psychologie van de veiligheid

PSYCHOLOGIE VAN DE VEILIGHEID

Relevantie van Psychologie in Onveiligheid

  • Psychologie: wetenschappelijke studie van gedrag en mentale processen.

  • Kloof tussen kennis, attitudes en gedrag:

    • Denkfouten

    • Aandacht

    • Executieve functies

    • Leren

Denkfouten
  • Bevestigingsbias: Informatie zoeken die bestaande overtuigingen ondersteunt.

    • Voorbeeld: Iemand die gelooft dat roken niet schadelijk is, zoekt voornamelijk onderzoeken die dit ondersteunen.

Aandacht
  • Verminderde focus: Afleiding kan ervoor zorgen dat iemand geen aandacht besteedt aan gezonde keuzes, zelfs als ze weten dat het belangrijk is.

    • Voorbeeld: Geen aandacht besteden aan voedingswaarde bij afleiding.

Executieve functies
  • Impulsbeheersing: Moeite met zelfcontrole, zelfs met de kennis van wat beter is.

    • Voorbeeld: Impulsief snoepen ondanks de wetenschap dat minder suiker beter is.

Leren
  • Gewoonten: Moeite met het veranderen van gedrag door jarenlange gewoonten en gebrek aan motivatie.

    • Voorbeeld: Blijven vasthouden aan ongezonde gewoonten ondanks de kennis van de voordelen van beweging.

Sociale Media en Adolescentie

  • Denkfouten: Echte vs. fake, intergroepsprocessen, onrechtvaardigheid in besluitvorming.

  • Voorbeeld: Impulsief idee om op een dak te klimmen 'voor het mooie uitzicht'.

  • Uitdagingen in de adolescentie:

    • Executieve functies

    • Persoonlijkheid

    • Conformisme en sociale groepen

    • Prosociaal gedrag

  • Geheugen: Afhankelijk van aandacht.

  • BIO-PSYCHO-SOCIAAL MODEL

Wat is Psychologie (niet)

Psychologie: wetenschappelijke studie van gedrag en mentale processen. wil zo begrijpen, voorspellen en soms ook beïnvloeden hoe mensen denken, voelen en handelen, alleen en in groep.

Subdisciplines van Psychologie

  • Ontwikkelingspsychologie: Studie van gedrag in verschillende levensfasen van de mens.

  • Persoonlijkheidspsychologie: Studie van de mens als individu, verschillen tussen mensen.

  • Psychopathologie: Studie van psychische ziekten.

  • Cognitieve psychologie: Studie van afzonderlijke psychische functies en processen.

  • Neuropsychologie: Studie van hersenfuncties en hun relatie met gedrag.

  • Sociale psychologie: Studie van gedrag van mensen in relatie tot anderen en hun omgeving.

Wat Psychologie Niet Is

  • Intuïtieve mensenkennis, buikgevoel, 'gezond verstand'.

  • Inzichten uit beperkt aantal ervaringen in beperkte kringen en situaties ⇒ Gekleurde veralgemeningen.

  • De ‘psycholoog’ in elk van ons:

    • Empathisch gesprek met vriend in nood

    • Dagelijks taalgebruik ‘ik ben depressief’ ‘dat was traumatisch’ ‘wat een psychopaat’

  • Ongefundeerde pseudowetenschap: verklaringen van menselijk gedrag die niet gebaseerd zijn op wetenschappelijk onderzoek (bv. Horoscopen, grafologie).

  • Kortom: de term psychologie wordt veel gebruikt, maar gaat niet altijd om de wetenschappelijke discipline psychologie

Wetenschappelijke Methoden

  • De empirische cyclus

Kwalitatief Onderzoek

  • Perspectief van de onderzochte, ‘rijke data’ in de diepte.

  • Hoe, wat waar, waarom?

  • Kleinere steekproef (tijdsintensief).

  • Analytische interpretatie.

Kwantitatief Onderzoek

  • Kwantificeren: in cijfers vatten.

  • Hoeveelheid, samenhang, verschil.

