Klinisch Onderzoek bij Huisdieren: De Ultieme Studiehandleiding voorbereiding voor de Stationsproef

Leerdoelen Stationsproef SLI en SLII

  • Het veilig en correct waarnemen van normale frequenties van het hart, de ademhaling en de pens bij modellen (SLI en SLII) en levende dieren (SLII) met behulp van een stethoscoop.

  • Het kennen en veilig waarnemen van de normaalwaarden van de lichaamstemperatuur met een thermometer.

  • Het kunnen onderscheiden van expiratie en inspiratie door observatie van de flanken en neusvleugels.

  • Het correcte gebruik van de stethoscoop voor de auscultatie van het hart- en longveld.

  • De palpatie van de a.facialisa. facialis en a.femoralisa. femoralis, met aandacht voor diersoortspecifieke locaties.

  • De palpatie van de lymfeknopen, rekening houdend met diersoortspecifieke kenmerken.

  • Auscultatie van borborygmen bij het paard.

  • Voor Kleine Huisdieren (KHD): Correct gebruik van de (digitale) stethoscoop en thermometer.

  • Voor Grote Huisdieren (GHD): Correct gebruik van de percussiehamer en plessimeter, de (digitale) stethoscoop en de thermometer.

  • De uitvoering van palpatie van de pens, de hongergroeve en de koekoeksgaten.

  • De uitvoering van percussie van de verschillende lagen van de pens en het leverveld.

  • Het hanteren, benaderen, drijven/leiden en fixeren van paarden, runderen, honden en katten door interpretatie van normaal gedrag en communicatieve signalen.

  • Het uitvoeren van een basis klinisch onderzoek op modellen en het oordelen over de algemene gezondheid op basis van de resultaten.

Belangrijke Begrippen en Fasen van het Klinisch Onderzoek

  • Het klinisch onderzoek is een basisvaardigheid bestaande uit vijf vaste onderdelen:

    1. Signalement

    2. Anamnese

    3. Algemene indruk

    4. Algemeen onderzoek

    5. Specifiek onderzoek

  • Differentiaal diagnose (DDx): Een lijst van alle mogelijke diagnoses die aan de hand van het onderzoek nader bekeken worden.

  • Diagnose (Dg): De uiteindelijke conclusie of de meest aannemelijke waarschijnlijkheidsdiagnose.

  • Behandeling/Therapie (Tx): De passende interventie na het stellen van de diagnose.

  • Prognose: De voorspelling over het verloop en de afloop van de aandoening, wat vaak de keuze voor behandeling beïnvloedt.

  • Etiologie: De oorzaak van het ontstaan van een pathologie (infectieus, traumatisch, congenitaal of idiopatisch bij onbekende oorzaak).

  • Pathogenese: Het ontwikkelingsmechanisme van de pathologie en de daaruit voortvloeiende cellulaire reacties.

  • Klinische Valkuilen: Het direct willen stellen van een diagnose (bijv. bij diarree) zonder volledig onderzoek of het te snel inzetten van dure bijkomende onderzoeken (RX, echo, CT) zonder dat de noodzaak vastgesteld is via het algemeen klinisch onderzoek.

Signalement: Het GRHOKAD-systeem

Het signalement moet rigoureus worden opgesteld om bepaalde diagnoses waarschijnlijker of minder waarschijnlijk te maken (bijv. mitralisklependocardiose bij de Cavalier King Charles Spaniël). De ezelsbrug hiervoor is GRHOKAD:

  • Geslacht: Sommige aandoeningen zijn geslachtsspecifiek. Controleer of het dier gecastreerd is (MCMC of VCVC) of intact (MIMI of VIVI).

  • Ras: Cruciaal voor ras-specifieke aandoeningen. Noem nooit een Britse Korthaar een Kartuizer en stel geen vragen over melkproductie bij vleesvee (dikbillen).

  • Hoogte: Beoordeling van de schofthoogte en het gewicht van het dier.

