Literatuurgeschiedenis
Realisme en Naturalisme
Tijdperk: 1850-1914. Deze periode kenmerkt zich door ingrijpende maatschappelijke veranderingen, zoals industrialisatie, urbanisatie, en de opkomst van wetenschappelijke en filosofische stromingen die een diepgaande invloed hadden op het mens- en wereldbeeld, wat resulteerde in een verschuiving van subjectieve romantiek naar een meer objectieve weergave van de werkelijkheid.
Extra-literaire context
Voor en na 1815
De maatschappelijke en politieke onrust in Europa na de Franse Revolutie en de Napoleontische oorlogen (met de val van Bonaparte in 1815) leidde tot een heroverweging van maatschappelijke structuren en menselijke idealen.
Deze periode zag de consolidatie van de burgerij als dominante klasse, industrialisatie die nieuwe sociale lagen en problemen creëerde, en een groeiend nationalisme, wat de focus op de sociale realiteit in de literatuur stimuleerde.
Invloedrijke denkers
Charles Darwin
Werk: On the Origin of Species (1859).
Biologie, genetica, evolutietheorie: Zijn theorie van natuurlijke selectie en geleidelijke evolutie van soorten transformeerde het begrip van de menselijke plaats in de natuur.
Concept van ‘Survival of the Fittest’: De fittest overlevenden passen zich het beste aan hun omgeving aan, een idee dat later, vaak ten onrechte, werd toegepast op sociale en economische structuren (sociaal darwinisme).
Verbinding met sociaal darwinisme: Dit leidde tot een deterministisch mensbeeld, waarbij individuen en hun lot mede bepaald werden door hun biologische aanleg en aanpassing aan het milieu.
Karl Marx
Werk: Das Kapital (eerste deel 1867) en Het Communistisch Manifest (1848).
Concepten: Arbeid als vervreemding in het kapitalistische systeem, waarbij arbeiders losgekoppeld raken van het product van hun arbeid en hun eigen menselijkheid. Focus op productie-eenheden en productiemiddelen als fundament van de maatschappij.
Meerwaarde en winstmaximalisatie: De uitbuiting van arbeid door de bourgeoisie om winst te genereren.
Motto: ‘Arbeiders aller landen verenigt u!’ (Communisme), een oproep tot klassenstrijd en de omverwerping van het kapitalisme, met grote invloed op de focus op de arbeidersklasse in naturalistische literatuur.
Sigmund Freud
Tijdperk: Eind 19e en begin 20e eeuw (bijv. De droomduiding, 1899).
Onderzoek naar het onbewuste: Introduceerde het concept van het menselijk onderbewustzijn, en de structuren id (instincten), ego (realiteit), en superego (moraliteit) die ons gedrag sturen.
Concepten: Eros ( god van leven ,levensdrift, seksualiteit) en Thanatos (god van dood ,doodsdrift, agressie), droomduiding als weg naar het onbewuste, en psychoanalyse als therapeutische methode.
Zijn theorieën benadrukten dat menselijk gedrag niet altijd rationeel is, maar vaak wordt bepaald door diepgewortelde, onbewuste driften en ervaringen, wat bijdroeg aan het deterministische en vaak pessimistische mensbeeld van het naturalisme.
Verschillende stromingen
In de 19e eeuw bestonden er naast elkaar diverse stromingen, waaronder realisme, romantiek, escapisme en neoclassicisme. Het realisme kwam op als een directe reactie op de geïdealiseerde en subjectieve weergave van de romantiek en het didactische van het neoclassicisme. Het was een erkenning en weergave van de sociale realiteit in de 19de eeuw, met een focus op objectiviteit en waarheidsgetrouwheid.
Realisme
Definitie: Een stroming in de 19e-eeuwse beeldende kunst, theater en literatuur, gericht op het waarheidsgetrouw en objectief weergeven van de maatschappelijke werkelijkheid, inclusief de minder fraaie aspecten.
Sterke aanwezigheid in Frankrijk rond midden 19e eeuw (ca. 1830-1880) als bewuste reactie op de hoogdravende emoties en idealiseringen van de romantiek. Realistische kunstenaars probeerden het leven te portretteren zoals het was, zonder moraliserende of sentimentele bijbedoelingen.
Invloed van opkomend marxisme en positivisme: deze denkwijzen stimuleren een focus op de gewone arbeider, de burgerij, en de sociale omstandigheden, vaak met een maatschappijkritische ondertoon.
Naturalisme
Het naturalisme (ca. 1880-1900) is een extremere vorm van realisme, sterk beïnvloed door de wetenschappelijke inzichten van Darwin, Marx, en Freud, wat leidde tot een nog deterministischer en vaak pessimistischer mensbeeld.
Kernbegrippen:
Grondlegger: Émile Zola, die het naturalisme vergeleek met een wetenschappelijke methode, waarbij de schrijver de rol van een wetenschapper aanneemt.
De schrijver als arts, personage als patiënt: De schrijver observeert en analyseert het personage objectief, alsof het een gevalstudie is, om de invloed van externe factoren te ontrafelen.
Doel: Een grondige analyse van personages op basis van hun milieu (sociale omgeving), afkomst (erfelijkheid, genetica) en erfelijkheid (biologische constitutie). Deze drie factoren bepalen onontkoombaar het lot van het individu.
Noodlottigheid van het hoofdpersonage: Het lot van het personage is voorbestemd en onvermijdelijk, in overeenstemming met de ideeën van Marx (maatschappelijke en economische determinatie), Darwin (biologische en evolutionaire determinatie), en Freud (psychologische en onbewuste determinatie).