  • Binnen vooraf bepaalde antwoordmogelijkheden.

  • Grotere steekproef mogelijk.

  • Statistische analyses.

Interviews

  • Gesprek tussen interviewer en geïnterviewde met vooraf bepaald thema / set vragen.

  • Rapport: band ontwikkelen, veilig klimaat.

  • Open vragen om diep inzicht te krijgen in persoonlijke ervaringen, mening, gevoelens, redenen…

  • Interviewer kan met probes uitnodigen meer te vertellen/verduidelijken

  • Zweedse interviewstudie: Wat is belangrijk voor kwetsbare oudere mensen die thuiszorg nodig hebben om zich veilig te voelen?

    • 12 deelnemers 71–93 jaar, zorgbehoevend en thuis wonend

    • Thuis voelen: bekend terrein, in eigen netwerk, onafhankelijkheid behouden

    • Invloed kunnen uitoefenen: informatie en zeggenschap

    • Zorgpersoneel kunnen vertrouwen: kennis en vaardigheden, eerlijk, taal, tijd

Focusgroepen

  • Kleine groepen deelnemers praten samen over een thema aangebracht door facilitator.

  • Visies en ideeën in interactie vormgegeven – deelnemers (re)ageren en interpreteren samen.

  • Alledaagse taal.

  • Zijn we het eens?

  • Redeneringen en positie onder woorden proberen brengen

  • Thematisch analyseren

Analyse van Focusgroepen

  • Wat wordt er gezegd?

  • In hoeverre is men het eens?

  • Discours analyse

    • Hoe wordt er over het thema gesproken?

    • Verbaal (bv. welke verwoordingen)

    • Non-verbaal (bv. luchtig of verhit gesprek)

Observatiestudie

  • Gedrag observeren in de eigen omgeving van deelnemers of in een situatie opgezet door onderzoekers.

  • Video’s/passief observeren tot actief participeren

  • Kan zaken bestuderen waar mensen zich niet zelf bewust van zijn

  • Paradox van de waarneming: Gedragen mensen zich anders als iemand kijkt?

  • Aandacht en interpretatie van observator?

  • Interbeoordelaarsbetrouwbaarheid

Gevalstudies

  • Volgen van een individu of groep om een bepaalde omstandigheid of gebeurtenis te beschrijven.

  • Zeldzaamheid, niche.

  • Bv. Interviews met een seriemoordenaar of pleger van terroristische aanslag.

  • Bv. Phineas Gage 1848

Archiefdata

  • Analyseren van bestaande data.

  • Grootschalige datasets.

  • Documenten, brieven, teksten.

  • Beelden

Drie Types van Valse Bekentenissen

  1. Vrijwillig: valse bekentenis zonder druk politie

  2. Gedwongen meewerkend: persoon weet dat die onschuldig is, maar bekent omwille van ondervraging

  3. Gedwongen geïnternaliseerd: ondervragingstechnieken overtuigen persoon van eigen schuld

Vragenlijsten

  • Deelnemers bevragen.

  • Vaak met vooraf bepaalde antwoordmogelijkheden.

  • Voordelen:

    • Niet-observeerbaar gedrag te bevragen (ervaringen, meningen).

    • Eenvoudig, groot bereik.

    • Gemakkelijke statistische verwerking

  • Uitdagingen:

    • Wie doet mee: Hoeveel mensen? Representatieve groep?

    • Wil en kan de ondervraagde zichzelf inschatten? Sociale wenselijkheid?

    • Begrijpt iedereen de vragen? Op dezelfde manier?

  • Beschrijvende resultaten en test resultaten

Verbanden tussen metingen

  • Om fenomenen te begrijpen willen we vaak niet enkel een beschrijving, maar ook samenhang tussen metingen kennen

  • Daarvoor kijken we naar correlaties: verbanden tussen variabelen

  • Bv. Verband tussen je veilig voelen en hoe streng het veiligheidsbeleid in je stad is?

  • Een correlatie zegt ons iets over samenhang, maar niets over oorzaak en gevolg!