  • Ouderdom: Leeftijd is vaak bepalend voor pathologieën (bijv. panosteïtis bij pups, hartproblemen bij oudere dieren). Bij onbekende leeftijd kan men schatten via de tanden.

  • Kleur: Verzeker correcte benaming (zie etnografie). Sommige kleuren zijn gelinkt aan ziektes, zoals de witte vaarzenziekte of doofheid bij witte dieren.

  • Aftekening: Vooral bij paarden essentieel voor identificatie.

  • Datum en handtekening: Voor een officieel document zijn een handtekening, datum en vaak een praktijkstempel vereist.

Anamnese

De anamnese bestaat uit gerichte vraagstelling aan de eigenaar middels open vragen.

  1. Het iatrotrope probleem: Wat is het probleem, de duur, het verloop, wat is er gezien en is er al een effect van eerdere behandelingen?

  2. Algemeen functioneren: Hoe verloopt de homeostase (eten, drinken, mesten, gedrag, mens-dier interactie)?

  3. Leefomstandigheden (Zoötechnisch): Huisvesting, voeding, ontwormingsschema en blootstelling aan schadelijke stoffen (noxen).

  4. Voorgeschiedenis: Ziekteverleden, medicatiegebruik, vaccinaties en erfelijke factoren.

Algemene Indruk (Ezelsbrug: VoorAbNoMaMi)

De observatie gebeurt van een afstand om het natuurlijke gedrag niet te verstoren. Kijk, luister en ruik. Bij consultaties in de praktijk worden de eerste 3 punten overlopen; bij huisbezoeken alle 5.

  • Voor (Algemeen Voorkomen): Haarkleed, verzorging, klauwen/nagels/hoeven, stand, voedingstoestand, alertheid, gang, rug- en buikhouding, grootte, mestconsistentie, urine-uitzicht en uitvloei (neus of vulva).

  • Ab (Abnormaal Gedrag): Stresssignalen, verveling, overmatig krabben, agressie, pica (vreemde eetlust), abnormale gang of angst.

  • No (Normaal Levensonderhoudend Gedrag): Eetlust, kauwen, wassen, herkauwen, drinken, slapen en sociale interacties.

  • Ma (Macro-omgeving): De ruime omgeving (stalruimte, weidekwaliteit, netheid, verluchting, verlichting, geuren, stof).

  • Mi (Micro-omgeving): De directe omgeving (hygiëne, stalbedding, ligbedkwaliteit, bezetting/competitie, luchtkwaliteit in het microklimaat).

Body Condition Score (BCS)

  • Hond/Kat: Beoordeling via boven- en zijaanzicht met focus op ribben en buik.

  • Cattle (Rund): Boven- en zijaanzicht van de romp en heupen; voelen aan de koekoeksgaten.

  • Paard (Schaal -2 tot +2):

    • -2 (Te mager): Skelet te zichtbaar, dunne nek, hol kruis, ingevallen heup.

    • -1 (Opletten): Ribben goed zichtbaar, kruis dakvormig.

    • 0 (Goed): Ribben niet zichtbaar, licht hellend kruis, goede verhoudingen.

    • +1 (Opletten): Ronde vormen, dikke nek, diepe romp, kruis rond.

    • +2 (Obesitas): Bolle manenkam, hartvormig kruis, zware en brede hals.

Algemeen Onderzoek: De 6 Belangrijke Punten

Men hanteert een vaste systematiek: starten links-voor, naar achteren en terug via rechts. Bij stress wordt de temperatuur eerst gemeten.

  • A. Lichaamstemperatuur:

    • Alleen rectale meting is correct. De thermometer moet tegen de mucosa gehouden worden.

    • Gebruik glijmiddel bij KHD. Sta bij runderen achter de staart (fixatie) en bij paarden naast het dier.

  • B. Slijmvliezen:

    • Kleur: Normaal is roze. Vuurrood wijst op stuwing (opgewondenheid). Grauw wijst op vasoconstrictie/shock.

