Bio 3.3. 170-172
3.3. De meiose
Belang van meiose: Het is noodzakelijk voor de aanmaak van haploïde voortplantingscellen (zaadcellen, eicellen).
vormen samen een diploïde zygote vorm bij bevruchting
meiose vind plaats in kiemcellen van de voortplantingsorganen
introduceert genetische variatie door:
Crossing-over (recombinatie): Het uitwisselen van stukjes DNA tussen homologe chromosomen.
Onafhankelijke segregatie: Het willekeurig scheiden van homologe chromosomen in verschillende combinaties.
Meiose verloopt in twee opeenvolgende delingen:
Meiose I (reductiedeling)
Meiose II (vergelijkbaar met mitose)
Meiose I (Reductiedeling)
Profase I:
Chromosomen spiraliseren en condenseren, worden zichtbaar onder de microscoop.
Elk chromosoom is opgebouwd uit twee zusterchromatiden, verbonden door het centromeer.
Centriolen bewegen naar tegengestelde polen, er wordt een microtubuli netwerk gevormd (spoelfiguur).
Homologe chromosomen paren zich en vormen tetraden (vier chromatiden).
Dit proces heet synapsis; Hierbij kan crossing-over (recombinatie) plaatsvinden: bij het chiasma wisselen niet-zusterchromatiden stukje DNA uit, wat nieuwe allelcombinaties creëert
Specifiek kenmerk: De chromosomen worden microscopisch zichtbaar+ crossing over
Diploïd of haploïd: diploïd

Metafase I:
Homologe chromosomenparen rangschikken zich in het evenaarsvlak, per twee, in tegenstelling tot mitose.
Microtubuli hechten zich aan de centromeren van de chromosomen, waarbij elke pool aan één homoloog chromosoom hecht.
diploïde

Anafase I:
Trekdraden verkorten en trekken volledige chromosomen (met twee chromatiden) naar tegengestelde polen.
Er is geen splitsing van centromeren, waardoor het aantal chromosomen halveert van 2n naar n (23 chromosomen, elk met twee chromatiden bij de mens).
cel gaat van diploïde naar haploïde

Telofase I:
Een kernmembraan kan rond de chromosomen verschijnen (n stuk per pool).
De cel snoert in twee, waardoor 2 haploïde dochtercellen ontstaan, elk met chromosomen die nog uit twee chromatiden bestaan.
Vaak is er een korte interkinese tussen meiose I en II (zonder DNA-replicatie)

Meiose II (Vergelijkbaar met mitose)
De twee haploïde dochtercellen uit meiose I ondergaan meiose II.
Profase II:
De chromosomen worden microscopisch zichtbaar als ze waren gedecondenseerd.
Het kernmembraan verdwijnt, en een nieuwe spoelfiguur vormt zich met microtubuli. en de centriolen bewegen naar de polen
Haploïd

Metafase II:
Alle 23 chromosomen (elk met twee zusterchromatiden) liggen op één rij, in het evenaarsvlak of equatorvlak van de cel.
elk chromatide is verbonden met microtubuli, zodat de spanning in evenwicht is
Haploïd

Anafase II:
Centromeren van elk chromosoom splitsen tegelijk, waardoor twee zusterchromatiden (nu aparte chromosomen) vrij komen.
Trekdraden (microtubuli) verkorten, trekken chromatiden naar tegengestelde polen.
Door crossing-over in meiose I is de set chromosomen na anafase II niet identiek.
Haploïd

Telofase II:
Nieuwe kernmembranen ontstaan rond de gescheiden chromosomen (n stuk per pool).
Cytoplasma snoert opnieuw in, resulterend in 4 haploïde (n) cellen.
Deze vier dochtercellen zijn genetisch verschillend door crossing-over en mixing