Richtingen van Verband

  • Een verband kan:

    • a) In verschillende richtingen werken

      • Fictief voorbeeld: stel dat de correlatie -0.40 is

        • ABA \longrightarrow B? Een streng veiligheidsbeleid zorgt voor minder veilig gevoel?

        • BAB \longrightarrow A? Burgers die zich minder veilig voelen, stemmen strenger beleid?

        • ABA \longleftrightarrow B? Beide zaken versterken elkaar?

    • b) door een derde variabele veroorzaakt zijn

      • Bv: Positieve correlatie tussen aantal aanwezige brandweerlieden en brandschade aan woning

    • c) toevallig zijn

  • Longitudinaal onderzoek kan al wat inzicht geven

Experimenten

  • Oorzakelijke verbanden onderzoeken

    • de onafhankelijke variabele of predictor manipuleren in condities

    • de afhankelijke variabele of uitkomstmaat meten

    • storende variabelen proberen controleren

      • buiten manipulatie alles constant houden

      • deelnemers random toewijzen aan conditie

  • Studie: impact van een aanvallende ontmoeting

    • Mannelijke deelnemers uit zuidelijke Verenigde Staten ‘eercultuur’ noordelijke Verenigde Staten

    • Procedure:

      • vragenlijsten invullen naar ander lokaal brengen

      • Meting: hormonen in speeksel

  • Psychologische studies kunnen dus ook gebruik maken van fysiologische metingen

Fysiologische Metingen

  • Hormonen

  • Hersenscans

  • Hartslag

  • Huidgeleiding

  • Grafieken van testosteron en cortisol niveaus bij deelnemers uit noordelijke en zuidelijke staten in controle vs. beledigende condities

Kanttekeningen bij Experimenten

  • Sterk voor causale relaties, maar niet altijd mogelijk/ethisch bv. Religie, discriminatie, aantal seksuele partners als OV?

  • Evenwichtsoefening

    • Interne validiteit: kan je zeker zijn dat het verband niet door andere factoren verklaard wordt?

      • storende variabelen uitsluiten, zo veel mogelijk controle

    • Externe validiteit: veralgemeenbaar? geldt dit ook in het echte leven

      • zo dicht mogelijk aanleunen bij werkelijkheid, daardoor zijn er vaak ook storende variabelen

  • Veldexperimenten: Experiment uitgevoerd in echte leven

    • Hogere externe validiteit, lagere interne validiteit

  • Studie: Discriminatie tov mensen met een strafblad op de arbeidsmarkt?

    • Methode: 2 cv’s gestuurd naar meer dan 1000 vacatures equivalent in kenmerken, vaardigheden, werkervaring

      • manipulatie: vermelding strafblad of niet

      • Meting: uitnodiging gesprek of niet?

    • Resultaat:

      • Strafblad 15.7% uitgenodigd

      • Geen strafblad 18.3% uitgenodigd (p=.01p = .01)

Methode Keuze

  • Elk sterktes en beperkingen

  • Keuze afhankelijk van onderzoeksvragen

  • Bewust zijn van voor- en nadelen, wat wel en niet te concluderen valt

  • Combinatie van verschillende methoden om beperkingen op te vangen

Hechting, Psychosociale en Emotionele Ontwikkeling

Hechting
  • Hechting verwijst naar de emotionele band die zich ontwikkelt tussen een individu, meestal een kind, en een specifieke ander, vaak een ouder of verzorger. Deze band is gebaseerd op vertrouwen, nabijheid en wederzijdse interactie en vormt de basis voor emotionele veiligheid en sociale relaties.

  • Hechting gaat over het verlangen naar nabijheid en contact met de gehechtheidsfiguur, vooral in tijden van stress of onzekerheid.

  • Hechting start prenataal, postnataal verderzetting met baby als actieve partner.

  • Bowlby

Kernpunten Bowlby
  1. Hechting als biologisch instinct.

