Elektrische Veiligheid MVK - Samenvatting

Leerdoelen MVK Algemeen

  • Inzicht in wet- en regelgeving elektrische veiligheid.
  • Herkennen van elektrische risico’s op de werkplek.
  • Kennis en inzicht van methoden om deze risico’s te beperken.
  • Basiskennis elektriciteit opdoen.

Leerdoelen MVK Specifiek

  • MVK: Vaststellen van actiepunten om in de organisatie mee aan de slag te gaan.

Dagprogramma

  • Voorstellen en inventarisatie leervragen.
  • Wet- en regelgeving elektrische veiligheid en de relatie NEN3140.
  • NEN 3140; taken en bevoegdheden, aanwijzingen.
  • Basiskennis elektriciteit.
  • Elektrische risico’s.
  • Procedures voor veilig werken.
  • Risicovolle omstandigheden.
  • Technische veiligheid.
  • Vragen en afronding.

Waarom Elektrische Veiligheid?

  • Preventie is de moeite waard!
    • Verbetering van veiligheid, gezondheid, welzijn en milieu.
    • Voorkomen van ongevallen.
    • Verkleinen van de risico’s op brand- en explosiegevaar.
    • Verhoging bedrijfszekerheid.
    • Voldoen aan wetgeving met bijbehorende normen en richtlijnen.
    • Voorkomen van aansprakelijkheden.

Voorbeelden van elektrische veiligheid

  • Elektrische veiligheid (ongeval).
  • Elektrische veiligheid (technisch).
  • Elektrische veiligheid (brand).

Handhaving

  • Nederlandse Arbeidsinspectie.

Wetgeving

  • Verplichting creëren veilige werkplek.

Normstellend

  • Beschrijving van bedrijfs- of branche risico’s en globale maatregelen.

Informerend

  • Normen waarmee maatregelen worden vormgegeven.
  • Richtlijnen, bijv. om fysieke overbelasting te voorkomen.

Verplichtingen werkgever en werknemer

  • Werkgever
    • Zorgplicht
    • Gevaren bij de bron bestrijden
    • Zorgen voor beheersmaatregelen
    • Zorgen voor veilige middelen en methoden
    • Meldingsplicht ernstige ongevallen Nederlandse Arbeidsinspectie
  • Werknemer
    • Middelen en stoffen juist gebruiken
    • Beveiligingen intact laten
    • PBM’s gebruiken
    • Werkgever inlichten over opgemerkte gevaren
    • Meewerken aan trainingen
    • Niet veilig – Niet doen

Arbowet

  • Artikel 11 Arbowet
  • Arbobesluit
  • Arboregeling (Arbobeleidsregels)
  • Arbocatalogi
  • Normen NEN, EN, IEC, ISO, OHSAS
  • Arboinformatiebladen (AI-bladen)
  • Arbothemacariers
  • Branche richtlijnen (bijv. A-bladen) Etc.

Risico-inventarisatie en -evaluatie

  • Verplichting werkgever: Artikel 5 Arbowet
    • Schriftelijk vastleggen van risico’s
    • Plan van aanpak met maatregelen
    • Gewijzigde situatie opnieuw inventariseren
    • Risico’s en maatregelen kenbaar maken aan medewerker.

TRA

  • Arbeidsrisico’s bij risicovolle werkzaamheden en bijbehorende maatregelen. (2e echelon)

LMRA

  • Laatste check voor aanvang werkzaamheden Uitvoering.

Arbeidshygiënische Strategie

  • Werken in een spanningsloze omgeving.
  • Werken in een spanning voerende, maar aanrakingsveilige omgeving.
  • Werken volgens procedures en werkinstructies.
  • Aanpakken eventuele restrisico’s met persoonlijke beschermingsmiddelen.

Risicobeheersing

  • Inschatten risico’s op grond van:
    • Kans dat zich een incident voordoet
    • Ernst van het letsel
    • Geregistreerde incidenten (per jaar)
  • Bronbestrijding
  • Technische maatregelen (collectief)
  • Organisatorische maatregelen (individueel)
  • Persoonlijke beschermingsmiddelen

Risico

  • Risico = kans x effect (Volgens Kinney & Wiruth)
    • Kans: Maatregel: veelal bronaanpak/technisch.
    • Effect: Maatregel: veelal persoonlijke beschermingsmiddelen/technisch.

