arch pp 1

Ingenieurs, architecten en aannemers in een nieuw tijdperk (1850-1890)

Inleiding

  • De tweede helft van de 19e eeuw wordt gekenmerkt door:

    • Industrialisatie.
    • Technologische en wetenschappelijke vooruitgang.
    • Demografische groei.
    • De ontwikkeling van grote steden in Europa en Noord-Amerika.
  • De maatschappij veranderde, wat uitdagingen stelde aan de architectuur en de bouwindustrie:

    • De inrichting van de publieke ruimte.
    • De organisatie van het stedelijk leven.
    • Veranderende woon- en werkomstandigheden.
    • Culturele ontplooiing.
  • De overheid had een directe invloed op wat en hoe er gebouwd werd.

  • Typische kenmerken van 19e-eeuwse herenhuizen:

    • Hoofdbestanddeel van vele straten en wijken in Brussel.
  • Technische aspecten bepalen hoe de 19e-eeuwse stad eruit ziet:

    • Uitvinding van de lift.
    • Aanleg van de riolering.
  • Ingenieurs, architecten en aannemers boden een antwoord op de uitdagingen en speelden in op de economische, culturele en politieke context.

  • Nieuwe materialen, stijlen en technieken werden ingezet.

  • Vanaf de 2de helft van de 19de eeuw onderscheidden de drie beroepscategorieën zich steeds sterker van elkaar.

  • Er ontstond een rolverdeling:

    • De architect stond in voor het architecturaal ontwerp.
    • De ingenieur voor de stabiliteit en berekening.
    • De aannemer voor de uitvoering.
  • De toenemende distantiering ging gepaard met:

    • Gespecialiseerde opleidingen.
    • Eigen vakliteratuur.
    • Professionele netwerken.
  • Het onderscheid en de complementariteit van de verschillende profielen werd steeds groter.

  • Geleidelijk aan resulteerde dit in een strikte wettelijke afbakening van de taken, verantwoordelijkheden, rechten en plichten van iedere betrokkene.

  • Interdisciplinaire samenwerkingen zorgden voor:

    • Architecten en bouwbedrijven ontwikkelden samen nieuwe bouwmaterialen, waarbij esthetische vormgeving in relatie werd gebracht met praktische aspecten van de uitvoering.
    • Ingenieurs namen een sturende rol in het ontwerpproces op zich, vertrekkende vanuit het meest efficiënte materiaalgebruik en belastingmodellen.
  • Vragen:

    • Wie mag zich ingenieur / architect / aannemer noemen in de 19de eeuw?
    • Wat doet een ingenieur / architect / aannemer?
    • Laat de opleiding van de ingenieur / architect / aannemer hen toe om een antwoord te vinden op de 19de-eeuwse uitdagingen?

De Ingenieur Centraal

  • Er wordt nagegaan wat er zo specifiek en uitzonderlijk is aan de evolutie die de 19de-eeuwse ingenieur doormaakte:

    • Welke materialen werden gebruikt en welke nieuwe structurele inzichten werden ontwikkeld?
    • In welke structuren of projecten werden die materialen en inzichten optimaal ingezet?
    • Hoe profileerde hij zich ten opzichte van de architect en aannemer?
  • De Eiffeltoren in Parijs (1889) is een voorbeeld waarin deze drie vragen samenkomen.

  • De toren staat symbool voor:

    • Technische en wetenschappelijke vooruitgang in de 19de eeuw.
    • De manier waarop de ingenieur zijn werkterrein afbakende en zich verhield tot andere actoren.
  • Het hoofdstuk heeft een sterker internationaal perspectief.

  • Het beeld van de 19e-eeuwse ingenieur contrasteert met dat van de 19e-eeuwse architect.

  • De architect werd geconfronteerd met talloze opdrachten voor de overheid en de rijke burgerij en vroeg zich af in welke stijl die gebouwen moesten worden opgetrokken.

Architecten en tradities

  • Architecten grepen terug naar de architectuur van het verleden.
  • Hoe slaagden architecten erin om de sterke verankering met tradities te verzoenen met het streven naar vernieuwing en de 19de-eeuwse randvoorwaarden?
  • Op welke manier draagt de architectuuropleiding bij aan dit debat?