  2. Een sensitieve en responsieve verzorger biedt het kind een veilige basis.

  3. Kritieke periode: de eerste levensjaren (vooral de eerste twee) zijn essentieel voor het vormen van een sterke hechtingsband.

  4. Interne werkmodellen: het kind ontwikkelt mentale schema’s over zichzelf, anderen en relaties op basis van de vroege interacties met de verzorger

Voorbeeld
  • Stel je voor een situatie waarin een ouder, laten we zeggen een moeder, zich bewust is van het belang van een veilige hechting en haar kind liefdevol wil ondersteunen.

    • Kennis: De moeder weet uit boeken en advies van pedagoog dat een hechte, betrouwbare band tussen haar en haar kind cruciaal is voor de emotionele en sociale ontwikkeling van het kind.

    • Attitude: Ze heeft positieve gevoelens over de waarde van gehechtheid en wil het beste voor haar kind, en gelooft dat consistent aanwezig zijn belangrijk is.

    • Gedrag: Ondanks deze kennis en attitude, komt ze vaak in de verleiding om haar werk of andere verplichtingen voorrang te geven. Dit leidt tot onregelmatige bedtijdroutines, waarbij het kind zich soms onzeker voelt omdat de moeder niet altijd op dezelfde tijd of manier aanwezig is. Dit creëert een inconsistente hechtingservaring, ondanks haar verlangen om haar kind veilig en liefdevol op te voeden.

  • In dit voorbeeld zie je de kloof tussen de kennis die de moeder heeft over het belang van een veilige hechting, haar positieve houding hierover, en het feit dat haar gedrag (door externe stress en afleiding) niet altijd overeenkomt met haar intenties.

Ainsworth
  • Procedure ontwikkeld om de kwaliteit van gehechtheidsrelaties na te gaan: “de Vreemde- situatietest”

    • Het kind speelt eerst met moeder of een andere hechtingspersoon in een onbekende kamer

    • Dan komt een voor het kind onbekende volwassene binnen die wat praat met de moeder.

    • Vervolgens gaat moeder de kamer uit zonder van haar kind afscheid te nemen.

    • Het kind blijft alleen met die vreemde achter. Er wordt geobserveerd hoe het kind hierop reageert, hoe erg het van streek raakt, of het weer gaat spelen, enzovoort.

    • De belangrijkste gedragsobservatie komt pas daarna, als moeder weer terugkomt. Hoe reageert het kind dán? Daaruit wordt afgeleid of het zich veilig dan wel onveilig gehecht gedraagt.

Voorbeeld Vreemde Situatietest
  • Stel je voor: Een kind speelt in een kamer met zijn moeder. De moeder verlaat de kamer tijdelijk, en het kind reageert op verschillende manieren:

    • Veilige hechting: Het kind is een beetje verdrietig, maar kalmeert snel en speelt verder zodra de moeder terugkomt.

    • Angstige hechting: Het kind wordt erg overstuur en is moeilijk te troosten, zelfs als de moeder terug is.

    • Vermijdende hechting: Het kind lijkt niet veel te merken dat de moeder weg was en speelt verder zonder veel reactie bij haar terugkomst.

  • Veilige en onveilige hechting

Hechtingsstijlen

  • Hechtingsstijlen: het werkmodel dat het meest prominent aanwezig is bij een persoon

    • A. Veilige hechting

    • B. Vermijdende hechting

    • C. Angstig-ambivalente hechting

    • D. Gedesorganiseerde hechting

  • Veilige en onveilige hechting

    • veilige hechting (ong. 60% van de kinderen)

      • Hechtingsfiguur = veilige ‘haven’

      • Er is afstemming tussen moeder en kind.

      • Het kind krijgt ruimte om te exploreren en de wereld te ontdekken, maar vindt ook geborgenheid en steun bij de hechtingsfiguur (zeker op emotioneel moeilijke momenten)

      • Gedrag volwassen hechtingsfiguur:

Veilige Hechting Gedrag
  • Sensitief, consequent, geïnteresseerd, voorspelbaar, betrouwbaar, stimuleren én veiligheid bieden & troosten indien nodig.