Uitgangspunten voor het regelen van elektrische veiligheid

  • Arbobesluit
    • Artikel 3.2 Veilige werkplek
    • Artikel 3.4: Aanleg en gebruik van elektrische installaties
    • Artikel 3.5: Elektrotechnische werkzaamheden en bedieningswerkzaamheden

Wettelijke voorschriften (Arbobesluit)

  • Algemene vereisten t.a.v. arbeidsplaatsen (art. 3.2):
    • Moeten veilig zijn.
    • Moeten regelmatig worden gecontroleerd of alles nog adequaat functioneert.
    • Geconstateerde gebreken moeten zo snel mogelijk worden hersteld.
  • Elektrische installaties (art. 3.4):
    • Moeten zodanig zijn ontworpen, ingericht, aangelegd en onderhouden dat een veilig gebruik zo goed mogelijk is gewaarborgd. Hiertoe zijn de nodige voorzieningen en beschermingsmaatregelen aangebracht. Daarbij is rekening gehouden met bijzondere eisen die kunnen voortkomen uit de wijze van het gebruik, de gebruiksomstandigheden, de te verwachten uitwendige invloeden en onderhoudswerkzaamheden.
    • Er moeten doeltreffende maatregelen genomen zijn tegen gevaar van brand, ontploffing, directe en indirecte aanraking en te dichte benadering.
    • Er moeten duidelijke, steeds bijgewerkte schema’s en alle overige gegevens beschikbaar zijn, voor een veilig gebruik van de installatie.
  • Elektrotechnische werkzaamheden en bedieningswerkzaamheden (art. 3.5):
    • Worden door deskundige, voldoende onderrichte en daartoe bevoegde werknemers worden uitgevoerd.
    • Een ruimte met een (half) open elektrische installatie voor hoogspanning, mag alleen worden betreden in aanwezigheid van een tweede daartoe bevoegd persoon.
    • Werkzaamheden aan of in de nabijheid van een elektrische installatie mogen alleen worden uitgevoerd wanneer deze spanningsloos is.
    • De daartoe bevoegde werknemer neemt doeltreffende maatregelen om een veilig verloop van de werkzaamheden te waarborgen.
    • Alleen werken onder spanning:
      • als de dringende noodzaak hiervan is aangetoond en
      • aan de bevoegde werknemer uitdrukkelijke opdracht is gegeven en
      • de installatie geschikt is voor het uitvoeren van werkzaamheden onder spanning en
      • doeltreffende maatregelen zijn genomen om aan die werkzaamheden verbonden gevaren te voorkomen.

Wettelijke voorschriften (Arbobeleidsregels)

  • Oud: Arbobeleidsregels (art. 3.4 en 3.5):
    • Aanleg en gebruik van elektrische installaties: Aan de verplichtingen, bedoeld in artikel 3.4 van het Arbobesluit, is voldaan indien de volgende normen zijn toegepast, o.a.:
      • NEN 1010 Veiligheidsbepalingen voor laagspanningsinstallaties.
      • NEN 1041 Veiligheidsbepalingen voor hoogspanningsinstallaties.
    • Elektrotechnische bedienings- en andere werkzaamheden Aan de verplichtingen, bedoeld in artikel 3.5 van het Arbobesluit, is voldaan indien tijdens elektrotechnische werkzaamheden en bedieningswerkzaamheden de volgende normen zijn toegepast, o.a.:
      • NEN 3140 Bedrijfsvoering van elektrische laagspanningsinstallaties.
      • NEN 3840 Bedrijfsvoering van elektrische hoogspanningsinstallaties.
  • Vanaf 2010: De Arbocatalogus:
    • De overheid wil dat werkgevers en werknemers samen afspraken maken over de wijze waarop zij aan de voorschriften van de Arbo-wet voldoen. (Deze is veelal incompleet of niet beschreven voor de elektrische bedrijfsvoering).