    • Capillaire Vullingstijd (CVT): Druk op de gingiva. Normaal <2\,\text{sec}. Verlengd (>2\,\text{sec}) wijst op shock of dehydratatie. Te snel (<2\,\text{sec}) wijst op het voorstadium van shock.

    • Plakkerigheid: Vochtig is normaal; plakkerig wijst op dehydratatie.

    • Letsels: Controle op beschadigingen.

  • C. Huidturgor:

    • Een huidtentje maken bij de hals of ribben. Moet binnen <2\,\text{sec} wegzakken. Bij runderen ook letten op diepliggende ogen als teken van dehydratatie.

  • D. Ademhaling:

    • Tel 30 seconden en vermenigvuldig met 2 (X×2=ademhalingen/min\text{X} \times 2 = \text{ademhalingen/min}). Tel alleen in rust, niet bij hijgen.

    • Observeer de beweging van thorax/flanken of neusvleugels (paard).

    • Longauscultatie gebeurt in een ruitvorm (craniaal, caudaal, dorsaal, ventraal).

  • E. De Pols:

    • Beoordeel ritme, slagkracht en symmetrie.

    • Paard/Rund: a.facialisa. facialis in de incisuravasorumfacialiumincisura vasorum facialium.

    • Hond/Kat/Konijn: a.femoralisa. femoralis in het trigonumfemoraletrigonum femorale (Driehoek van Scarpa).

    • Varken: a.saphenaa. saphena (locatie halverwege planum cutaneum tibiae en de hielpees).

  • F. Lymfeknopen:

    • Ln. mandibularis: Altijd te palperen bij hond, paard en rund (bij paarden in de schaarstreek).

    • Ln. popliteus: Altijd te voelen in de knieholte bij KHD.

    • Ln. cervicalis superficialis (Boeglymfeknoop): Enkel voelbaar bij opzetting.

    • Ln. subiliacus: In de liesplooi; voelbaar bij opzetting (bij rund meestal palpeerbaar).

    • Ln. retropharyngei lateralis: Achter de mandibula, vaak verward met speekselklieren.

Normaalwaarden per Diersoort

Diersoort

Ademhaling (min1\text{min}^{-1})

Hartfrequentie (min1\text{min}^{-1})

Temperatuur (C^{\circ}\text{C})

Hond

103010-30

6012060-120

383938-39

Kat

204020-40

120180120-180

38,53938,5-39

Paard (Veulen)

8168-16

6010060-100

37,538,937,5-38,9

Paard (Volw)

8168-16

304030-40

373837-38

Rund (Kalf)

304530-45

8010080-100

38,539,538,5-39,5

Rund (Volw)

153515-35

608060-80

383938-39

Schaap/Geit

304030-40

709070-90

38,54038,5-40

Varken (Big)

2020

100120100-120

3940,539-40,5

Varken (Volw)

2020

609060-90

3839,538-39,5

Specifiek Onderzoek: Pijnproeven bij het Rund

Bedoeld om pijn in het voorste deel van de buikholte te detecteren, vaak t.g.v. Traumatische Reticulo-Peritonitis (TRP).

  • Percussie 10de rib: Met knokkels of hamer langs de rib kloppen. Het rund kan kreunen door verschuiving van de pleurale/peritoneale bladen.

  • Schoftproef: In de schoft nijpen met een neerwaartse beweging. Positief als de koe doorbuigt én kreunt. Gezond dier buigt door zonder kreunen.

  • Percussie xiphoïd: Gebruik hiel of hamer op het xiphoïd.

  • Stokproef: Een stok ventraal van het xiphoïd omhoog trekken en plots loslaten.

  • Lendenreflex (ook bij paard): Nijpen in de lendenen. Niet doorbuigen kan wijzen op rug- of buikpijn.