  • Voor een veilige hechting en het voorkomen van gehechtheidsproblemen, zijn drie dingen belangrijk:

    • Sensitief reageren: de ouder moet openstaan voor signalen van het kind en daar positief op reageren.

    • Continuïteit: het aantal primaire opvoeders dat voor het kind zorgt is bij voorkeur niet te groot en wisselt niet te vaak.

    • Mentaliseren: ouders kunnen gevoelens en gedachten van het kind herkennen en erkennen.

      • Bijvoorbeeld: 'Ik zie dat je moe bent, zullen we even samen een boekje lezen?' Of: 'Ik zie dat jij steeds bozer wordt, laten we even afkoelen.'

    • Vermijdende hechting (ong. 20% van de kinderen)

      • Er is een zekere afstand tussen hechtingsfiguur en kind, wat vooral opvalt op emotioneel moeilijke momenten.

      • Er is emotionele terughoudendheid, terwijl er onderliggend wel een behoefte aan nabijheid bestaat.

      • Het kind gedraagt zich vaak alsof het prima zonder de ouder kan en richt zich meer op activiteiten dan op relaties.

      • Gedrag volwassen hechtingsfiguur:

Vermijdende Hechting Gedrag Ouders
  • Afwijzend, afstandelijk, niet goed in staat negatieve emoties van het kind te aanvaarden.

  • Ongevoelig voor blijken van angst of verdriet van het kind, niet de nodige geruststelling of steun kunnen bieden.

  • Angstig-Ambivalente hechting (ong. 10 à 15% van de kinderen)

    • Het kind is sterk afhankelijk van de verzorger en zoekt vaak intensief contact en nabijheid (bv. blijft op schoot, gaat niet spelen), overmatige angst bij scheiding, tegenstrijdig gedrag (bv. naar de ouder rennen voor troost, maar zodra de ouder het oppakt, zich wegdraaien of zich verzetten tegen fysiek contact)

    • Gedrag volwassen hechtingsfiguur:

Angstig Ambivalente Hechting Gedrag Ouders
  • Inconsistentie in de beschikbaarheid. Overbezorgd of zelf zorg nodig.

  • Ze hebben vaak zelf moeite met het reguleren van hun emoties en reageren daardoor wisselend op de behoeften van het kind.

  • Gedesorganiseerde hechting (ong. 5 à 10% van de kinderen)

    • Een combinatie van vermijdend, ambivalent en angstig gedrag.

    • Mogelijk is het kind bang van de verzorger.

    • De houding van het kind kan snel omslaan (bv. plots bevriezen, of plots een woede- uitbarsting krijgen).

    • Het kind vertoont vaak extreme emotionele reacties.

    • Of het kind is apathisch, lijkt niets te voelen.

    • Gedrag volwassen hechtingsfiguur:

Gedesorganiseerde hechting Gedrag Ouders
  • De ouder kan gewelddadig, intimiderend of angstaanjagend zijn, bijvoorbeeld door fysieke of emotionele mishandeling; heeft vaak zelf trauma’s of hechtingsproblemen.

  • De ouder kan emotionele lasten of angstprojecties overbrengen op het kind

  • Bouwstenenmodel

    • Maakt de behoeften van het kind in de ontwikkeling zichtbaar, gekoppeld aan oudertaken die de ontwikkeling van veilige hechting ondersteunen.

    • De ’eerste 1000 dagen’ zijn cruciaal voor de ontwikkeling, gezondheid en het welzijn voor het verdere leven

Aandacht voor Preconceptie
  • Extra aandacht voor preconceptie en zwangerschap in dit model: Preconceptie: is er een kinderwens? Is er bewustzijn over eigen kwaliteiten en kwetsbaarheden, hechting met eigen ouders,… Tienerzwangerschap, complicaties tijdens zwangerschap, negatieve gevoelens, erg veel stress… kunnen deze fase bemoeilijken

  • Rol van hechting in latere relaties en gedrag

Impact Hechting op Latere Relaties en Gedrag

  • Mensen die veilig gehecht zijn ervaren en vertonen meer positieve emoties, minder negatieve emoties. Er is ook een betere emotieregulatie.