Spanningsgrenzen

  • Extra lage spanning (ELV)
    less 50 \,\text{Volt} \approx \text{(wissel)} en
    less 120 \text{Volt} = \text{(gelijk)}
  • Lage spanning (LV)
    less 1000 \text{Volt} \approx \text{(wissel)} en
    less 1500 \text{Volt} = \text{(gelijk)}
  • Hoge spanning (HV) > 1000 \text{Volt} \approx \text{(wissel)} en > 1500 \text{Volt} = \text{(gelijk)}

Voorbeeld Arbocatalogus Afvalverwerking

  • Risico: Elektrocutiegevaar
  • Beschrijving van het risico:
    • Afvalenergiecentrales (AEC's) produceren elektriciteit. In AEC's komen daarom installaties met laagspanning en hoogspanning voor. Ook bij vergisting en met stortgas wordt elektriciteit en/of warmte geproduceerd. Bovendien kan zich elektrocutie voordoen bij het werken met elektrische apparaten.
    • Bij het werken in vochtige of met afvalwater gevulde riolen dienen er strenge eisen gesteld te worden aan het gebruik van elektrische apparaten. Indien dit niet gebeurt, bestaat er gevaar voor elektrocutie.
    • Bij het werken aan elektrische installaties bestaat de kans op elektrocutie. De twee grote risico's van elektriciteit zijn:
      • Het aanraken van draad of apparaat dat onder spanning staat. Dit geeft een stroom door het lichaam die direct dodelijk kan zijn
      • Het maken van kortsluiting. Op de plaats van de kortsluiting kan een vuurbal (vlamboog) ontstaan die voor ernstige brandwonden veroorzaakt.
      • De meeste ongelukken gebeuren door slechte aanleg danwel onvoldoende (deskundig) onderhoud van installaties, werken aan installaties met ondeugdelijk materiaal en mensen zonder de juiste kennis, opleiding en ervaring.
    • Als er bij werkzaamheden aan een riool gebruik wordt gemaakt van elektrische apparatuur, of deze nu buiten of binnen het riool worden gebruikt, dient er rekening mee gehouden te worden met gevaar voor elektrocutie. Daarom moet veilige apparatuur worden gebruikt zoals in de maatregel Gebruiken geschikte arbeidsmiddelen is beschreven.
  • Maatregelen:
    • Beschrijven procesveiligheid en maatregelen in RI&E.
    • Geven werkinstructie.
    • Voorlichten over elektrocutiegevaar.
    • Borgen deugdelijke installaties.
    • Gebruiken geschikte arbeidsmiddelen.
    • Borgen dat afsluiters dicht blijven en installaties uit.
    • Borgen vakbekwaamheidseisen elektrotechnisch werk.
    • Opstellen bhv-plan.
    • Toepassen werkvergunning.

Wet- en regelgeving

  • Arbowet, Arbobesluit en arboregelgeving.
    • Arbeidsomstandighedenwet.
      • Artikel 5 Arbowet inzake Risico-inventarisatie en -evaluatie
      • Artikel 8 Arbowet inzake Voorlichting en onderricht
    • Arbeidsomstandighedenbesluit en -regeling
      • Artikel 1.37 Arbobesluit inzake Deskundig toezicht
      • Artikel 3.2 Arbobesluit inzake Algemene vereisten
      • Artikel 3.4 Arbobesluit inzake Elektrische installaties
      • Artikel 3.5 Arbobesluit inzake Elektrotechnische, bedienings- en andere werkzaamheden aan of nabij een elektrische installatie
      • In geval van een tijdelijke of mobiele arbeidsplaats: artikel 3.29 Arbobesluit inzake Elektrische installaties en leidingen
  • Overige regelgeving, normen, richtlijnen en dergelijke
    • NEN 1010 Elektrische installaties voor laagspanning - Nederlandse implementatie van de HD-IEC 60364-reeks
    • NEN-EN 50110-1 Bedrijfsvoering van elektrische installaties - Deel 1: Algemene eisen
    • NEN-EN 50110-2 Bedrijfsvoering van elektrische installaties - Deel 2: Nationale bijlagen
    • NEN 3140 Bedrijfsvoering van elektrische installaties - Laagspanning
    • NEN 3480 Bedrijfsvoering van elektrische installaties - Hoogspanning

Arbo-informatiebladen

  • Praktijkbladen die laten zien wat de Arbowetgeving in de praktijk betekent.
  • Worden uitgegeven onder auspiciën van het Ministerie van Sociale zaken en Werkgelegenheid.

Basis inspectiemodules Ned. arbeidsinpectie

  • Basisinspectiemodule hoe de Nederlandse arbeidsinspectie omgaat met inspecties. Ze geven per onderwerp de criteria aan voor de inspecteur en een uitleg over het onderwerp.
  • Tevens een mooie informatiebron voor de veiligheidskundigen.

