Nederlands woordenschat
Causaal — betrekking hebbend op oorzaak en gevolg
Basaal — eenvoudig, fundamenteel, van het meest basisniveau
Diffuus — vaag, verspreid, niet duidelijk afgebakend
Discontinue — niet aaneengesloten, met onderbrekingen
Integraal — volledig, totaal, allesomvattend
Incidenteel — af en toe voorkomend, niet regelmatig
Lucratief — winstgevend, financieel aantrekkelijk
Lumineus — schitterend, briljant (meestal gebruikt voor ideeën)
Onorthodox — niet volgens de gewone regels of tradities, afwijkend
Unaniem — iedereen is het ermee eens; zonder tegenstemmen
Stagnatie — het tot stilstand komen; geen groei of vooruitgang
Emissie — uitstoot, vooral van gassen of stoffen
Transformatie — een sterke verandering of omvorming
Paradox — een uitspraak die tegenstrijdig lijkt, maar toch (deels) waar kan zijn
Restricties — beperkingen, regels die iets inperken
Controverse — een discussie of meningsverschil dat veel ophef veroorzaakt
Empirisch — gebaseerd op waarneming of ervaring, niet alleen theorie
Select — zorgvuldig uitgekozen; van hoge kwaliteit
Competentie — vaardigheid of bekwaamheid om iets goed te kunnen
Relatief — vergeleken met iets anders; niet absoluut
Homogeen — gelijksoortig, van dezelfde samenstelling
Heterogeen — ongelijksoortig, samengesteld uit verschillende onderdelen
Impliceren — iets indirect zeggen of betekenen
Legitiem — wettig, rechtmatig, of maatschappelijk aanvaard
Frappant — opvallend, verrassend duidelijk
Lacune — een ontbrekend deel; een leemte of tekort
Conform — in overeenstemming met, volgens
Ethisch — wat te maken heeft met goed en kwaad; moreel verantwoord
Hypothese — een veronderstelling die onderzocht moet worden
Consensus — algemene overeenstemming binnen een groep