Geschiedenis B3
De Macht en Expansie van Karel de Grote
Karel de Grote (-) breidde het Frankische Rijk enorm uit door gebieden te veroveren die voorheen tot het Romeinse Rijk behoorden, evenals gebieden aan de Rijn en de Donau.
Op kerstdag in het jaar werd Karel door paus Leo III in Rome tot Keizer gekroond. Dit herstelde symbolisch het West-Romeinse Rijk en versterkte de band tussen de Kerk en de staat.
Missioneringswerk: Karel streefde naar de kerstening van heidense volken, zoals de Saksen. Dit ging vaak gepaard met de 'Saksenoorlogen', een bloedige strijd die meer dan jaar duurde.
Politieke Motieven: Bekering was niet enkel religieus; Karel geloofde dat een gedeeld geloof essentieel was voor de stabiliteit en loyaliteit binnen zijn uitgestrekte rijk.
Bestuur en de Karolingische Renaissance
Kloosters en Onderwijs: Karel stichtte talloze kloosters die fungeerden als centra van kennis. Hij introduceerde de 'Karolingische minuskel', een gestandaardiseerd en leesbaar handschrift, om de administratie en het kopiëren van teksten te verbeteren.
Zendgraven (Missi Dominici): Om te controleren of de lokale graven zijn wetten (capitularia) wel uitvoerden, stuurde Karel inspecteurs rond die rechtstreeks aan hem rapporteerden.
Rechtspraak: Graven hadden de taak om namens de koning recht te spreken en de orde in hun grensgebieden of provincies te handhaven.
Het Feodalisme (Leenstelsel)
Leenheer en Leenman: Karel maakte gebruik van vazalliteit. Een leenman (vazal) beloofde trouw en militaire steun aan de leenheer (koning). In ruil hiervoor ontving de vazal een 'leen' (beneficium), meestal in de vorm van land.
De Ridderstand: Graven leenden delen van hun land weer uit aan ridders. Deze ridders hadden de inkomsten van het land (bewerkt door horigen) nodig om hun dure wapens, harnassen en paarden te betalen.
Verval van het Systeem:
Na Karels dood in verzwakte de centrale macht.
Bij het Verdrag van Verdun in werd het rijk verdeeld onder zijn drie kleinzonen (Lotharius I, Lodewijk de Duitser, en Karel de Kale), wat de eenheid definitief verbrak.
Leenmannen begonnen hun land als erfelijk eigendom te beschouwen en negeerden de autoriteit van de koning, wat leidde tot feodale versnippering.
De Islamitische Wereld en Culturele Bloei
Het Kalifaat: Na de dood van Mohammed in werd het rijk geleid door kaliefen. Onder de Abbasiden-dynastie werd Bagdad de hoofdstad en een wereldcentrum voor cultuur.
Haroen al-Rasjid: Deze beroemde kalief onderhield diplomatieke banden met Karel de Grote. Het geschenk van de witte olifant, Abul-Abbas, getuigde van de geavanceerde status van het Arabische Rijk.
Wetenschap: Het 'Huis van de Wijsheid' in Bagdad was een plek waar Griekse, Indiase en Perzische kennis werd verzameld en vertaald naar het Arabisch, wat later cruciaal zou zijn voor de vroege moderne wetenschap in Europa.
Religieuze Verdeeldheid: De strijd om de opvolging van Mohammed leidde tot de splitsing tussen:
Soennieten: Volgers van de gekozen kaliefen buiten de directe familie van de profeet.
Sjiieten: Geloven dat de opvolging enkel via de bloedlijn van Mohammed (via Ali) mag lopen.
Economische en Maatschappelijke Veranderingen
Autarkie: Door invallen van onder andere de Vikingen (zoals de aanval op de handelsstad Dorestat in ) nam de internationale handel af en trokken mensen zich terug op zelfvoorzienende landgoederen (hofstelsel).
Feodale Versnippering: Regionale edelen bouwden burchten en kasteel om hun eigen gebieden te beschermen, waarbij ze de koning vaak volledig links lieten liggen.