FRANS 15-19

admettre, toelaten, aanvaarden, toegeven

adresser quelqu'un, iemand aanspreken

approuver, goedkeuren, goedvinden

autoriser, toegeven, erkennen

compenser, compenseren

réconforter, opbeuren

convaincre quelqu'un de quelque chose, iemand van iets overtuigen

prévenir, waarschuwen, voorkomen, verhinderen

encourager quelqu'un à faire quelque chose, iemand aanmoedigen iets te doen

Est-il permis de ..., Is het toegestaan te...?

être d'accord sur quelque chose, het eens zijn over iets

être obligé de (partir), verplicht zijn te (vertrekken)

exigeant, exigeante, veeleisend

exiger, eisen, vereisen

exiger quelque chose de quelqu'un, iets eisen van iemand

flatter, vleien

gagner la confiance de quelqu'un, iemands vertrouwen winnen

défendre, verbieden, verdedigen

défendu, défendue, verboden

interroger, ondervragen, overhoren

les consignes (f), de richtlijnen, voorschriften

mener / guider, leiden

observer, naleven, zich houden aan

ordonner (de partir), iemand bevelen (te vertrekken)

prier / solliciter, verzoeken

proposer, voorstellen

rassurer, geruststellen

réciproque, wederkerig, onderling

réunir, verenigen, herenigen

s'entraider, elkaar helpen

s'impliquer, betrokken raken

se permettre de (dire), zich veroorloven te (zeggen)

sympathiser, sympathiseren

tomber d'accord, het eens worden

un engagement, een verbintenis, engagement

un mot de remerciement, een woord van dank

un prétexte, een voorwendsel

une autorisation / un permis, een vergunning

une carte de visite, een visitekaartje

une directive, een richtlijn

une exigence / une demande, een eis, een aanvraag

une marque (d'amitié), een blijk (van vriendschap)

une mesure, een maatregel

une norme / une règle, een norm, regel, standaard

attaque, aanvallen, overvallen

déranger, hinderen, storen

embêter, vervelen, lastigvallen

insister, aandringen

interrompre, onderbreken

ironique, ironisch

l'ironie (f), de ironie

la critique, de kritiek

la protestation, het protest

mentir, liegen

protester, protesteren

provoquer, uitdagen, provoceren, veroorzaken

se battre avec (quelqu'un), vechten met (iemand)

se disputer, ruzie maken

se disputer avec quelqu'un, ruzie maken met iemand

se fâcher, boos worden

se plaindre, klagen

tricher, bedriegen, vals spelen

tromper, vreemd gaan, bedriegen

un adversaire, une adversaire, een tegenstander

un critiqueur, une critiqueuse, een criticaster, vitter

un ennemi, une ennemie, een vijand

un menteur, une menteuse, een leugenaar, leugenaarster

une attaque, een aanval

une bataille, een strijd

une dispute, een ruzie

agacer, irriteren

avouer, bekennen, opbiechten, biechten

critiquer, kritiek geven

inciter, aansporen

maintenir, beweren, volhouden

menacer, bedreigen

menacer quelqu'un de quelque chose, iemand bedreigen met iets

s'opposer à, tegenwerpen, afkeuring laten blijken

se quereller, ruzie maken

se vanter, opscheppen

trahir, verraden

un combat, een gevecht

une injure, een scheldwoord

une lutte, een gevecht

une menace, een bedreiging

une querelle, een ruzie

se battre / lutter / combattre, vechten

accuser, beschuldigen, de schuld geven van

gifler, iemand slaan met open hand

gratter, krabben

intervenir, tussenbeide komen, ingrijpen

irriter, irriteren

isoler, afzonderen, isoleren

mordre, bijten

pousser, duwen

secouer, door elkaar schudden

tirer, trekken, schieten

abattre, neerschieten

tuer, doden

un coup de poing, een vuistslag

un coup de pied, een schop

accepter un défi, een uitdaging aannemen

assommer, neerslaan

exclure, uitsluiten

insulter, beledigen

la résistance, het verzet

la vengeance, de wraak

résister, zich verzetten

se défendre, zich verdedigen

un défi, een uitdaging

une claque / une gifle, een slag (met open hand)

