Samenvatting Juridische Termen
Dwingend recht: Wettelijke bepalingen die niet kunnen worden afgeweken door partijen; beschermen vaak zwakkere partijen (huurders, werknemers, consumenten).
Privaatrecht: Regelt verhoudingen tussen burgers onderling.
Publiekrecht: Regelt verhoudingen tussen overheid en burgers (bijv. staatsrecht, administratief recht).
Huwelijksvermogenrecht: Bevat regels omtrent vermogensrechtelijke gevolgen van huwelijk.
Huwelijksvermogenstelsel: Bepaalt het beheer van geld, bezittingen en schulden van echtgenoten.
Wettelijk stelsel: Bestaat uit 3 vermogens: elk partners eigen vermogen en gemeenschappelijke vermogen.
Vereffening en verdeling: Proces van het toewijzen van goederen aan de echtgenoten.
Huwelijkscontract: Contract dat afwijkt van wettelijk stelsel (vb. uitbreiding gemeenschappelijk vermogen).
Goederen:
Lichamelijke: Zintuiglijk waarneembaar.
Onlichamelijke: Niet zichtbaar.
Roerende: Verplaatsbaar.
Onroerende: Niet verplaatsbaar.
Publieke goederen: Voor algemeen belang, toebehorend aan overheden.
Eigendomsrecht: Recht op gebruik, genot en beschikking over een goed.
Bezit: Feitelijk beschikken over een goed; eigendomsrecht niet noodzakelijk.
Hoofdelijkheid: Schulden bij meerdere partijen; ieder kan afzonderlijk aangesproken worden.
Ingebrekestelling: Schriftelijke aanmaning aan een wanbetaler om verplichtingen na te komen.
Curator: Aangesteld bij faillissement; behartigt belangen van schuldeisers.
Collectieve arbeidsovereenkomst (CAO): Akkoord tussen werknemers- en werkgeversorganisaties.
Schijnzelfstandige: Werknemers met een zelfstandigenstatus onder gezag van een werkgever.
Overmacht: Onvoorzienbare gebeurtenis die uitvoering van verbintenis onmogelijk maakt.
Kwijtschelding: Vrijwillig afstand doen van het recht om betaling van een schuld te eisen.