Spaans Les 2: Grammatica, Werkwoorden en Woordenschat
Mannelijk en vrouwelijk in het Spaans
Elk zelfstandig naamwoord in het Spaans is ofwel mannelijk, ofwel vrouwelijk. Voorbeelden van zelfstandige naamwoorden zijn: man, vrouw, huis, boek, tafel, ziekenhuis.
Bij mannelijke woorden worden de volgende lidwoorden gebruikt:
el = de/het (bepaald lidwoord)
un = een (onbepaald lidwoord)
Bij vrouwelijke woorden worden de volgende lidwoorden gebruikt:
la = de/het (bepaald lidwoord)
una = een (onbepaald lidwoord)
Concrete voorbeelden van lidwoorden met woorden:
el hombre = de man
la mujer = de vrouw
un chico = een jongen
una chica = een meisje
el libro = het boek
la mesa = de tafel
el vino = de wijn
la casa = het huis
Het is essentieel om het lidwoord direct bij het woord te leren (bijv. leer 'la casa' in plaats van alleen 'casa').
Kenmerken voor herkenning:
Mannelijke woorden eindigen vaak op -o (bijv. el libro, el chico, el vino).
Vrouwelijke woorden eindigen vaak op -a (bijv. la mesa, la chica, la casa).
Uitzonderingen op de regel (woorden die anders eindigen dan hun geslacht suggereert):
la radio (vrouwelijk, eindigt op -o)
el problema (mannelijk, eindigt op -a)
el pianista (mannelijk, eindigt op -a)
Enkelvoud en meervoud
Enkelvoud: Verwijst naar één persoon of ding.
Meervoud: Verwijst naar meerdere personen of dingen.
Vervoeging van lidwoorden in het meervoud:
Mannelijk:
Enkelvoud: el (de/het) -> Meervoud: los (de)
Enkelvoud: un (een) -> Meervoud: unos (een paar)
Vrouwelijk:
Enkelvoud: la (de/het) -> Meervoud: las (de)
Enkelvoud: una (een) -> Meervoud: unas (een paar)
Voorbeelden van meervoudsvorming met lidwoorden:
el chico (de jongen) -> los chicos (de jongens)
un chico (een jongen) -> unos chicos (een paar jongens)
la chica (het meisje) -> las chicas (de meisjes)
una chica (een meisje) -> unas chicas (een paar meisjes)
Regels voor meervoudsvorming van woorden
Wanneer een woord eindigt op een klinker (a, e, i, o, u), wordt er meestal een -s toegevoegd.
libro -> libros
mesa -> mesas
chico -> chicos
chica -> chicas
Wanneer een woord eindigt op een medeklinker, wordt er meestal -es toegevoegd.
hospital -> hospitales
mujer -> mujeres
ordenador -> ordenadores
Het lidwoord verandert gelijktijdig met het zelfstandig naamwoord:
el libro -> los libros
la mesa -> las mesas
el hospital -> los hospitales
la mujer -> las mujeres
Gendergebruik bij groepen
Het Spaans hanteert specifieke uitgangen afhankelijk van de samenstelling van een groep:
-os: Wordt gebruikt voor een groep mannen of een gemengde groep (mannen en vrouwen).
-as: Wordt uitsluitend gebruikt voor een groep die alleen uit vrouwen bestaat.
Voorbeelden bij persoonlijke voornaamwoorden:
nosotros = wij (mannen of gemengd)
nosotras = wij (alleen vrouwen)
vosotros = jullie (mannen of gemengd)
vosotras = jullie (alleen vrouwen)
Voorbeeldzinnen:
Een groep vrouwen zegt: "Nosotras somos españolas." (Wij zijn Spaans.)
Een gemengde groep zegt: "Nosotros somos españoles." (Wij zijn Spaans.)
Zodra er één man in een groep aanwezig is, verschuift de vorm naar mannelijk.
Belangrijke Spaanse vraagwoorden
Spaanse vragen kenmerken zich door een omgekeerd vraagteken (¿) aan het begin en een regulier vraagteken (?) aan het eind (bijv. ¿Dónde está María?).
Vraagwoorden krijgen in een vraag meestal een accent.
Lijst van vraagwoorden:
qué = wat (Voorbeeld: ¿Qué es esto? - Wat is dit?)
cómo = hoe (Voorbeeld: ¿Cómo se llama esto? - Hoe heet dit?)
dónde = waar (Voorbeeld: ¿Dónde está el hotel? - Waar is het hotel?)
quién = wie (Voorbeeld: ¿Quién es usted? - Wie bent u?)
cuál = welke (Voorbeeld: ¿Cuál prefieres? - Welke wil je liever?)
cuánto = hoeveel (Voorbeeld: ¿Cuánto cuesta? - Hoeveel kost het?)
cuándo = wanneer (Voorbeeld: ¿Cuándo llega el tren? - Wanneer komt de trein aan?)
por qué = waarom (Voorbeeld: ¿Por qué vas a España? - Waarom ga je naar Spanje?)
