.


  • Bestuur van de polis

    tot 8e eeuw v. Chr.

    • De Griekse stadstaten waren een monarchie.

    • De hoplieten: Een kleine groep zwaar gewapende Griekse soldaten.

      - Adviseren de koning

      - Vechten met hem mee

      - De aristoi = “De besten” (Elite)

    • Als de koning zijn steun verloor kwam er een aristocratie. De aristoi namen dan zijn taak over.

    • Aan het einde van de 8e eeuw was er in Griekenland nauwelijks een monarchie te vinden. Sparta was een van de uitzonderingen.


  • Ongelijkheid en onvrede.

    • In Griekenland waren de sociale verschillen groot. De machtige bestuurders en de aristocraten waren blij en tevreden. Maar boeren en slaven leden soms gewoon honger.

    • Een aristocraat kan die onvrede gebruiken. Hij belooft ze bijvoorbeeld een stuk land. Hij huurde huursoldaten, omdat hij natuurlijk rijk was. Zo had hij veel steun van het volk. Dit heet een Tirannie.

    • Als een tiran zijn beloftes nakwam, verbeterde het leven van veel mensen in de polis.

    • Hij beëindigden oorlogen of hij stimuleerde handel. Maar niet iedereen ws blij met een Tiran. Hij onderdrukte en verdreef hen, zo verloor hij dan weer steun van het volk.


  • Handel en nederzettingen overzee

    • Omdat ze in Griekenland (in hun poleis) geen genoeg voedsel meer hadden. Stuurden de bestuurders rond 750 v. Chr. mensen weg.

    • Die mensen moesten overzee nederzetting stichten, en daar landbouwgrond in gebruik nemen . Dat heet een Kolonie.

    • In Noord-Afrika was weinig ruimte, maar de Egyptenaren gaven wel een stuk voor de Griekse kolonie. Langs de Zwarte Zee kwam er veel graan naar de stadstaten.

    • In Athene was het luxe, er werd veel kunst gemaakt.

    • Griekse koloniën hadden veel overeenkomsten met een Grieks Poleis.

    • Na 550 v. Chr. werden er geen nieuwe koloniën meer gemaakt. Er kwam genoeg voedsel in Griekenland.


  • Een Griekse wereld?

    • Door het stichtte van koloniën kwamen de Grieken in contact met andere volken. Meestal was de relatie goed. Ze wisselden onderling ideeën uit enz.

    • De Grieken namen bijvoorbeeld gebruik van Lydiërs. Zij gebruikten muntgeld. Ze woonden samen in steden. In Lydische steden kwamen ook Griekse tempels.

    • De Feniciërs uit huidige Libanon hadden ook veel contact met de Grieken. Zij waren goede zeevaarders. De Grieken namen bijvoorbeeld hun alfabet over.

    • De contacten waren niet altijd positief. In de 5e eeuw v. Chr. vocht de Griekse kolonie Himera op Sicilië bijvoorbeeld 2 oorlogen uit tegen Carthagers. (Ook tussen de Grieken en Lydiërs werd soms oorlg gevoerd).