Untitled

Aantekeningen: Slavernijverleden van Nederland

1. Het slavernijverleden van Nederland

Paragraaf 1: Een wereld vol slaven
  • Moderne slavernij: Wettelijk verboden. Slavernij vóór 1800: Wettelijk toegestaan.
  • Manieren waarop mensen tot slaaf konden worden gemaakt:
    • a. Gevangengenomen in oorlog.
    • b. Niet kunnen terugbetalen van schulden.
    • c. Verkocht door ouders.
    • d. Straf voor ernstige misdaad.
  • Alternatief voor slavernij: Vermoord of geofferd worden; als slaaf bleef men tenminste in leven.
  • Einde van de Middeleeuwen: Geen slavernij of horigheid meer in West-Europa.
Antwoorden extra vragen bij paragraaf 1:
  • a. Drie voorbeelden van moderne slavernij:
    • Dwangarbeid.
    • Gedwongen huwelijken.
    • Afgedwongen orgaanhandel.
  • b. Definitie van een 'slaaf'/'tot slaaf gemaakte': Een mens die het bezit is van een ander mens.
  • c. Voorbeelden hoe slavernij tot de dood kon leiden:
    • De Azteken offerden slaven aan hun Zonnegod, omdat zij dachten dat anders de zon niet meer op zou komen.
    • In China werden bij de dood van een keizer soms duizenden slaven levend met hem begraven om hem ook na de dood te dienen.

2. Uitbouw van de Europese overheersing

  • Plantagekoloniën en de trans-Atlantische slavenhandel:
    • Europese landen ontdekten dat ze geld konden verdienen aan landbouwproducten uit andere werelddelen.
    • Dit leidde tot het stichten van plantages (grootschalige landbouwbedrijven).
    • Producten zoals koffie, suiker, katoen, tabak voor de Europese markt.
    • Geografische gebieden: Voornamelijk op het Amerikaanse continent (Zuid- en Midden-Amerika, het zuiden van de VS, Caraïbisch gebied).
    • Noodzaak van arbeidskrachten: Halen van tot slaaf gemaakten uit Afrika (vandaar de transatlantische slavenhandel).
  • Opkomst van het abolitionisme:
    • Beweging die de slavernij wil afschaffen, gebaseerd op verlichte denkbeelden zoals vrijheid en gelijkheid.
  • Driehoekshandel:
    • Europese producten worden naar Afrika verscheept en daar verkocht.
    • Tot slaaf gemaakten worden in Afrika ingekocht en in Amerika verkocht.
    • Plantageproducten worden ingekocht in Amerika en in Europa verkocht.

3. Betrokkenheid van Nederlanders bij de slavenhandel

  • Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC): Opgericht in 1602.
    • Handel met Azië, voornamelijk Indonesië.
    • VOC maakte geen eind aan de slavernij daar.
    • VOC gebruikte zelf slaven voor werkzaamheden; slavernij was geen belangrijke inkomstenbron.
  • West-Indische Compagnie (WIC): Opgericht in 1621.
    • WIC verdiende aanvankelijk vooral veel aan kaapvaart.
    • Geld van de verovering van de Zilvervloot in 1628 werd geïnvesteerd in het veroveren van Portugees-Brazilië (met plantages en arbeidskrachten).
    • In 1637 verovering van Elmina in Afrika (eerst van Portugal) om slaven vandaan te halen.
    • WIC richtte zich daarna vooral op slavenhandel, ook voor de nieuwe kolonie Suriname (1667, geruild voor New York).
  • Afschaffingen:
    • 1814: Afschaffing van de slavenhandel in het Koninkrijk der Nederlanden.
    • 1863: Afschaffing van slavernij.

4. Opvattingen over slavernij in Vroegmoderne Nederland

  • Begin van de Nederlandse Opstand tegen Spanje:
    • Slavernij is verwerpelijk; Spanje maakte zich schuldig aan slavenhandel.
    • Zwarte Legende: Spanje was wreder jegens andere volken dan andere naties.
  • Oprichtingen van de WIC:
    • Sommige mensen (bijv. Willem Usselinx) vonden slavernij verwerpelijk; zij wilden Nederlandse boeren de plantages laten beheren.
    • Anderen merkten dat slaven goedkope arbeidskrachten waren, en gingen over tot slavenhandel.
  • In de achttiende eeuw:
    • Sommigen (Jacobus Capitein) vonden slavernij aanvaardbaar als slaven goed behandeld werden; slaven die zich bekeerden tot het Christendom mochten niet vrijgelaten worden om verkeerde bekeringen te voorkomen.
    • Anderen (Bernardus Smytegeld) vonden slavernij strijdig met het Christelijk geloof.

5. Economische impact van slavenhandel en slavernij

  • Vraagen omtrent berekeningen:
    • Alleen de winsten op slavenhandel en plantageproducten beschouwen, of ook indirecte winsten zoals:
    • Schepen bouwen voor de WIC.
    • Materialen hiervoor.
    • Bevoorrading van schepen.
    • Verzekeringen van schepen.
  • Zekerheden:
    • WIC-handel was maximaal 2% van de totale handel van de Republiek.
    • Winst van de WIC-handel was maximaal ruim 3% van de totale handelswinst van de Republiek.
    • De welvaart van de Republiek was dus niet grotendeels te danken aan slavenhandel en slavenarbeid.