    • Vermijdend: gaan emoties meer onderdrukken

    • Angstig-ambivalent: gaan emoties intensifiëren, worden overspoeld

  • Mensen die veilig gehecht zijn hebben adequatere copingmechanismen (bv. ze delen hun problemen, schakelen sneller hulp in van anderen,..)

    • Vermijdend: zoeken afleiding (groter risico op verslaving), lopen weg van problemen, proberen alles alleen op te lossen

    • Angstig-ambivalent: overdreven zoeken naar bevestiging of geruststelling bij anderen, emotionele escalatie, panikeren, overmatig piekeren

  • Mensen die veilig gehecht zijn, hebben kwalitatief betere relaties. Er is een goede balans tussen zelfstandigheid en afhankelijkheid; geven en nemen. Er is openheid en empathie. Voldoende sterk zelfbeeld.

    • Vermijdend: moeite met emotionele intimiteit en nabijheid; neiging om afstand te houden of zich terug te trekken, vooral bij conflicten. Sterke nadruk op onafhankelijkheid en autonomie. Weerstand om gevoelens te delen of zich kwetsbaar op te stellen.

    • Angstig-ambivalent: overmatige behoefte aan bevestiging en nabijheid. Angst voor verlating of afwijzing. Neiging tot jaloezie of overdenken van de relatie. Intense focus op de ander.

Psychosociale Ontwikkeling

  • Psychosociale ontwikkeling verwijst naar de veranderingen in iemands psychologische en sociale functioneren gedurende het leven.

  • Psychosociale ontwikkeling helpt ons te begrijpen hoe mensen emotioneel en sociaal groeien en hoe ze omgaan met uitdagingen in hun relaties, werk, en zelfbeeld. Het benadrukt ook hoe vroegere ervaringen invloed kunnen hebben op latere fasen van het leven.

  • Stadiamodel van Erikson

Stadia Model van Erikson
  • Erikson verdeelde de psychosociale ontwikkeling in acht stadia

  • Elk stadium wordt gekenmerkt door een specifieke uitdaging of conflict die de persoon moet oplossen.

  • Het succesvol oplossen van deze conflicten leidt tot groei en versterking van de persoonlijkheid: een extra stukje “egosterkte”

  • Een negatieve uitkomst kan echter leiden tot moeilijkheden in latere stadia.

  • Kernconflict adolescentie = identiteit versus identiteitsverwarring

    • Rollen uitproberen

    • Kenmerkend aan adolescentie = zoeken naar ego-identiteit

      • Wat maakt mij uniek?

      • Wat zijn mijn sterke en zwakke kanten?

      • Wat wil ik in de toekomst?

    • Rolverwarring: zekerheden uit de vorige fasen vallen weg

    • Positieve pool: bewustzijn van eigen uniekheid en eigen capaciteiten

Zoeken en Experimenteren

  • Actief zoeken en experimenteren  vorming van een stabiele en geïntegreerde identiteit

  • Negatieve pool: onvermogen om de juiste rollen in het leven te identificeren

  • Geen stabiele identiteit:

    • Identiteitsverwarring

    • Sociaal onaangepastheid en delinquentie

  • Leeftijdsgenoten en het opbouwen van relaties spelen een belangrijke rol bij het bepalen van een identiteit

  • Experimenteren met verschillende rollen en keuzes

Model van Marcia
  • Identiteitsvorming vindt plaats door middel van 2 processen:

    1. Exploratie (crisis): Het onderzoeken en uitproberen van verschillende rollen, waarden en overtuigingen.

    2. Binding (commitment): Het maken van een keuze en zich daaraan binden.

  • Op basis van de mate van exploratie en binding identificeerde Marcia vier identiteitsstatussen

Identiteitsstatussen (Marcia)
  1. Identity achievement

    • + exploratie, + binding

    • Zelfverzekerdheid, stabiliteit en een sterk gevoel van richting. De persoon weet wie hij/zij is en waar hij/zij naartoe wil.

