Nederlands in de wereld
3.6.1. Inleiding
Het Nederlands is de moedertaal van ongeveer 23 miljoen mensen.
Niet al deze mensen wonen in België of Nederland.
Het Nederlands is een officiële taal in zes landen: België, Nederland, Suriname, Sint-Maarten, Aruba en Curaçao.
Dit gebied wordt aangeduid als het Nederlandse taalgebied.
Het Nederlands heeft ook invloed buiten dit taalgebied.
Afrikaans is een dochtertaal die is gebaseerd op het Nederlands.
Diverse creooltalen hebben hun oorsprong, op verschillende manieren, in het Nederlands.
Het Nederlands heeft zich wereldwijd verspreid met duizenden leenwoorden.
Voorbeeld: Amerikanen gebruiken nog steeds de Nederlandse term 'daalder' bij hun dollars.
3.6.2. Afrikaans
3.6.2.1. Waar?
Afrikaans is een West-Germaanse taal die voornamelijk in Zuid-Afrika en Namibië wordt gesproken.
Hoofdzakelijk gesproken door bijna 7 miljoen moedertaalsprekers in Zuid-Afrika (13,5% van de bevolking).
Afrikaners zijn ongeveer 40% van de sprekers (2,7 miljoen), de rest is voornamelijk 'kleurling' (3,4 miljoen).
600.000 Afrikanen en 59.000 Indiërs spreken het als huistaal.
Het aantal blanke sprekers is sinds 1996 praktisch constant, met groei in andere groepen.
Het is een meerderheidstaal in de provincies Noord-Kaap en West-Kaap, waar het de moedertaal is van de meeste kleurlingen en blanken.
In Namibië heeft 11% van de bevolking het Afrikaans als moedertaal, vooral in Windhoek en de zuidelijke provincies Hardap en !Karas.
ook in landen zoals Australië, Botswana, Canada, Nieuw-Zeeland, het Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten zijn er migranten die het Afrikaans als moedertaal gebruiken.
3.6.2.2. Oorsprong
Afrikaans is ontstaan uit Zuid-Hollandse dialecten die vanuit Nederland zijn geëxporteerd naar de Kaapkolonie vanaf 1652, bij de stichting van Kaapstad.
De taal ontwikkelde zich onder invloed van:
Inheemse volken (Bantoetalen)
Geïmporteerde slaven (Maleis, Portugees)
Andere kolonisten (Duits, Frans, Engels)
Bevat veel leenwoorden uit niet-Europese talen, bv. het Maleis ‘baie’ voor 'veel'.
3.6.2.2.1. Interferentie
Tijdens de kolonisatie heeft het Nederlands een grote invloed gehad op de regio:
Mensen spraken Nederlands, maar ontstonden contacten met andere taalgroepen, zoals inheemse Khoi- en San-talen, Maleis, Portugees en later ook Engels.
Resulteerde in meervoudige interferentie.
Fonologie (Klanken)
De uitspraak van Afrikaans is vereenvoudigd door contact met sprekers van andere moedertalen.
Voorbeeld: het woord 'huis' wordt als [hœs] uitgesproken in plaats van het complexere [hœys] in het Nederlands.
Grammatica
Verlies van verbuigingsvormen zoals naamvallen en werkwoordsvervoegingen.
Dit kan worden toegeschreven aan de invloed van talen met eenvoudigere grammatica.
Woordenschat
Vele woorden zijn overgenomen uit Maleis, Khoisan-talen en later uit het Engels.
Deze interferentie heeft Afrikaans tot een unieke taalvariant gemaakt, los van standaard Nederlands.
3.6.2.2.2. Pidginisering
Het Nederlands fungeerde aanvankelijk als contacttaal tussen Europese kolonisten en slaven en inheemse bevolkingsgroepen.
Noodzaak om veel te communiceren leidde tot vereenvoudiging van het Nederlands.
Eenvoudige grammatica en lexicale invloeden delend contact resulteerde in een basale contacttaal die de basis vormde voor wat later Afrikaans zou worden.
3.6.2.2.3. Creolisering
De contacttaal evolueerde naar een volwaardige moedertaal in verschillende gemeenschappen, wat wijst op creolisering.
Afrikaans werd een officiële taal met een uitgebreidere woordenschat en een meer complexe grammatica.
3.6.2.3. Kenmerken
Orthografie
Tendensen tot vereenvoudiging: ‘y’ voor zowel ‘ei’ als ‘ij’ en ‘ou’ voor ‘au’ en ‘ou’.
Spelling is ook fonetisch.
Fonologie
Veranderingen in klanken: ‘z’ wordt ‘s’, en ‘v’ tussen klinkers wordt ‘w’.