Kenmerken van naturalistische romans
Nerveuze vrouw: Vaak een hoofdpersonage dat lijdt onder maatschappelijke druk, emotionele of psychologische instabiliteit, of lichamelijke kwalen, typisch voor de 'fin-de-siècle' stemming.
Ontidealisering: Een bewuste afkeer van het romantische ideaalbeeld. De werkelijkheid wordt rauw, onverbloemd en vaak lelijk weergegeven, zonder enige opsmuk.
Erfelijkheid en milieu: Deze twee factoren worden als de voornaamste drijfveren en bepalende krachten gezien voor het gedrag en het lot van de personages. Het gedrag van een individu is een product van aanleg en omgeving.
Afkeer van de burgerij: De hypocrisie, morele corruptie, en materialistische aard van de burgerlijke klasse worden vaak kritisch geportretteerd, in lijn met de sociale kritiek van die tijd.
Belangstelling voor seksualiteit: Openlijke, vaak expliciete en onsentimentele weergave van seksualiteit, vaak gekoppeld aan biologische driften en taboes, zonder moralistische veroordeling.
Dubbele taalgebruik: Een combinatie van authentieke, realistische spreektaal (vaak dialect of plat taalgebruik) in dialogen om de sociale realiteit te benadrukken, tegenover een meer verheven, literaire taal in de beschrijvende passages van de verteller.
Afstandelijke, niet-idealiserende verteller: De verteller neemt een objectieve, quasi-wetenschappelijke houding aan, observeert zonder te oordelen of te idealiseren, en laat de feiten en de personages voor zichzelf spreken.
Literaire context
Franse realisten/naturalisten
Honoré de Balzac: Zijn La Comédie Humaine is een monumentale reeks romans en verhalen die een gedetailleerd en kritisch panorama schetst van de Franse samenleving in de 19e eeuw, met honderden onderling verbonden personages.
Gustave Flaubert: Bekend van werken als Madame Bovary (1856), een meesterwerk van psychologisch realisme dat de frustraties van een provinciale vrouw en de banaliteit van het burgerlijke leven minutieus beschrijft, en bekend staat om zijn stijlperfectie en ironie.
Émile Zola: Meest prominente vertegenwoordiger van het naturalisme, auteur van de 20-delige romanreeks Les Rougon-Macquart, waarvan Germinal (1885) een indringend beeld geeft van de erbarmelijke omstandigheden en stakingen in de Franse mijnindustrie, met een sterke nadruk op erfelijkheid en milieu.
Engelse realisten
Charles Dickens: Zijn romans zoals Oliver Twist (1838) en Great Expectations (1861) staan bekend om hun levendige portretten van het Londense stadsleven, sociale kritiek op armoede en ongelijkheid, en gedenkwaardige personages, vaak met een mix van realisme en melodrama.
George Eliot (pseudoniem van Mary Ann Evans): Haar werk, zoals Middlemarch (1871-1872), wordt gezien als een hoogtepunt van het psychologisch realisme. Ze keek naar het provinciale leven in Engeland en onderzocht de morele en psychologische complexiteit van haar personages met diepgang en inzicht.
Vlaamse en Nederlandse context
Poëzie in deze periode neigde vaak nog naar de romantiek, terwijl het proza zich ontwikkelde richting het naturalisme.
In Nederland richtte het naturalisme zich vaak op de psychologische analyse van de burgerij (bijv. Marcellus Emants), terwijl in Vlaanderen de focus meer lag op het harde leven van de boeren- en arbeidersklasse (bijv. Stijn Streuvels).
Domineeliteratuur: Literatuur met een sterk moraliserende en didacticerende inslag, vaak religieus geïnspireerd, die voorafging aan de meer esthetische bewegingen zoals de Tachtigers, en waartegen gereageerd werd.
Tachtigers: Een invloedrijke literaire beweging die het naturalisme deels omarmde, maar vooral bekend stond om hun esthetische vernieuwing.
Tachtigers
Periode: Rond 1880, als reactie op de als star en moralistisch ervaren literatuur van hun voorgangers (Domineeliteratuur).
Kenmerken van dichters: De Tachtigers, hoewel beïnvloed door romantische nadruk op emotie, streefden naar een radicaal nieuwe esthetiek van l'art pour l'art (kunst omwille van de kunst), waarbij de kunst autonoom was en geen moralistisch of didactisch doel diende. Dit was een expressie van individualisme en de schoonheid van het woord.
Vorm verhoudt zich tot inhoud: Zij geloofden dat vorm en inhoud onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn en een organische eenheid moeten vormen. Poëzie werd beschouwd als een uiting van pure passie en esthetiek.
De dichter lijdt en leidt: De dichter werd gezien als een gevoelig individu dat diepe emoties ervoer en deze op een unieke wijze kon uitdrukken, waarmee hij nieuwe wegen in de kunst insloeg.
Schoonheid als religie: Esthetische schoonheid werd verheven tot een bijna sacrale waarde, het hoogste doel in de kunst.
Citaat van Willem Kloos: “Kunst is allerindividueelste expressie van de allerindividueelste emotie”. Dit is de kern van hun esthetische credo, benadrukkend de uniciteit van de kunstenaar en zijn gevoelens als bron van kunst.
Thema van fin-de-siècle-gevoel: Een melancholische, decadentistische of pessimistische stemming die het einde van de 19e eeuw kenmerkte, vaak gepaard gaand met verveling, zwaarmoedigheid en een gevoel van teloorgang.