Het verschil tussen Ser en Estar
Het Spaans kent twee werkwoorden voor "zijn": ser en estar.
Algemene regel:
ser = wat iemand of iets IS (essentie/identiteit).
estar = hoe of waar iemand of iets IS (toestand/locatie).
Het gebruik van Ser
Wordt gebruikt voor identiteit, beroep, afkomst en permanente eigenschappen.
Beantwoordt vragen als: Wie ben je? Wat ben je? Wat voor object/persoon is het?
Specifieke contexten voor ser:
Naam: Soy Quilène.
Beroep: Ella es médica.
Geloof: Pablo es católico.
Nationaliteit: Somos españoles. / Ella es española.
Eigenschappen/Karakter: La casa es grande. / Él es simpático. / El libro es importante.
Kleur/Uiterlijk: La casa es blanca.
Het gebruik van Estar
Wordt gebruikt voor gevoelens, tijdelijke toestanden of fysieke locaties.
Beantwoordt vragen als: Hoe voel je je? Waar ben je? In welke toestand ben je?
Specifieke contexten voor estar:
Gevoelens/Humeur: Estoy cansada. / Estamos bien.
Tijdelijke toestand: Ella está enferma.
Plaats/Locatie: El hotel está en Madrid. / Las flores están en la mesa. / Vosotros estáis en Portugal.
Vergelijking van betekenis
Ella es nerviosa = Zij is een nerveus persoon (karaktertrek).
Ella está nerviosa = Zij is nu zenuwachtig (tijdelijke toestand).
Él es aburrido = Hij is saai (eigenschap).
Él está aburrido = Hij verveelt zich (toestand).
El hotel es grande (eigenschap) vs. El hotel está en Madrid (locatie).
Onderscheid tussen Es, Está en Esta
Es: Vorm van ser. Betekent: hij is / zij is / het is (identiteit). Voorbeeld: Él es médico.
Está: Vorm van estar (met accent). Betekent: hij is / zij is / het is (toestand/plaats). Voorbeeld: Ella está cansada.
Esta: Zonder accent. Betekent: deze / dit (aanwijzend voornaamwoord). Voorbeeld: esta mujer (deze vrouw), esta casa (dit huis).
Analyse van de zin: "Esta es la casa." (Dit is het huis.)
esta = dit/deze
es = is
la casa = het huis
Ander voorbeeld bij está: La comida está fría. (Het eten is koud.)
Persoonlijke voornaamwoorden
yo = ik
tú = jij
él = hij
ella = zij
usted = u
nosotros = wij (mannelijk/gemengd)
nosotras = wij (alleen vrouwen)
vosotros = jullie (mannelijk/gemengd - vooral in Spanje)
vosotras = jullie (alleen vrouwen - vooral in Spanje)
ellos = zij (mannelijk/gemengd)
ellas = zij (alleen vrouwen)
ustedes = jullie of u allen (gebruikt in Latijns-Amerika voor 'jullie')
Weglaten van voornaamwoorden
In het Spaans worden yo, tú, ella, etc. vaak weggelaten omdat de uitgang van het werkwoord al aangeeft wie het onderwerp is.
soy = ik ben (identificeert 'ik')
eres = jij bent
es = hij/zij/u is
somos = wij zijn
son = zij/u allen zijn
Men zegt vaak "Soy profesora" in plaats van "Yo soy profesora".
Yo wordt wel gebruikt voor extra nadruk: "Yo soy profesora, pero él es médico." (IK ben lerares, maar HIJ is arts.)
Analyse Voorbeeldzin
Zin: "Mis padres trabajan en el mismo hospital: él es médico, pero ella es la directora." Betekenis: Mijn ouders werken in hetzelfde ziekenhuis: hij is arts, maar zij is de directeur.
mis = mijn (meervoud)
padres = ouders
trabajan = zij werken
en = in
el hospital = het ziekenhuis
mismo = hetzelfde
él = hij
es = is
médico = arts
pero = maar
ella = zij
la directora = de directeur/directrice
Nota bene: De voornaamwoorden él en ella zijn hier noodzakelijk om het onderscheid in rollen tussen de ouders te verduidelijken.
Vervoeging van regelmatige werkwoorden
Spaanse werkwoorden worden ingedeeld in drie categorieën op basis van hun uitgang in de onbepaalde wijs:
-ar (bijv. hablar, trabajar, cantar, lavar)
-er (bijv. comer, beber, vender)
-ir (bijv. vivir, partir, salir, ir)
Het vervoegen gebeurt door de uitgang (-ar, -er, -ir) te verwijderen en een nieuwe uitgang aan de stam toe te voegen.