Monoftongering van de ‘ieuw’ en vereenvoudiging van medeklinkerclusters.
Syntaxis
Dubbele negatie (bv. “hij kan nie slaap nie”).
Nevenschikking en reduplicatie.
Huidige tijd ter vervanging van verleden tijd.
Morfologie
Deflexie in werkwoordsvervoegingen, de stam vaak gebruikt.
Verkleinwoorden eindigen steevast op ‘tjie’.
Genitief wordt gevormd door ‘se’.
Er is enkel één lidwoord (die), één betrekkelijk voornaamwoord (wat).
Taalcreativiteit in het maken van nieuwe samenstellingen en nieuwe woorden om Engels tegen te gaan.
Voorbeelden van nieuwe samenstellingen
rimpelstrijk = facelift.
liggaamsbouer = bodybuilder.
3.6.3. Surinaams Nederlands
3.6.3.1. Waar?
Suriname is een veeltalig land.
Enige officiële taal: Nederlands, met Surinaams-Nederlands als lokale variant.
60% van de bevolking (100.000 mensen) spreekt Nederlands als moedertaal.
Surinamers spreken vaak Sranantongo in minder formele situaties, vaak vermengd met Nederlands of andere talen.
Sranantongo is een creooltaal in Suriname en geldt samen met Nederlands als lingua franca, vooral als contacttaal.
Er worden minstens twintig verschillende talen gesproken in Suriname, met een grote meerderheid die meertalig is.
De belangrijkste talen in de volgorde van aantal sprekers: Surinaams-Nederlands, Sranantongo, Sarnami Hindoestani, Javaans en verschillende Marrontalen.
3.6.3.2. Oorsprong
In 1667 veroverde een Zeeuws eskader Suriname op de Engelsen.
Een jaar later komt Suriname officieel in handen van de Republiek.
Engels bleef aanwezig tot de 18e eeuw, evenals andere talen zoals Portugees, Duits en Frans.
De leerplicht, ingesteld in 1876, zorgde ervoor dat Nederlands verplicht werd.
De verhouding tussen Nederlands en Sranan veranderde na dekolonisatie en onafhankelijkheid van Suriname.
Sranan wint aan belang als lingua franca, terwijl het Nederlands steeds belangrijker wordt in onderwijs en formele settings.
In theorie is het onderwijs Nederlandstalig, maar in praktijk wordt vaak de moedertaal gebruikt in de eerste jaren vanwege taalbarrières.
3.6.3.3. Kenmerken
Fonologie
Geronde, bilabiale uitspraak van de ‘w’.
Zachtere ‘g’ dan in Nederland; maar harder dan in Vlaanderen.
Erg rollende ‘r’.
Verstemlozing van ‘v’ en ‘z’ in de uitgesproken ‘f’ en ‘s’ (bv. ‘fogels’).
Deletie van eind-t in clusters.
Verschillende intonatie die het moeilijk maakt voor anderen om vragen te herkennen.
Morfologie
'Die' gebruikt als lidwoord voor substantieven.
Syntaxis
'Gaan' gebruikt in plaats van 'zullen' om naar de toekomst te verwijzen.
Minder gebruik van traditionele passieve constructies.
Verwisseling van grammaticaal geslacht van substantieven.
Vraagzin kan gemarkeerd worden door 'no' achteraan.
3.6.4. Frans-Vlaams
3.6.4.1. Waar?
Frans-Vlaanderen verwijst naar het gebied waar traditioneel Nederlandse dialecten gesproken werden, met de focus op het huidige arrondissement Duinkerke.
De zuidelijke afdeling rond Rijsel (Lille) is Romaanstalig.
3.6.4.2. Oorsprong
De Westhoek werd veroverd door Lodewijk XIV in de 17e eeuw, en raakte definitief geïsoleerd na de Franse Revolutie.
Na dit verbod verdween het Standaardnederlands en bleven regionale dialecten overeind.
3.6.4.3. Kenmerken
Klanken
Klankkenmerken zijn vergelijkbaar met die van West-Vlaams: wegval van de h, behoud van ee en oo in bepaalde woorden.
Ingveoonse kenmerken aanwezig zoals in de woorden pit en dinne.
Woordvorming
Gebruik van Franse achtervoegsels voor beroepsnamen: bijv. groenselier, hoedemakeege.
Typische vlaamse woorden
Bijvoorbeeld ‘fiederdròòt’ voor prikkeldraad.
Archeologische elementen
Behoud van oude woorden zoals 'padde(n)brood' die in andere delen van Vlaanderen zijn verdwenen.