(se) venger (zich), wreken

accueillir, verwelkomen, ontvangen

avoir un rendez-vous, een afspraak hebben

inviter, uitnodigen

rencontrer, ontmoeten

sortir (avec un ami), uitgaan (met een vriend)

un accueil / une réception, een ontvangst, onthaal

un invité, une invitée, een genodigde, gast

un rendez-vous, een afspraak

un visiteur, een bezoeker

une conversation, een onder

houd, gesprek

une invitation, een uitnodiging

une rencontre, een ontmoeting

une réunion, een samenkomst, vergadering

une visite, een bezoek

visiter, bezoeken

assister à (une réunion), (een vergadering) bijwonen

se réunir / se rassembler, verzamelen, samenkomen

se revoir, elkaar weerzien

sortir avec quelqu'un, een relatie hebben met iemand

une séance / une session, een zitting

visiter quelqu'un, een bezoek brengen aan iemand

l'expéditeur (m), l'expéditrice (f), de afzender

le courrier, de post

le courrier électronique / le courriel, de elektronische post, e-mail

le/la destinataire, de geadresseerde, bestemmeling

le papier à lettres, het briefpapier

renvoyer, terugzenden

un bureau de poste, een postkantoor

un code postal, een postcode

un colis postal / un paquet, een postpakket, pak

un correspondant, une correspondante, een pennenvriend, pennenvriendin

un guichet, een loket

un timbre, een postzegel

une boîte aux lettres, een brievenbus

une carte postale, een prentbriefkaart

une enveloppe, een enveloppe, omslag

une lettre, een brief

mettre l'adresse, adresseren (aan)

une correspondance, een briefwisseling

correspondre avec quelqu'un, corresponderen met

le service postal / la poste, de post

un cachet de la poste, een poststempel

un envoi par/en exprès, een spoedbestelling

un rappel, een (eerste) aanmaning tot betalen

un recommandé, een aangetekende zending

Au revoir, Tot ziens. Tot weerziens.

Avec plaisir, Graag.

Sois / soyez le bienvenu / la bienvenue, Wees welkom.

Bon séjour, Prettig verblijf.

Bon / joyeux anniversaire, Gelukkige verjaardag.

Bonjour / Salut, Goedendag. / Hallo

Bonne année, Gelukkig Nieuwjaar.

Bonne chance, Veel geluk.

Bonne journée. / bonne route, Prettige dag.

Bonne route / Bon voyage, Goede reis.

Bonne nuit, Goedenacht. / Welterusten.

Bonsoir / Bonne soirée, Goedenavond.

C'est dommage, Het is jammer.

Ça ne fait rien. / Ce n'est pas grave, Dat geeft niets. / Dat is niet erg

D'accord, Akkoord. / Goed.

De toute façon, Hoe dan ook.

Enchanté, enchantée. / Ravi, ravie, Aangenaam.

Félicitations, Proficiat. / Gefeliciteerd;

Il n'y a pas de quoi, Geen dank. / Tot uw dienst

Je n'y peux rien, Ik kan / kon er niets aan doen/

Je vous en prie, Graag gedaan.

Je vous souhaite tout le meilleur, Ik wens je het allerbeste.

Joyeuses Pâques, Vrolijk/zalig paasfeest.

Joyeux Noël, Vrolijk kerstfeest.

Magnifique, Prachtig. / Fijn. / prima. / Tof.

Malheureusement ..., Helaas.

Merci , Dank je. / Dank u.

Merci beaucoup, Heel erg bedankt.

Naturellement, Natuurlijk. / Vanzelfsprekend.

Pardon, Excuseer me. / Pardon. / Sorry.

Que voulez-vous dire ?, Wat bedoelt u?

S'il vous plaît. / S'il te plaît, Alstublieft. / Alsjeblieft

Tant pis, (informeel) Dat is dan jammer. / Pech gehad. / Niets

Cela m'est complètement égal. /

Je m'en fiche complètement (informeel).

Dat kan me helemaal niet schelen.

Cela va sans dire. / Cela va de soi, Dat spreekt vanzelf.

Évidemment, Natuurlijk. Vanzelfsprekend.

Mon Dieu, Lieve hemel.

Sans (aucun) doute, Ongetwijfeld. / Beslist.

Mes sincères condoléances, Innige deelneming.

un acteur, une actrice, een acteur, actrice

un agent de police / un policier, une policière, een politieagent(e)

un ambassadeur, une ambassadrice, een ambassadeur, ambassadrice

un artiste, une artiste, een kunstenaar, kunstenares

un avocat, une avocate, een advocaat, advocate

un/une baby-sitter / un/une garde d'enfant(s), een babysitter

un boucher, une bouchère, een slager

un boulanger, une boulangère, een bakker

un camionneur, une camionneuse, een vrachtwagenchauffeur

un capitaine, een kapitein

un chanteur, une chanteuse, een zanger, zangeres