Normen toegelicht

  • NEN: Nederlandse norm.
  • EN: Norm is Europees erkend.
  • IEC, ISO, ITU: Norm is internationaal erkend.
  • A-Normen: Algemene ontwerp beginselen.
  • B-Normen: Specifieke veiligheidseisen van machines.
  • C-Normen: Concrete eisen machinetype/groep.

Relevante normen Productveiligheid (art. 3.4)

  • NEN 1010 Veiligheidsbepalingen laagspanningsinstallaties.
  • NEN-EN-IEC 61439-1 Schakel- en verdeelinrichtingen.
  • NEN-EN 50110 / NEN 3140 Bedrijfsvoering laagspanningsinstallaties.
  • NEN-EN IEC 60204-1 Elektrische uitrusting van machines.

Arbeidsveiligheid (art. 3.5)

  • NEN-EN 50110 / NEN 3140 Bedrijfsvoering laagspanningsinstallaties.

Organisatorische aspecten van de NEN 3140

  • Titel van de norm: NEN 3140 (Bedrijfsvoering van elektrische installaties – Laagspanning)
  • Heeft betrekking op elektrische installaties en elektrische arbeids-middelen met een nominale spanning van ten hoogste 1000 Volt wisselspanning en 1500 Volt gelijkspanning.
  • Onder bedrijfsvoering verstaan we:
    • onderhoud, gebruik, inspectie en beheer van elektrische installaties en elektrische arbeidsmiddelen;
    • werkzaamheden aan, met of nabij elektrische installaties en elektrische arbeidsmiddelen.
  • Geldt voor:
    • alle elektrotechnische werkzaamheden;
    • alle niet-elektrotechnische werkzaamheden in de omgeving van elektrische installaties, bovengrondse en ondergrondse leidingen.
  • De norm NEN 3840: heeft betrekking op hoogspanning

NEN 3140

  • Is het raamwerk voor het E-veiligheidsbeleid.
  • Geeft de uitgangspunten aan.
  • Borgen van het veilig werken aan en met elektrische installaties en elektrische arbeidsmiddelen door afspraken over taken en bevoegdheden, procedures en het gebruik van arbeidsmiddelen.
  • Borgen van de veiligheid van een elektrische installatie, machines en elektrische arbeidsmiddelen door onderhoud en inspectie.
  • Zal door iedere werkgever verder zelf worden geïnventariseerd en op maat worden geïmplementeerd.

NEN 3140 kort samengevat

  • Organisatie / arbeidsveiligheid:
    • vastleggen taken, bevoegdheden en verantwoordelijkheden
    • opstellen procedures en werkvoorschriften
    • persoonlijke beschermingsmiddelen en gereedschappen
    • vastleggen van risicoverhogende omstandigheden
    • zorgen voor opleidingen en periodieke herhalingsinstructies
    • personeel (eigen en derden) “aanwijzen” in categorie volgens NEN 3140
    • houden van toezicht op werkzaamheden (eigen personeel en derden)
  • Installatie / productveiligheid:
    • Opstellen van een meerjaren inspectieplan o.b.v. een risico-inventarisatie
    • Periodiek inspecteren installatie, machines, verplaatsbare toestellen en elektrische handgereedschap
    • resultaten vastleggen in inspectierapport en gebreken herstellen
    • plegen van onderhoud
    • toezicht houden op de installaties, machines en elektrische arbeidsmiddelen

De aanwijzing Vastleggen bevoegdheden

  • Het vastleggen van bevoegdheden zoals vereist in art.3.5 gebeurt volgens de NEN3140 door het afsluiten van een overeenkomst; de zogenaamde ‘aanwijzing’. Dit is een overeenkomst waarin taken en verantwoordelijkheden zijn vastgelegd.
  • De NEN3140 kent vier categorieën aanwijzingen:
    • De installatieverantwoordelijke zorgt voor een veilige installatie
    • De werkverantwoordelijke zorgt voor het veilig uitvoeren van werkzaamheden
    • De vakbekwaam persoon uitvoeren van elektrotechnische werkzaamheden
    • De voldoende onderricht persoon uitvoeren bedieningswerkzaamheden of eenvoudige elektrotechnische werkzaamheden