De Aannemer

  • De rol van de aannemer blijft vaak onderbelicht in de geschiedschrijving.

  • Architecten en ingenieurs geprezen om artistieke creativiteit en wetenschappelijke kennis, terwijl de praktische en technische knowhow en vindingrijkheid van aannemers nauwelijks belicht wordt.

  • Hoe reageerde de bouwsector op de toenemende bouwactiviteit in de 19de eeuw?

    • Wat was de impact van nieuwe technieken en steeds hogere eisen op de manier waarop het bouwproces en het bouwbedrijf georganiseerd werden?
    • Op welke manier boden aannemers een antwoord op de toenemende complexiteit van het bouwproces?
    • Welke instrumenten werden ontwikkeld om het statuut en de positie van de aannemer te verstevigen?

Een bruisende samenleving

  • Politieke en maatschappelijke evoluties in de 19de eeuw leidden tot een nieuw soort architectuuropdrachten.

  • De staat werd een belangrijke opdrachtgever van publieke, representatieve gebouwen, om het politieke en juridische apparaat te huisvesten.

  • Deze gebouwen moesten uitdrukking geven aan de onafhankelijkheid, macht en pracht en praal van de staat:
    *Stations
    *Gerechtsgebouwen
    *Gevangenissen
    *Gemeentehuizen.

  • De sterke demografische groei zorgde voor een continue vraag naar woningen:

    • Arbeiderswoningen in de stad.
    • Meer prestigieuze opdrachten voor herenhuizen en burgerwoningen in nieuwe wijken en stadsuitbreidingen.
  • Stijgende welvaart en ontwikkelingen op het gebied van technologie en wetenschap resulteerden in nieuwe uitrustingen.

Nieuwe politieke context en ambities
  • De groei van nationalistische gevoelens leidde tot de geboorte van de natiestaat.
  • Verschillende Europese landen kregen in de 19de eeuw hun huidige vorm, waaronder België (1830).
  • De wetten en beheersinstrumenten die waren ontwikkeld tijdens het Franse bewind bleven vaak van kracht:
    • Wet op onteigeningen (1807).
    • Verplichting aan de gemeente om rooilijnplannen op te stellen bij de (her)aanleg van straten (1808).
  • Nieuwe wetten zetten de krijtlijnen uit voor de verdere ontwikkeling van de architectuur, infrastructuur en stedenbouwkundige inrichting van de nieuwe natie:
    • Wet van 1844: begrip 'openbare weg' bepaald en verplichting om rooilijnen te respecteren.
    • Wet op de sanering van ongezonde wijken (1858) en de verfraaiing van oude wijken of het bouwen van nieuwe wijken (1867).
    • Gemeentelijke autonomie werd verder bevestigd (met de wet van 1836), wat gemeentebesturen toeliet bijkomende verplichtingen op te leggen.
  • Hoogte van de gebouwen, materialen, kleur, afmetingen van de uitsprongen, de oriëntatie van het dak etc. werden wettelijk vastgelegd.
Overheid als bouwheer
  • De staat, provincie en gemeente was verantwoordelijk voor het opstellen van een nieuw wettelijk apparaat en traden zelf op als bouwheer.
  • De verschillende overheden hadden nood aan nieuwe bestuurlijke, administratieve en representatieve gebouwen en wilde, via de architecturale uitstraling van die projecten, ook haar onafhankelijkheid, macht en culturele identiteit onderstrepen
  • De Koninklijke Commissie voor Monumenten (KCM, opgericht in 1835) speelde een belangrijke rol:
    • Advies aan de minister van Binnenlandse Zaken bij de oprichting van nieuwe monumenten.
    • Onderhoud van bestaande monumenten: op die manier verbond ze de rijke artistieke cultuur en de karakteristieke architectuur van het verleden aan de nieuwe natie.
Bouwprogramma’s van de moderne maatschappij
  • De overheid stond tijdens de 19de eeuw in voor talloze grote openbare projecten, om tegemoet te komen aan de nieuwe maatschappelijke behoeften.