  2. Identity foreclosure (vervroegde binding)

    • - exploratie, + binding

    • Conformiteit en gebrek aan eigen initiatief. De keuzes zijn eerder opgedrongen dan zelf ontdekt.

  3. Moratorium

    • + exploratie, - binding

    • Twijfel, experimenteren, en zoeken naar antwoorden. Dit is vaak een periode van onzekerheid en crisis.

  4. Identity diffusion

    • - exploratie, - binding

    • Vaak weinig richting, besluiteloosheid, en een gevoel van desinteresse.

Risico's Identiteitsdiffusie
  • Risico’s van (te lange periode) identiteitsdiffusie:

    • Gebrek aan richting en doel

    • Kwetsbaarheid voor negatieve invloeden

    • Lage zelfwaardering en identiteitsverwarring

    • Problemen in (sociale) relaties

    • Middelenmisbruik en escapisme

    • Moeilijkheden met werk en studie

    • Problemen met psychische gezondheid, zoals depressie, angststoornissen of gevoelens van existentiële leegte

Jongeren Helpen Ontwikkelen Identiteit
  • Hoe kunnen jongeren geholpen worden bij hun identiteitsontwikkeling?

    1. Creëren van een veilige en ondersteunende omgeving

    2. Positieve rolmodellen en begeleiding

    3. Ondersteuning bij het verkennen van interesses en talenten

    4. Aanmoedigen van reflectie en zelfkennis (bv. wat geeft jou energie? Wie wil je zijn over 5 jaar?…)

    5. Identiteitsexperimenten: help jongeren verschillende rollen en interesses uit te proberen (vb. hobby’s, vriendschappen, vrijwilligerswerk).

    6. Sociale activiteiten: Betrek hen bij groepsactiviteiten waarin ze een gevoel van verbondenheid kunnen ontwikkelen.

    7. Versterken van veerkracht en adequate copingvaardigheden

    8. Professionele begeleiding waar nodig

Emotionele Ontwikkeling
  • Emotionele ontwikkeling: Het proces waarbij een persoon leert om emoties te herkennen, begrijpen, uiten en reguleren. Dit begint al vanaf de geboorte en ontwikkelt zich verder gedurende het hele leven.

  • Emotieregulatie: Het vermogen om emoties op een gepaste manier te beheersen en uit te drukken. Dit betekent niet het onderdrukken van emoties, maar het effectief omgaan met gevoelens zodat ze niet leiden tot impulsief of destructief gedrag

Leeftijdspecifieke Emotionele Ontwikkeling

  • Baby en peuter:

    • Vanaf de geboorte basisemoties aanwezig

    • Door interactie met ouders/verzorgers leert een kind emoties uiten en begrijpen.

    • Hechting speelt een grote rol in hoe een kind emoties leert reguleren: de verzorger is noodzakelijk om hen emoties te helpen reguleren (bv. troosten)

    • Het Still Face Experiment, ontwikkeld door Edward Tronick in de jaren 70, toont aan hoe belangrijk ouder-kindinteractie is voor de emotionele ontwikkeling van een baby.

  • Kleuter:

    • Kinderen leren emoties te benoemen en begrijpen dat anderen verschillende emoties kunnen voelen.

    • Begin van zelfregulatie: een kind kan zichzelf troosten of afleiden

  • Lagere schoolkind:

    • Ontwikkeling van emotieregulatiestrategieën (adequaat of niet-adequaat).

    • Kinderen kunnen emoties onderdrukken of aanpassen (bijvoorbeeld niet huilen in de klas).

    • Impulscontrole is nog niet volledig ontwikkeld, dus sommige kinderen reageren nog erg direct op emoties.

    • Bepaalde situaties zoals conflicten met vrienden kunnen stress en sterke emotionele reacties oproepen.

  • Adolescentie:

    • Complexere emoties zoals schaamte, schuld en trots ontwikkelen zich verder.

