german words
heiẞen = heten
kommen = komen
liegen = liggen
sein = zijn
sich verabschieden = afscheid nemen
sich vorstellen = zich voortellen
wohnen = wonen
alt = oud
in der Nähe = in de buurt
männlich = mannelijk
weit = ver
auf Wiedersehen = tot ziens
bis morgen = tot morgen
gute Nacht = slaapwel
guten Abend = goedenavond
guten Morgen = goedemorgen
guten Tag = goeiedag
tschüss = tot ziens
wer = wie
wie = hoe
wo = waar
woher = waar…vandaan