    • Grootschalige openbare werken en infrastructuurprojecten.
    • Talloze gebouwen.
  • De moderne maatschappij bracht een vraag naar andere gebouwen en nieuwe gebouwtypes met zich mee:

    • Gerechtsgebouwen, spoorwegstations, winkelgalerijen, tentoonstellingsgebouwen, gevangenissen, kazernes, scholen, gemeentehuizen, volkshuizen, theaters, pakhuizen, universiteitsgebouwen, kerken, ziekenhuizen, slachthuizen, enz.
  • Gezocht naar gepaste modellen, met specifieke spelregels voor elk gebouwtype.

  • Gevangenis: uitzicht van een versterkte burcht, stervormige planindeling(bewaking en toezicht).

  • Kazernes: monumentaal uitzicht om militaire macht en discipline uit te drukken, ruime slaapzalen.

  • Scholen: organieke wet op het onderwijs in 1842, modellen scholen gerealiseerd (Ernest Hendrickx, 1872-1875), ministeriële voorschriften gepubliceerd (1875).

  • Gemeentehuizen: statige ontvangstruimtes en zalen voor publieke functies, kantoren en archieflokalen, stilistische uitwerking vaak samen met de politieke kleur.

  • Volkshuizen: plekken voor ontspanning en culturele vorming voor de steeds groeiende arbeidersklasse.

Technologische en wetenschappelijke ontwikkelingen in dienst van het stedelijk leven
  • De uitrusting van de nieuwe natie en de nieuwe maatschappij werd bevorderd door de ongekende technologische vooruitgang.

    • Invoering van nieuwe bouwmaterialen zoals ijzer en staal.
    • Gewapend beton.
    • Lift --> mogelijkheid om in de hoogte te bouwen
    • Openbare verlichting --> veranderde het uitzicht van de stad
    • Openbaar vervoer --> grotere bereikbaarheid van de stad vanuit de voorsteden en voor de ontwikkeling van toeristische trekpleisters.
  • Belangrijke vooruitgang in de wetenschappen, en in de geneeskunde in het bijzonder, droegen bij aan nieuwe voorzieningen met betrekking tot (openbare) hygiëne.

    • Het belang van zuiver drinkwater leidde ertoe dat in Brussel, als eerste stad in België, in 1858 een waterleidingsnet aanlegde.
    • Naast de aanvoer van zuiver drinkwater was ook de afvoer van vervuild water via rioleringen belangrijk.
  • De overwelving van de Zenne in Brussel (1867-1871), onder impuls van de toenmalige burgemeester Anspach.

  • De aanleg van de Louizalaan vanaf 1862 zorgde voor een rechtstreekse verbinding tussen het centrum en het geannexeerde Terkamerenbos

19de-eeuwse woonvormen
  • Tijdens de 19de eeuw veranderden ook de sociale verhoudingen: er was een steeds groter onderscheid ontstaan tussen de verschillende sociale klassen, wat zich ook uitte in andere levensstijlen en woonvormen.

  • De sociale segregatie tekende zich zowel ruimtelijk af op schaal van de stad, als in de manier waarop de woning ingedeeld en vormgegeven werd.

  • De rijke burgerij gaf de voorkeur aan nieuwe, ruime woonwijken aan de stadsrand boven de stadskern, om zich op die manier (ruimtelijk) te distantiëren van de vervuilende industrie en de toenemende arbeidsbevolking.

  • Het eerste voorbeeld van een nieuwe woonwijk die specifiek was opgericht om te voldoen aan de noden van de bourgeoisie is de Leopoldswijk in het oosten van Brussel (1837).

  • De herenhuizen (vaak ook ‘hôtel’ genoemd) in deze buurten, werden betrokken door de rijke burgerij: de aristocratie, zakenlui, grootindustriëlen, etc.