Installatieverantwoordelijke

  • Beheer installatie en elektrische arbeidsmiddelen.
  • Inspectie installatie en elektrische arbeidsmiddelen.
  • Onderhoud installatie.
  • Vaststellen procedures voor werken aan de installatie.
  • Toestemming verlenen tot werken aan de installatie.
  • Taken en verantwoordelijkheden verschillen sterk per organisatie
  • Installatieverantwoordelijkheid mag worden uitbesteed
  • Delegeren van installatieverantwoordelijkheid voor delen van de installatie aan vakbekwame personen toegestaan.
  • Indien er geen installatieverantwoordelijke is aangewezen, is de (opdrachtgevende) werkgever installatieverantwoordelijke
  • Aansprakelijkheid ligt over het algemeen bij de werkgever (BW art. 658)

Werkverantwoordelijke

  • Beoordeelt risico’s verbonden aan werkzaamheden
  • Maakt werkplannen voor werkzaamheden
  • Houdt toezicht op elektrotechnische werkzaamheden
  • Instrueert uitvoerende medewerkers, of derden
  • Werkverantwoordelijkheid mag worden gedelegeerd aan een vakbekwaam persoon.
  • Bij servicebedrijven en installatiebedrijven geen werkverantwoordelijke vereist mits er spanningsloos wordt gewerkt en periodiek toezicht en evaluatie is geborgd.

Vakbekwaam persoon

  • Voert elektrotechnische werkzaamheden uit.
  • De aard van de werkzaamheden verschilt sterk per bedrijf en per functie.
  • In sommige bedrijven hebben niet alle vakbekwame personen dezelfde bevoegdheid. Soms wordt gekozen voor bijvoorbeeld VP-1 en VP-2.

Voldoende onderricht persoon

  • Uitvoeren eenvoudige elektrotechnische werkzaamheden met laag risico
  • Toegang tot schakelruimten
  • Verrichten resethandelingen
  • Vervangen lampen
  • Enzovoort . . .
  • Taken verschillen sterk per organisatie
  • In veel organisaties zijn er verschillende VOP met verschillende bevoegdheden (VOP- TD, VOP-productie, operator, huismeester, keurmeester elektrische arbeidsmiddelen etc.)
  • Aandachtspunt: instructie en training moet gericht zijn op de specifieke taken van de medewerker. Een standaard VOP instructie volstaat meestal niet.

Basisbegrippen elektrotechniek

  • Elektriciteit
    • Spanning (Volt), stroom (Ampère) en weerstand (Ohm)
    • Wisselspanning
    • Gelijkspanning
  • Wet van Ohm: \text{spanning (U)} = \text{stroom (I)} \times \text{weerstand (R)}
  • Het vermogen dat in het circuit wordt ontwikkeld, wordt berekend volgens de formule: \text{vermogen (P)} = \text{spanning (U)} \times \text{stroom (I)}

Wisselspanning: AC

  • Door wisseling magnetisch veld wisselt de spanning van polariteit: sluiten we er iets op aan, dan wisselt de stroom telkens van richting.
  • Voorbeelden van wisselspanningsbronnen: generator, dynamo en windmolen.

Gelijkspanning: DC

  • Bij gelijkspanning blijft de polariteit (plus en min) gelijk. Wanneer er iets op een gelijkspanningsbron wordt aangesloten loopt de stroom één richting op.
  • Wisselspanning kan elektronisch worden omgevormd naar gelijkspanning.

Gelijkstroom

  • Zodra we iets aansluiten op de twee polen, kan er een stroom lopen. In de afbeelding hiernaast loopt een stroom door de lamp. Een batterij is gelijkspanning, dus er loopt nu een gelijkstroom van plus naar min.
    • Hoe hoger de spanning is, des te groter de stroom
    • Hoe sterker de lamp is, hoe lager de weerstand en dus hoe hoger de stroom

Wisselstroom

  • Zodra we iets aansluiten op de twee polen van een stopcontact, loopt er ook stroom. Bij een wisselstroom loopt de stroom heen en weer tussen de aansluitingen
  • In de afbeelding hiernaast loopt een stroom door de lamp. Een batterij is gelijkspanning, dus er loopt nu een gelijkstroom van plus naar min.

(Rand)aarde

  • Metalen delen van toestellen zouden per ongeluk onder spanning kunnen komen te staan. Aanraking van het metalen deel zou dan leiden tot een elektrische schok. In dit voorbeeld is een wasmachine aangesloten op een ongeaard stopcontact.
  • Hier is de wasmachine aangesloten op een stopcontact met een aarde aansluiting. De aarde kan gezien worden als vluchtstrook: de stroom neemt nu een andere weg. De beveiligingen in de meterkast merken dit op, en schakelen de installatie uit
  • De aarde is dus bedoeld om te zorgen dat metalen delen niet onbedoeld onder spanning blijven staan.