Uitgangen per categorie:
Groep -ar (Stam: habl- voor praten):
yo: -o (hablo)
tú: -as (hablas)
él/ella: -a (habla)
nosotros: -amos (hablamos)
vosotros: -áis (habláis)
ellos: -an (hablan)
Groep -er (Stam: com- voor eten):
yo: -o (como)
tú: -es (comes)
él/ella: -e (come)
nosotros: -emos (comemos)
vosotros: -éis (coméis)
ellos: -en (comen)
Groep -ir (Stam: viv- voor wonen/leven):
yo: -o (vivo)
tú: -es (vives)
él/ella: -e (vive)
nosotros: -imos (vivimos)
vosotros: -ís (vivís)
ellos: -en (viven)
Onregelmatige werkwoorden
Sommige werkwoorden volgen geen vast patroon en moeten apart worden geleerd.
Ser (zijn)
yo soy
tú eres
él/ella es
nosotros somos
vosotros sois
ellos son
Estar (zijn)
yo estoy
tú estás
él/ella está
nosotros estamos
vosotros estáis
ellos están
Ir (gaan)
yo voy
tú vas
él/ella va
nosotros vamos
vosotros vais
ellos van
Voorbeelden met Ir:
Voy a España. (Ik ga naar Spanje.)
Vas al hospital. (Jij gaat naar het ziekenhuis.)
Vamos a casa. (Wij gaan naar huis.)
Ellos van a Madrid. (Zij gaan naar Madrid.)
Constructies met Ir
Ir + a + plaats: Om te zeggen dat men ergens naartoe gaat.
Samenvoeging: a + el = al. Het is fout om 'a el hospital' te zeggen; men gebruikt al hospital.
voy a Madrid
vamos a España
Ir + a + werkwoord: Om aan te geven dat men iets gaat doen (toekomst).
Voy a comer. (Ik ga eten.)
Vamos a estudiar. (Wij gaan studeren.)
Ella va a trabajar. (Zij gaat werken.)
Ellos van a beber. (Zij gaan drinken.)
Belangrijke begroetingen
hola = hallo
buenos días = goedemorgen of goedendag
buenas tardes = goedemiddag
buenas noches = goedenavond of goedenacht
adiós = tot ziens
hasta luego = tot later
hasta pronto = tot snel
hasta otro día = tot een andere keer
hasta entonces = tot dan
chau = doei (voornamelijk in Latijns-Amerika)
Woordenlijst
el hombre = de man
la mujer = de vrouw
el chico = de jongen
la chica = het meisje
el padre = de vader
la moeder = de moeder
los padres = de ouders
el hijo = de zoon
la hija = de dochter
los hijos = de kinderen (zonen en dochters)
el niño = de jongen of het kind
la niña = het meisje
el vino = de wijn
la uva = de druif
el ordenador / la computadora = de computer
el hospital = het ziekenhuis
el médico = de arts (mannelijk)
la médica = de arts (vrouwelijk)
el director = de directeur
la directora = de directrice / vrouwelijke directeur
el vendedor = de verkoper
la vendedora = de verkoopster
la secretaria = de secretaresse
el libro = het boek
la mesa = de tafel
la casa = het huis
mismo = hetzelfde
pero = maar
en = in, op of bij
y = en
ir = gaan
ser = zijn
estar = zijn
hablar = praten
trabajar = werken
comer = eten
beber = drinken
vender = verkopen
vivir = wonen of leven
cantar = zingen
lavar = wassen
salir = uitgaan of weggaan
partir = vertrekken
Questions & Discussion
Vraag: Wat betekent el?
Antwoord: De of het bij een mannelijk woord.
Vraag: Wat betekent la?
Antwoord: De of het bij een vrouwelijk woord.
Vraag: Wat betekent los?
Antwoord: De bij meerdere mannelijke woorden of een gemengde groep.
Vraag: Wat betekent las?
Antwoord: De bij meerdere vrouwelijke woorden.
Vraag: Wanneer gebruik je ser?
Antwoord: Voor wat iemand of iets IS (naam, beroep, afkomst, eigenschap).
Vraag: Wanneer gebruik je estar?
Antwoord: Voor hoe of waar iemand of iets IS.
Vraag: Wat betekent ir?
Antwoord: Gaan.
Vraag: Vervoeg ir.
Antwoord: voy (ik ga), vas (jij gaat), va (hij/zij gaat), vamos (wij gaan), vais (jij gaat), van (zij gaan).
Vraag: Wat is het verschil tussen nosotros/vosotros en nosotras/vosotras?
Antwoord: De uitgang -os is voor mannen of gemengde groepen; -as is uitsluitend voor vrouwen.
Vraag: Wat is het verschil tussen está, esta en es?
Antwoord: Está = hij/zij/het is (toestand/plaats), esta = deze/dit, es = hij/zij/het is (identiteit).
Vraag: Hoe maak je libro en hospital meervoud?
Antwoord: Libros en hospitales.
Vraag: Wat betekenen hablar, comer en vivir?
Antwoord: Praten, eten en wonen/leven.
Vraag: Vertaal: ik praat, jij eet, wij wonen.
Antwoord: Hablo, comes, vivimos.