    • Erg brede gevel (ca. 12m breed, vaak ook met een koetspoort).
    • Planindeling duidt op een veranderende levensstijl, met aparte ruimtes om gasten te ontvangen, voor het familiale leven en voor het dienstpersoneel.
    • Dienstpersoneel kon zich ongemerkt doorheen de woning bewegen dankzij aparte diensttrappen, een keuken in de kelder en slaapkamers op zolder.
    • Nieuwste technieken werden in deze herenhuizen geïntegreerd: waterleidingen en rioleringssystemen, nieuwe verwarming- en ventilatiesystemen voor een hoger wooncomfort.
  • De iets bescheidenere burgerwoningen, bedoeld voor de (hogere) middenklasse, waren veel talrijker in aantal.

    • Gebouwd op vrij smalle, diepe percelen (ca. 6 m breed).
    • Typisch 19de-eeuws plan: een traphal langs de gemene muur en daarnaast, over de resterende breedte van het perceel, vaak drie kamers achter elkaar in ‘enfilade’.* Bel étage --> daglicht in de verhoogde kelderverdieping. Ontvangstruimtes op de bel étage (salon, eetkamer, wintertuin) Private woonruimtes op de hoogste verdieping(en) (slaapkamers, linnenkamer, badkamer en eventueel een werkkabinet en/of klein salon).
    • Smalle gang en naastliggende kamer in drie gelijke traveeën.
    • Voorgevel met lichtgekleurde bepleistering en schijnvoegen, achtergevel erg sober.
    • Vernieuwingen op het gebied van techniek en comfort, zij het op minder grote schaal.

Het werkterrein van de ingenieur: nieuwe materialen, nieuwe structuren

  • De Eiffeltoren (Parijs, 1889) brengt cruciale elementen van het verhaal van de ingenieur in de tweede helft van de 19de eeuw samen:
    • Het gebruik van nieuwe materialen: smeedijzer, gietijzer, staal en glas.
    • De opkomst van wereldtentoonstellingen en andere gebouwtypes zoals serres, winkelgalerijen, overdekte markten en stations.
    • De profilering van de ingenieur.
  • Architectuurhistoricus Andrew Saint schrijft: "Ever since the Industrial Revolution, the engineers seemed to have been architecture’s true heroes."
IJzer & Staal
  • Ijzer als bouwmateriaal gebruikt sinds de Oudheid

  • IJzerarchitectuur vanaf het einde van de 18de eeuw, met name in Engeland (Industriële Revolutie).

  • Het toenemend gebruik van ijzer in de 18de eeuw werd mogelijk gemaakt dankzij wijzigingen in het productieproces.

    • hoogoven
    • het gebruik van cokes in plaats van hout als brandstof (Abraham Darby in 1709).
  • Optimalisatie van het productieproces tijdens de 18de en 19de eeuw.

Gietijzer
  • Eerste grootschalige en spraakmakende toepassing van gietijzer is de brug over de rivier Severn in het dorp Coalbrookdale (UK), die de toepasselijke naam Iron Bridge kreeg (1777-1779).
    brug heeft de vorm van een cirkelsegment

  • De brug bestaat uit slechts 12 verschillende elementen.

  • Na de Iron Bridge deed gietijzer ook zijn intrede in de architectuur.

  • Rond de eeuwwisseling werden gietijzeren kolommen en balken gebruikt voor enkele fabrieksgebouwen of zogeheten ‘fire proof mills’.

  • Gietijzer werd in het begin van de 19de eeuw initieel voornamelijk gebruikt voor de productie van spoorwegrails.

  • Eén van de eerste gebouwen waarin gietijzer expliciet op een ‘architecturale’ manier werd toegepast, is de bibliotheek Sainte Geneviève in Parijs.

  • Het gebouw is opmerkelijk omdat het de eerste openbare bibliotheek was, omwille van de historische collectie die het huisvest, en vooral omwille van de structuur (gietijzer).

  • Het gebouw heeft een relatief eenvoudig rechthoekig grondplan : onderaan een centrale vestibule met archiefruimte en kantoren langs beide zijden, en daarboven de grote leeszaal die de volledige oppervlakte inneemt.