Geaarde apparaten

  • Voorbeelden:
    • Droger
    • Broodrooster
    • Magnetron
    • Elektrische radiator
    • Elektromotor in de industrie
  • Geaarde apparaten zijn te herkennen aan een stekker met een metalen aarde aansluiting

Geaarde gestellen

  • Naast apparaten worden ook metalen gestellen geaard, om te voorkomen dat deze onbedoeld onder spanning blijven staan. Bijvoorbeeld doordat er een stroomdraad tegenaan komt.
  • Voorbeelden hiervan zijn:
    • Kabelgoten
    • Systeem plafonds
    • Luchtkokers
    • Bedieningskasten
    • Waterleiding

Dubbele isolatie

  • Veel apparaten zijn niet met aarding beschermd tegen onbedoeld onderspanning staan, maar zijn zo geconstrueerd, dat het onwaarschijnlijk is dat de buitenkant onder spanning komt te staan. Dit heet dubbel geïsoleerd.
  • Symbool dubbele isolatie
  • Voorbeelden hiervan zijn:
    • Handgereedschap
    • Föhn
    • Bladblazer
    • Sfeerverlichting

Smeltveiligheden

  • Beveiligen tegen kortsluiting en/of tegen overbelasting
  • Kortsluiting: de stroom is een aantal malen hoger dan de waarde van de automaat.
  • Overbelasting: de stroom is gedurende langere tijd iets hoger dan de waarde van de automaat.

Installatieautomaat

  • In de installatieautomaat zitten twee onderdelen die de automaat uitschakelen. Namelijk:
    • Een spoel tegen een (plotselinge) grote kortsluitstroom (inductief).
    • Een thermisch contact tegen een overbelastingstroom (het opwarmen van het element duurt enige tijd).

Aardlekschakelaars

  • Beveiligen tegen verschilstromen, ofwel (aard)lekstromen

Gevaren met elektriciteit

  • Vlamboog
    • Gevolgen: in- en uitwendige verbrandingen, gehoorbeschadiging, oogbeschadiging, botbreuken etc.
  • Elektrisering
    • Gevolgen: hartfibrillatie, hartstilstand, ademhalingproblemen, in- en uitwendige verbrandingen, vergiftiging.
  • Secundaire gevolgen
    • Verdrinking, beknelling, botbreuken, vallen, etc.

Weerstand van het lichaam

  • De mens fungeert als weerstand. Dit is afhankelijk van:
    1. Uitwendige lichaamsweerstand
    2. Schoeisel en ondergrond
    3. Omgeving
    4. Gelijk- of wisselspanning
    5. Omstandigheden
    6. Lichamelijke gesteldheid

Weerstand van het lichaam voorbeelden

  • Voorbeeld: I=\frac{U}{R} = \frac{230V}{1388+900} = 0{,}1 \text{ Ampère} (ofwel: 100 mili Ampère)
  • De stroomweg via:
  • De lichaamsweerstand t.o.v. de aanraakspanning:
100 \text{ volt} 200 \text{ volt} 300 \text{ volt}
handen - borst 690 \Omega 426 \Omega 230 \Omega
handen - zitvlak 900 \Omega 555 \Omega 300 \Omega
hand - borst 1500 \Omega 925 \Omega 500 \Omega
hand - zitvlak 1650 \Omega 1018 \Omega 550 \Omega
hand - voeten 2250 \Omega 1388 \Omega 750 \Omega
hand - voet 3000 \Omega 1850 \Omega 1000 \Omega
hand - hand 3000 \Omega 1850 \Omega 1000 \Omega

Grenswaarden stroom (wisselspanning) I in mA bij 20-100 Hz

TijdsduurEffecten
0 -0,5onbelangrijk Niet waarneembaar
0 - 1onbelangrijk Begin waarneembare prikkelingen
1 - 10onbelangrijk Pijnlijk samentrekken van spieren
10 - 30minuten Pijnlijk en machteloos
Vanaf 20minuten Bloeddrukstijging, samentrekking en ademhalingsspieren
30 - 50seconden Idem + onregelmatige hartslag en kans op bewusteloosheid en hartfibrillatie
50 - 500< 500 ms Sterke elektroschok effecten
> 500 ms Hartfibrillatie, bewusteloosheid en brandwonden
> 500< 500 ms Sterke elektroschok effecten
> 500 ms Acute hartstilstand, diepe bewusteloosheid en in- en uitwendige verbrandingen.

