ADHD

Hier zijn alle dikgedrukte en groengekleurde termen uit het document met hun definities, zoals ze in de tekst staan:


Belangrijke termen en definities uit het document

ADHD-gerelateerde termen
  • Attention-Deficit Hyperactivity Disorder (ADHD) – Een neurologische ontwikkelingsstoornis gekenmerkt door onoplettendheid, hyperactiviteit en impulsiviteit, wat leidt tot beperkingen in het dagelijks functioneren.

  • Onoplettendheid (Inattention) – Moeite met aandacht vasthouden, snel afgeleid zijn, vergeetachtig zijn en moeite hebben met het organiseren van taken.

  • Hyperactiviteit (Hyperactivity) – Overmatige motorische activiteit zoals friemelen, rondrennen op ongepaste momenten en moeite hebben met stilzitten.

  • Impulsiviteit (Impulsivity) – Handelen zonder na te denken over de gevolgen, moeite met wachten op de beurt en anderen in de rede vallen.

  • Presentatietypen ADHD:

    • Overwegend onoplettende presentatie (ADHD-PI) – Kinderen die voornamelijk last hebben van onoplettendheid.

    • Overwegend hyperactief-impulsieve presentatie (ADHD-HI) – Kinderen die voornamelijk hyperactief en impulsief zijn.

    • Gecombineerde presentatie (ADHD-C) – Kinderen met zowel onoplettendheid als hyperactiviteit-impulsiviteit.


Aandachts- en executieve functies
  • Selectieve aandacht (Selective attention) – Het vermogen om zich te concentreren op relevante informatie en irrelevante prikkels te negeren.

  • Afleidbaarheid (Distractibility) – Een tekort aan selectieve aandacht, waardoor iemand snel afgeleid wordt door externe prikkels.

  • Volgehouden aandacht (Sustained attention) – Het vermogen om langdurig gefocust te blijven op een taak, vooral als deze saai of repetitief is.

  • Waarschuwing (Alerting) – Het vermogen om zich snel en adequaat voor te bereiden op een taak of stimulus.

  • Uitvoerende functies (Executive functions, EF's) – Cognitieve processen zoals werkgeheugen, planning, flexibiliteit van denken en impulscontrole.


Gerelateerde stoornissen en comorbiditeiten
  • Oppositionele-opstandige stoornis (ODD - Oppositional Defiant Disorder) – Een gedragsstoornis gekenmerkt door prikkelbaarheid, boosheid, argumentatief gedrag en wrok tegen autoriteit.

  • Gedragsstoornis (CD - Conduct Disorder) – Ernstiger dan ODD, waarbij kinderen antisociaal gedrag vertonen zoals agressie, liegen en het overtreden van regels.

  • Callous-unemotional traits – Een emotionele ongevoeligheid, gekenmerkt door een gebrek aan schuldgevoel, empathie en oppervlakkige emoties.

  • Anxiety disorders (angststoornissen) – Ongeveer 25-50% van de kinderen met ADHD heeft een bijkomende angststoornis, wat hun functioneren negatief beïnvloedt.

  • Developmental Coordination Disorder (DCD) – Motorische coördinatieproblemen die invloed hebben op fysieke vaardigheden zoals schrijven en sporten.

  • Ticstoornissen – Onvrijwillige, repetitieve motorische bewegingen of geluiden die bij 20% van de kinderen met ADHD voorkomen.


Behandelmethoden en interventies
  • Multimodal Treatment Study of ADHD (MTA Study) – Een grootschalig onderzoek naar de effectiviteit van medicatie, gedragsbehandeling en gecombineerde therapieën voor ADHD.

  • Summer Treatment Program (STP) – Een intensief behandelprogramma waarin kinderen met ADHD sociale vaardigheden leren in een zomerkamp-achtige omgeving.

  • Gedragsbehandeling – Therapieën gericht op het aanleren van gewenst gedrag door middel van beloningssystemen en structuur.

  • Medicatiebeheer – Het gebruik van stimulantia zoals methylfenidaat (Ritalin) of amfetaminen (Adderall) om symptomen van ADHD te verminderen.


Wil je dit als Quizlet-set of in een Word-bestand voor flashcards? 😊📚