In 1945 moest in Nederland veel oorlogsschade worden hersteld. Honderdduizenden Nederlanders waren dakloos of woonden in kapotte huizen. Honderden bruggen waren verwoest. Spoorrails waren verdwenen, haveninstallaties opgeblazen. Auto’s, treinen, bussen en fietsen waren afgevoerd naar Duitsland. Veel landbouwgrond was onder water gezet. Toch ging de wederopbouw snel. In 1950 had de landbouw alweer het vooroorlogse peil bereikt en de industrie produceerde alweer meer dan voor de oorlog. Er werden veel woningen gebouwd, maar de woningnood bleef hoog. Dat kwam ook door de babyboom die vanaf 1945 zorgde voor een snelle bevolkingsgroei. Veel jonge echtparen moesten bij hun ouders inwonen.

Na de wederopbouw volgde de modernisering van de Nederlandse economie. Deze groeide tot 1973 met gemiddeld vijf procent per jaar, een tempo dat daarna nooit meer is voorgekomen.

De industrie werd sterk uitgebreid. In Eindhoven begon Philips bijvoorbeeld met de productie van televisietoestellen en DAF met die van personenauto’s.

De Rotterdamse haven groeide enorm, mede door de olieraffinage en de chemische industrie.

Ook in de landbouw werd de productie opgevoerd. Kleine boerenbedrijven gingen op in grote bedrijven die hun landarbeiders vervingen door landbouwmachines. De werkgelegenheid in de landbouwsector nam sterk af, maar er ontstond geen werkloosheid doordat er meer dan genoeg werk was in de bouw en de industrie.

De snelle wederopbouw en modernisering waren onder meer veroorzaakt door de Marshallhulp en de samenwerking van werkgevers, vakbonden en regering. Zij maakten afspraken over het laag houden van lonen en prijzen. Door deze geleide loonpolitiek kon de industrie goedkoop werken en goed concurreren met het buitenland.

Werknemers werkten hard. Ze namen met weinig genoegen en waren gezagsgetrouw. Ze geloofden dat ijver en zuinigheid nodig waren om welvaart te bereiken. Door de economische groei kwam die welvaart er ook. In 1956 gingen de lonen voor het eerst flink omhoog.

In de jaren 1945-1958 vormden confessionelen en socialisten samen de regering. De grootste politieke partijen waren de katholieke KVP en de sociaaldemocratische PvdA, met beide ongeveer 30 procent van de stemmen. De PvdA’er Willem Drees was tot 1958 minister-president.

Onder zijn leiding begon de opbouw van de verzorgingsstaat: een staat waarin de overheid zorgt voor mensen die minder goed voor zichzelf kunnen zorgen. Dat gold in de eerste plaats voor de ouderen. Voor de oorlog waren veel ouderen afhankelijk van hun kinderen of leefden in bittere armoede. Drees regelde in 1947 dat ze vanaf hun 65ste een uitkering kregen. De AOW werd in 1956 in een wet vastgelegd. Velen waren ‘vadertje Drees’, zoals ze hem noemden, diep dankbaar. Ook regelde het kabinet Drees in 1949 in een wet dat werklozen een uitkering kregen, de WW.

In 1959 gingen de confessionele partijen regeren met de liberale VVD in plaats van de PvdA. Deze regering voerde met een wet in 1963 de bijstand in voor mensen die geen ander inkomen hadden. En in 1967 volgde de WAO, voor arbeidsongeschikten: mensen die door ziekte of invaliditeit niet meer konden werken.

De verzorgingsstaat ging dus uit van de solidariteit (saamhorigheidsgevoel) van alle Nederlanders, waarvan de mensen die werken meebetalen aan de ondersteuning van mensen die niet of niet meer kunnen werken.

In de jaren 1960 stegen de lonen snel en dit leidde tot welvaart en optimisme. Nederlanders hoefden niet meer zuinig te zijn en gingen steeds meer consumptieartikelen, zoals een televisietoestel of een auto.