Invloed van stroom op het menselijk lichaam

  • Een aanraking met de spanning op de opgaande T- periode van het hart, kan voor de mens fataal zijn. Bij de andere periode is de overlevingskans groter.

Elektrisering bij gelijkstroom

  • Loslaatgrens wisselstroom lager dan gelijkstroom
  • Kleinere kans op hartfibrillatie bij gelijkstroom:
    • Tot ca. 25 mA geen schadelijke gevolgen (kortstondig 200mA)
    • Tot ca. 200 mA ademhalingsmoeilijkheden
    • Vanaf 200 mA mogelijk hartstilstand of ademhalingsstilstand

Risico’s gelijkspannnig: elektrische schok

  • Elektrische schok bij spanningen boven 120 volt bij normale omstandigheden gevaarlijk
  • Meeste gelijkspanningsbronnen zijn niet met aarde verbonden. Schok t.o.v. aarde zijn daarmee vrijwel uitgesloten.
  • Grenswaarde gevaarlijke stroom: 200mA

Vlamboog

  • Wat is dit? Een vlamboog is geleiding door de lucht. Geïoniseerd gas (plasma) wordt als geleider gebruikt.
  • In een vlamboog komt erg veel energie vrij.
    • Dynamisch, grote drukverhoging / explosie
      • verspreiding van de gloeiende deeltjes
      • kunststoffen verpulveren
    • Thermisch, vele duizenden graden Celsius
      • ernstige brandwonden
      • metalen smelten, verdampen, exploderen
      • koper neemt 60.000 maal de omvang aan bij explosie
      • brandgevaar

Vlamboog: hoe ontstaat het?

  • Een vlamboog ontstaat wanneer een stroomkring wordt onderbroken. Denk aan het verwijderen van een stekker tijdens gebruik.
  • Ook wanneer er onbedoelde verbinding wordt gemaakt tussen bijvoorbeeld plus en min, of fase en nul, kan er een vlamboog ontstaan.

Vlambogen

  • Lassen is een bedoelde vlamboog. de stroom is lager dan een kortsluitstroom en wordt dus niet door een beveiliging uitgeschakeld
  • Hier ontstond onbedoeld contact tussen kabelschoen en rail. Een niet overtuigende sluiting heeft niet noodzakelijk directe uitschakeling via de beveiliging tot gevolg

Vlambogen

  • Bij een los contact ontstaat geleiding door de lucht. Dit leidt tot vlamboogjes en daardoor verbranding van bedrading en contacten
  • Vervuilde contacten leiden tot geleiding door de lucht, en dus kleine vlamboogjes. Gevolg: verbranding en uitval van installaties
  • Het vlamboogrisico verschilt per situatie. De hoogte van de stroom is leidend.
  • Het vlamboogrisico moet per locatie worden onderzocht, onder verantwoordelijkheid van de Installatieverantwoordelijke.
  • Hoe zwaarder een voeding is, hoe groter het gevaar: een vlamboog in een verdeelkast van een fabriek is vaak heftiger dan op een stopcontact
  • Hoe bij werkzaamheden achter smeltveiligheden hoger dan 80A of automaten hoger dan 25A moet, als er risico op kortsluiting is, beschermende maatregelen worden genomen. Denk hierbij aan geïsoleerde meetpennen.
  • Het vlamboog risico is bij gelijkspanning groter dan bij wisselspanning.
  • Ook kan worden overwogen om bij het storing zoeken tijdelijk lichtere beveiligingen te plaatsen.

RIE voor PBM gebruik

  • Voor alle werkzaamheden moet op basis van een risico-inventarisatie en -evaluatie worden vastgesteld, wat geschikte kleding is en welke persoonlijke beschermingsmiddelen moeten worden toegepast.
  • Voor het bepalen van de juiste bescherming tegen vlambogen kunnen de Duitse norm BGI 5188 of de Amerikaanse normen NFPA 70E met IEEE 1584 worden toegepast.
  • De aanpak hierbij is:
    • eerst aan de hand van de installatiegegevens de vlamboogenergie