    • Emoties worden intenser ervaren en regulatie ervan kan moeilijker zijn. Dit komt door een combinatie van biologische, psychologische en sociale veranderingen.

    • Invloed van leeftijdsgenoten en sociale vergelijking neemt toe.

  • Volwassene:

    • Emotionele intelligentie groeit: beter omgaan met stress, conflicten en emoties van anderen.

    • Bewustere keuzes in hoe emoties worden geuit en gereguleerd.

  • → emotieregulatie is een belangrijke basis voor mentale gezondheid

Cognitieve en Morele Ontwikkeling

Cognitieve Ontwikkeling

  • Stadia van piaget

    • Het algemene uitgangspunt van dit model is dat kinderen actief kennis construeren door interactie met hun omgeving.

    • Piaget benadrukt dat cognitieve ontwikkeling een stapsgewijs proces is waarin het kind de wereld leert begrijpen en steeds complexere denkvaardigheden ontwikkelt.

  • 4 stadia in de cognitieve ontwikkeling:

    • 0-2 jaar: SENSOMOTORISCHE FASE

    • 2-7 jaar: PREOPERATIONELE FASE

    • 7-12 jaar: CONCREET-OPERATIONELE FASE

    • 12+: FORMEEL-OPERATIONELE FASE

Sensomotorische Fase (0-2 jaar)

  • Het kind leert de wereld kennen door zintuigen (zien, horen, voelen) en motorische handelingen (grijpen, kruipen, lopen,…).

  • Een cruciaal concept dat in de sensomotorische fase ontstaat, is objectpermanentie: een baby beseft dat een object of persoon blijft bestaan, ook al is deze uit het zicht verdwenen.

  • Bijvoorbeeld: een baby die een speeltje zoekt dat onder een deken is verstopt, toont begrip van objectpermanentie.

Sensomotorische Fase Leerproces
  • Exploratie en nieuwsgierigheid: kinderen in de sensomotorische fase zijn van nature nieuwsgierig en verkennen hun omgeving actief. Dit helpt hen om oorzaak-gevolgrelaties te begrijpen en basiskennis op te bouwen over hoe de wereld werkt.

  • Probleemoplossend vermogen: door te experimenteren met verschillende acties en de resultaten daarvan te observeren, ontwikkelen kinderen hun probleemoplossende vaardigheden. Ze leren bijvoorbeeld dat ze een speeltje kunnen bereiken door een obstakel te verplaatsen.

  • Sociale interactie: interactie met verzorgers en andere mensen speelt een belangrijke rol bij het leren. Kinderen leren door nabootsing en door te reageren op de reacties van anderen.

Preoperationele Fase (2-7 jaar)

  • Het kind ontwikkelt symbolisch denken = objecten en gebeurtenissen mentaal voorstellen (bijvoorbeeld door taal en verbeelding).

  • Kinderen in deze fase hebben een rijke fantasie en kunnen nog niet goed het onderscheid maken tussen fantasie en realiteit

Beperkingen preoperationele fase:
  • Denken is egocentrisch: moeite om perspectieven van anderen te begrijpen

  • Denken is onlogisch: ze maken nog veel denkfouten= egocentrisch

  • Denkfouten:

    • Centratie

    • Gebrek aan conservatiebegrip

    • Irreversibiliteit

    • Magisch denken

    • Overgeneraliseren

Magisch Denken
  • Kleuters kunnen geloven dat:

    • hun gedrag, gedachten of wensen gebeurtenissen kunnen veroorzaken

    • bepaalde handelingen of rituelen een effect kunnen hebben op gebeurtenissen

    • Levenloze objecten intenties en gevoelens hebben

  • Kleuters hebben een sterke verbeeldingskracht en gebruiken deze om de wereld om hen heen te begrijpen.

  • Omdat ze nog geen volledige controle hebben over hun omgeving en gebeurtenissen vaak onvoorspelbaar zijn, gebruiken ze magisch denken om een gevoel van controle en begrip te krijgen.

Voorbeeldvraag

*