  • De leeszaal wordt door een reeks slanke gietijzeren kolommen opgedeeld in twee beuken.

  • De opmerkelijke structuur van slanke kolommen en opengewerkte bogen zorgt samen met de grote, hoge ramen voor een bijzondere ruimtelijkheid en lichtheid.

Smeedijzer
  • Ten opzichte van traditionele bouwmaterialen zoals steen en hout kent gietijzer enkele belangrijke voordelen (o.a. de hoge druksterkte, hoge vormvrijheid en onontvlambaarheid).

  • Tegelijk bezit gietijzer ook enkele nadelen: door het productieproces bevat gietijzer een relatief hoog koolstofgehalte, wat het materiaal bros maakt, waardoor het plots breekt en moeilijk te verwerken is.

  • Smeedijzer biedt daar een antwoord op: door ruw gietijzer te smelten in een puddeloven, wordt er koolstof aan onttrokken en verandert het in een kneedbare, deegachtige massa die gehamerd en gesmeed kan worden. (decoratieve elementen).

  • Vanaf ca. 1840 was het ook mogelijk om grotere elementen in smeedijzer te produceren door middel van walsen.

  • Klinknagelen zorgden voor een ideale verbindingstechniek. Hierbij wordt de klinknagel opgewarmd, de steel wordt door 2 overlappende geperforeerde platen gestoken, waarna het uiteinde gehamerd en bewerkt wordt tot ook dat uiteinde de vorm heeft van een halve bol.

  • De eerste grote, spraakmakende toepassing van smeedijzer in de bouwindustrie is een brug, nl. de spoorwegbrug ‘Britannia Bridge’ over de rivier Menai Strait in Wales (1846-1850).

Staal
  • Behalve gietijzer en smeedijzer werd in de 19de eeuw ook een derde ijzersoort toegepast in de architectuur, namelijk staal.

  • Staal kan beschouwd worden als ‘tussenproduct’ omwille van het koolstofgehalte staal heeft net als smeedijzer een goede verwerkbaarheid, maar een hogere trek- en druksterkte en een lager gewicht dan smeedijzer.
    *

  • De overgang van smeedijzer naar staal vond stapsgewijs plaats tijdens de laatste twee decennia van de 19de eeuw.

  • Rond de eeuwwisseling nam staal definitief de bovenhand als meest gebruikte ferro-metaal.

  • In New York werd de Brooklyn Bridge voltooid in 1883, met een hangstructuur en wegdek in staal, de eerste in zijn soort.

  • In 1884-1885 werd in Chicago het Home Insurance Building opgetrokken, met een skeletstructuur in staal en gietijzer.

Architectuur in ijzer en glas: serres, winkelgalerijen, wereldtentoonstellingen en stations

  • Grotere overspanningen, de nadruk op ‘ruimte’ eerder dan op ‘massa’ en het onderscheid tussen draagstructuur en bekleding zorgde voor radicale vernieuwingen in de architectuur.

  • Sigfried Giedion is één van de vele architectuurhistorici die de oorsprong van de moderne architectuur terugbrengt tot de introductie van ijzer in architecturale toepassingen.

  • De gebouwen waarin deze nieuwe architectuur tot uiting komt, zijn vaak gebouwen met een nieuwe functie, gebouwtypes waarvoor geen modellen of prototypes bestonden:

    • Tentoonstellingspaviljoenen.
    • Treinstations.
    • Overdekte markthallen.
    • Winkelgalerijen.
    • Serres.
  • Glas maakte, net als ijzer, een belangrijke evolutie door tijdens de 19de eeuw, voornamelijk dankzij technologische vernieuwingen.

  • De productie van soda werd geïndustrialiseerd, daalde de kostprijs en werd glas in veel grotere afmetingen beschikbaar

Wintertuinen en serres
  • Glas werd traditioneel bevestigd in houten raamkaders, maar de combinatie van glas met glasroedes in smeedijzer zorgde voor een grotere transparantie.
  • Serres, die opgang maakten door de ontwikkeling van de botanica en de invoer van exotische planten.
  • In 1816 ontwikkelde botanicus