Duits
Dutch - German Word List:
aanbieden = anbieten
het apparaat = der Apparat
de apparaten = die Apparate
in elk geval = auf jeden Fall
in geen geval = auf keinen Fall
opendoen = aufmachen
krijgen = kriegen, bekommen
de gebruiker = der Benutzer, der Nutzer
klagen = sich beschweren
Jij klaagt daarover. = Du beschwerst dich darüber.
de eigenaar = der Besitzer
het beeldscherm = der Bildschirm
het bestand = die Datei
de bestanden = die Dateien
de gegevens = die Daten
iets = etwas
de fout = der Fehler
de fouten = die Fehler
het televisietoestel = der Fernseher
maken, produceren = herstellen
downloaden = herunterladen
Ik download veel van internet. = Ich lade viel vom Internet herunter.
geïnteresseerd zijn in = sich interessieren für
de klant (mannelijk) = der Kunde
de klant (vrouwelijk) = die Kundin
op internet = im Netz, im Internet
noodzakelijk = notwendig
de persoon = die Person
de personen = die Personen
handig = praktisch
de prijs = der Preis
de prijzen = die Preise
voordelig = preiswert
de korting = der Rabatt
de computer = der Computer, der PC, der Rechner
zelfs = sogar
opslaan = speichern
beslist, per se = unbedingt
het verschil = der Unterschied
de verschillen = die Unterschiede
kiezen = wählen, sich entscheiden
laten zien, tonen = zeigen