Percussie van de Pens (Rund)

Percussie wordt uitgevoerd om de drie penslagen te onderscheiden:

  1. Dorsaal: Gasfase (klinkt hol).

  2. Midden: Vaste voedsellaag (gedempt).

  3. Ventraal: Vloeistoflaag (volledig gedempt).

  • Afwijkingen: Een te grote holklinkende laag wijst op tympanie. Onderbroken lijnen kunnen wijzen op lebmaagdilatatie of abcessen. Een ontbrekende vaste laag kan wijzen op rumenitis of vasten.

Palpatie en Auscultatie van het Abdomen

  • Vuistpalpatie (Rund): In de linkerhongergroeve voelen naar consistentie. Normaal is elastisch. Te vast wijst op overvulling/indroging, vloeibaar op pensacidose.

  • Pensmotiliteit: Normaal 232-3 contracties per 2minuten2\,\text{minuten}. Bij auscultatie gelijktijdig met palpatie luisteren voor pensgeluiden.

  • Borborygmen (Darmgeluiden): Ontstaan door peristaltiek.

    • Paard: Auscultatie in 4 kwadranten. Rechts dorsaal zijn plas- en injectiegeluiden van het ileumcaecumileum-caecum hoorbaar. Borborygmen duren 1020sec10-20\,\text{sec} en treden elke 14min1-4\,\text{min} op. Afwezigheid wijst op ileus.

    • Kleine Huisdieren: Bij een leeg darmpakket is er stilte. Borborygmen zijn variabel en meestal laagtonig.

Fixatie en Bloedafname

  • Fixatiemiddelen:

    • Hond: Muilband, assistent.

    • Kat: Kattenzak, handdoek, muilband.

    • Paard: Praam, voetje opheffen, waarschuwen voor prik.

    • Rund: Aanbinden, neusring.

    • Varken: Neuslus.

  • Bloedafname locaties:

    • Hond/Kat: v.jugularisexternav. jugularis externa, v.cephalicav. cephalica, v.saphenalateralisv. saphena lateralis.

    • Paard/Rund: v.jugularisexternav. jugularis externa.

    • Varken: Oorvene of v.jugularisexternav. jugularis externa.

  • Bloedbuisjes:

    • Citraat (Blauw): Stolling (calciumvanger).

    • Serum (Rood/Geel): Standaardonderzoek, antistoffen, eiwitten.

    • EDTA (Paars): Hematologie (bloedcellen), beschadigt cellen niet.

    • Heparine (Groen): Cholesterol, hormonen.

    • Natriumfluoride (Grijs): Bloedglucosespiegel (remt metabolisme).

Cardiologie: Palpatie en Auscultatie

  • Ictus Cordis: De hartslagkracht. Links krachtiger dan rechts. Palpabel links in intercostale ruimte (ICRICR) 464-6; rechts in ICR35ICR\,3-5.

  • Fremitus: Trillingen die duiden op pathologie (normaal niet aanwezig).

  • Harttonen:

    • Eerste harttoon: Contractie van ventrikels (Componenten A: atriumcontractie, B: isovolumetrische druktoename, C: opening semilunaire kleppen, D: uitwerping bloed).

    • Tweede harttoon: Sluiten van semilunaire kleppen (aorta- en pulmonaliskleppen).

    • Derde/Vierde harttoon: Diastolische geluiden, meestal niet hoorbaar bij gezonde hond/kat behalve bij geleidingsstoornissen.

  • Bijgeruisen (Souffles/Murmurs): Worden gegradeerd op een schaal van 1/61/6 tot 6/66/6:

    • Graad 1: Geringe intensiteit.

    • Graad 2: Zacht, direct hoorbaar.

    • Graad 3: Luider, geen fremitus.

    • Graad 4: Luid met fremitus.

    • Graad 5: Zeer luid, niet hoorbaar zonder contact met thorax.

    • Graad 6: Hoorbaar met de stethoscoop los van de wand.

  • Punctum Maximum: De plaats op de thorax waar het geruis het luidst is, correlerend met specifieke kleppen (Mitralis, Tricuspidalis, Aorta, Pulmonalis).