Vanaf 1951 was er televisie in Nederland. Hierdoor keken steeds meer Nederlanders dagelijks naar buitenlandse series, discussieprogramma’s en nieuws uit de hele wereld. En met de auto kwamen ze in het buitenland. Daardoor maakten ze kennis met andere culturen en levensbeschouwingen van mensen buiten hun eigen zuil.

In 1967 verscheen voor het eerst naakt op de Nederlandse televisie. In het jongerenprogramma Hoepla las model Phil Bloom naakt voor uit de krant. Haar blote borsten kwamen daarbij kort in beeld. Hoepla wilde met deze actie bestaande normen en waarden doorbreken en de seksuele revolutie voortzetten. Dit leidde tot veel ophef.

Een gevolg was dat de opvattingen van mensen gingen veranderen en daardoor begon de verzuiling te verdwijnen. Bij deze ontzuiling maakten mensen zich bijvoorbeeld los van 'hun' omroep en werden lid van de TROS, een omroep die vanaf 1964 amusement bood voor alle Nederlanders.

Veel mensen gingen het geloof minder belangrijk vinden en daardoor maakten ze zich los van hun kerk. Deze ontwikkeling wordt ontkerkelijking genoemd. Een groeide groep mensen gingen niet meer in God geloven en daardoor groeide de aanhang van het humanisme, de niet-religieuze levensbeschouwing die uitgaat van de waarde van vrije mensen. Mensen gingen ook hun persoonlijke onafhankelijkheid belangrijker vinden. Door deze individualisering wilden ze eigen keuzes maken. Ze wilden zich niet meer aanpassen aan de normen en waarden van autoriteiten zoals de pastoor, de dominee, de paus of politieke leiders. Mensen gingen meer nadenken over hun eigen moraal (opvattingen over goed en kwaad).

In plaats van de autoriteiten te volgen, wilden mensen ook meepraten en meebeslissen. Medezeggenschap (inspraak) was een belangrijk punt van D66, een nieuwe niet-verzuilde partij, die in 1967 voor het eerst in de Tweede Kamer kwam. De confessionele partijen raakten toen voor het eerst in een halve eeuw hun meerderheid kwijt.

Vanaf de jaren 1960 veranderden ook de verhoudingen tussen mannen en vrouwen. Ze werden minder ongelijk. In de jaren 1950 behoorden vrouwen thuis voor hun man en kinderen te zorgen. Maar vanaf de jaren 1960 gingen meisjes studeren en getrouwde vrouwen bleven werken.

Mensen gingen ook anders om met seksualiteit. Tot in de jaren 1960 was er een strenge seksuele moraal. Het was normaal dat jongeren als maagd het huwelijk ingingen. Bloot in het openbaar was verboden en over seks werd alleen gefluisterd. Scheiden was een schande.

Dat veranderde allemaal door de seksuele revolutie. In 1962 kwam de anticonceptiepil op de markt. Deze voorkwam zwangerschap en daardoor gingen mensen vrijer om met seks. Praten over seks, seks voor het huwelijk en ongehuwd samenwonen werden normaal.

Bij alle sociaal-culturele veranderingen liepen jongeren voorop. Door geboortegolf waren er veel jongeren in de jaren 1960 en die gingen niet werken op hun dertiende, zoals veel van hun ouders. Ze volgden langer onderwijs en bleven daardoor langer onder elkaar.

Dankzij de welvaart gaven jongeren geld uit aan kleren en muziek, zoals die van The Beatles.

Ze kozen een uiterlijk dat ze zelf mooi vonden. Zo ontstond net als in andere westerse landen een jongerencultuur die afweek van de traditionele cultuur.

Jongeren wilden de ouderen en de autoriteiten minder gehoorzamen en kwamen vaker in verzet. Hun optimistische en opstandige houding werd in 1965 goed verwoord door de zanger Boudewijn de Groot in het lied Er komen andere tijden.

Al deze sociaal-culturele veranderingen vonden vanaf de jaren 1960 in alle westerse landen plaats en ze veranderden de westerse cultuur. Er ontstond een pluriforme (veelvormige) samenleving met allerlei soorten mensen die gewend raakten aan diversiteit.