Adolescent

Casus Ontdek Op een Rij Oefen

Casus 1: Op de Zetel bij Piaget

  • Jean Piaget introduceert het formeel-operationele stadium, het laatste in de denkontwikkeling.
  • Cognitieve ontwikkelingsstadia volgens Piaget:
    • Sensomotorisch stadium (geboorte tot 2 jaar).
    • Preoperationeel stadium (2 tot 7 jaar).
    • Concreet-operationeel stadium (7 tot 12 jaar).
    • Formeel-operationeel stadium (> 12 jaar).
  • In dit stadium verruimen jongeren hun cognitieve vaardigheden en verandert hun denken grondig, zowel qua inhoud als denkproces.
  • Jongeren hebben niet langer concrete situaties nodig om problemen op te lossen; ze kunnen wetenschappelijk nadenken.
  • Ze begrijpen en gebruiken wiskunde en wetenschappelijke taal.
  • Jongeren kunnen abstract denken.
  • Jongeren kunnen een bepaalde gedachte voor 'waar' aannemen, zelfs als deze niet waar is, en ze kunnen deductief denken.

Hoe Denken Jongeren?

  • Jongeren bevinden zich in de formeel-operationele fase volgens Piaget.
  • Hun denkwijze verandert zowel van inhoud als van denkproces.
  • Stadia van cognitieve ontwikkeling:
    • Sensomotorisch stadium (0-2 jaar).
    • Preoperationeel stadium (2-7 jaar).
    • Concreet-operationeel stadium (7-12 jaar).
    • Formeel-operationeel stadium (12+ jaar).
  • Nieuwe denkvermogens van jongeren:
    • Abstract denken: niet langer concrete situaties nodig, wetenschappelijk denken, abstracte begrippen en symbolen begrijpen en gebruiken.
    • Logisch redeneren: oorzaak en gevolg onderscheiden, logische besluiten trekken (Als … waar is, dan moet ook … waar zijn).
    • Hypothetisch denken: uitgaan van een veronderstelling zonder visuele voorstelling, realiteit anders voorstellen, gevolgen van gedrag inschatten voor het plaatsvindt.
    • Hypothetisch-deductief denken: op basis van hypothesen een onderzoek starten om een probleem te ontleden, op te lossen en een antwoord af te leiden.
    • Experimenteel denken: experimenten bedenken en uitvoeren.
    • Combinatorisch denken: verschillende soorten denken combineren tot een geheel.
    • Metacognitief denken: eigen denken, handelen en leren sturen, reflecteren en gedrag bijsturen.

Op de Zetel bij Kohlberg

  • Lawrence Kohlberg onderzocht de morele ontwikkeling met behulp van het Heinz-dilemma.

Heinz-dilemma

  • Mevrouw Heinz heeft een zeldzame vorm van kanker en een duur medicijn kan haar redden.
  • Apotheker vraagt 40.00040.000 euro, terwijl hij er zelf 4.0004.000 voor betaalde.
  • Meneer Heinz krijgt slechts 20.00020.000 euro bij elkaar en de apotheker weigert het medicijn goedkoper te verkopen.
  • Meneer Heinz overweegt het medicijn te stelen.
  • Kohlberg maakte een indeling op basis van antwoorden op dit verhaal:
    • Preconventioneel stadium.
      • Meneer Heinz steelt het medicijn niet uit angst voor straf van autoriteiten.
      • Meneer Heinz steelt het medicijn omdat het hem voldoening geeft zijn vrouw te redden.
    • Conventioneel stadium.
      • Meneer Heinz steelt het medicijn omdat zijn vrouw het verwacht; hij is loyaal en wil aardig gevonden worden.
      • Meneer Heinz steelt het medicijn niet omdat het rechtssysteem het verbiedt en anders chaos ontstaat.
    • Postconventioneel stadium.
      • Meneer Heinz steelt het medicijn, hoewel hij weet dat stelen niet mag, omdat iedereen recht heeft op leven en veel mensen ongelukkig zouden zijn als zijn vrouw sterft.
      • Meneer Heinz steelt het medicijn omdat een leven redden belangrijker is dan eigendomsrecht.

Wat is de Morele Ontwikkeling van Jongeren?

  • Morele ontwikkeling is het vermogen om onderscheid te maken tussen goed en kwaad, of wat correct en wenselijk is.
  • Het vermogen om te denken en redeneren neemt toe, waardoor jongeren over morele situaties kunnen nadenken.
  • Jongeren houden rekening met de intentie van een bepaald gedrag.
  • Jongeren zien in dat niet alles zwart-wit is en begrijpen dat het niet altijd 'fout' is om een regel te overtreden als dit een hoger doel dient.
  • Dat denkproces is in ontwikkeling en niet altijd consistent.
  • Jongeren leren argumenteren om hun standpunt kracht bij te zetten.
  • Jongeren stellen bestaande regels in vraag en gaan uit van hun eigen waarden en normen.
  • Jongeren zijn in staat tot schuldbesef en spijt.
  • Jongeren ontwikkelen steeds meer empathie, het vermogen om zich in te leven in de emoties en gedachtegang van anderen.
  • Abstract denken stelt jongeren in staat hun eigen waardesysteem te ontwikkelen, wat gedragsverandering veroorzaakt.
  • Jongeren stellen zich kritischer op tegenover gedragsregels en onderbouwen hun redeneringen met bronnen.
  • Discussies komen vaker voor, vooral met opvoeders.
  • Leeftijdsgenoten (peer group) worden belangrijker en jongeren komen in aanraking met andere opvattingen, waarden en normen dan die van hun opvoeders.
  • Kohlberg bestudeerde morele ontwikkeling op basis van het Heinz-dilemma en ontdekte patronen, en spreekt over drie stadia.
  • De stadia zijn universeel en worden in een vaste volgorde doorlopen.

Kohlbergs stadia

  • Preconventioneel stadium (kinderen < 7 jaar): angst voor straf en streven naar eigen voordeel domineren. Handelen volgens regels om straf te vermijden of beloning te krijgen. 'Voor wat hoort wat'-principe.
  • Conventionele stadium (kinderen 7-12/14 jaar): mening van de sociale groep is bepalend. Willen graag aardig gevonden worden en stellen gedrag dat overeenkomt met de wensen van anderen. Naleving van normen en regels in de maatschappij.
  • Postconventionele stadium (jongeren/volwassenen > 14 jaar): stellen bestaande regels in vraag. Snappen dat regels afhankelijk kunnen zijn van de situatie en dat het niet 'fout' is om een regel te overtreden als dat een hoger doel dient. Vereist veel denkvermogen.
    *