Untitled Flashcards Set

Wat is politiek?

 Datgene wat door de overheid geregeld mag, kan of moet worden - geen eensgezindheid

over wat politiek is. Het is alles wat te maken heeft met het besturen van een samenleving.

- Politicologen bestuderen alle nuttige inzichten uit andere disciplines (zusterdisciplines) die ze dan

integreren en toepassen op de politiek  vandaar integratiewetenschap

- De politicologie is eerder een field of enquiry

- Wat is politiek = fundamentele vraag (van zodra het concreter moet worden  discussie)

- Politieke discussie over overheidsoptreden:

 2 verschillende vormen

o Nannystate: interventionistische welvaartsstaat die de mens begeleidt van wieg tot graf (bijv.:

kind en gezin)

o Minimal state: een beperkte overheid die slechts een beperkt aantal ‘verzorgende taken’

opneemt

Essentiële onderdelen:

1. Bestuur van een samenleving  vaag!!

Oorsprong van het begrip:

o polis : een groep mensen die samenleven in een samenleving

o politika (Oudgrieks): verwijst naar alles wat te maken heeft met het

o leven als burger in een samenleving. Politiek is de hoogste menselijke activiteit, maar enkel

toegankelijk voor vrije mannen

2. Van een bevolking op een territorium

Politiek heeft veelal betrekking op een samenleving die verbonden is met territorium (territoriaal

gebonden). Iedereen die lid is van de smaenleving moet de regels volgen. Daarnaast hebben we in de

politiek ooko niet-territoriaal gebonden vereningingen (bijv.: De Katholieke Kerk, een

studentenclub...) Wie geen lid is van dit soort vereningingen moet zich niet aan de regels houden.

1 Plenaire vergadering: voltallige vergadering met alle 124 Vlaamse Volksvertegenwoordigers (= hoogste orgaan v/h Vlaams

Parlement)

 De staat vandaag = minder dominant door globalisering, federalisering, … Ook is de macht van niet-

statelijke actoren zoals Google, Apple... toegenomen, problemen zijn vaak grensoverschrijdend zoals

corona (evoluties)

3. Het nemen van collectief bindende beslissingen

Systeemmodel David Easton:

Politiek is het toebedelen van schaarse waarden, door de schaarste zijn er conflicten.

Daardoor is er een gezaghebbende instelling nodig die de verdeling van waarden kan uitvoeren op

een manier die door de samenleving wordt geaccepteerd. Politiek gaat over bindende beslissingen

voor de samenleving.

Systeemtheorie: kringloopgedachte toepassen op politiek, systeem ontvangt input vanuit de

omgeving en verwerkt die tot output. Het systeem heeft een beperkt aantal middelen om de inputs te

verwerken, daarom selectiemechanismen of gatekeepers zoals de politieke partijen.

 Input: eisen die aan systeem gesteld worden

 Output: het beleid

 Conversie: omzetting van input naar output

 Withinputs: input van mensen binnen systeem, zoals parlementsleden

 Feedback: reactie van omgeving op de withinputs

 Gatekeepers: de partijen die bepalen wat op de agenda komt

 Stress: autoriteiten kunnen geen beslissingen meer nemen of ze worden niet als bindend

aanvaard

Systeem moet twee functies vervullen:

1. Gewaardeerde goederen toebedelen aan maatschappij

2. Deze toebedeling als bindend doen aanvaarden

→ Stress wanneer een functie niet meer vervuld wordt, input wordt niet in output

omgezet

Signal input: vermindering van begrotingstekort, verhoging pensioenen

Maintenance input: steun en instemming van bevolking met heersende regels, meestal passief door

naleven van de regels en soms actief door betogingen ten gunste van de democratie

→ Als de eisen te gevarieerd zijn, is er content overload

→ Als er te veel eisen zijn, is er volume overload

Stabiliteit van politiek systeem is afhankelijk van de mate waarin de ouput door de samenleving

geaccepteerd wordt. MAAR dit is een model, vereenvoudigde voorstelling van zaken, het is geen

theorie die aangeeft hoe politieke verschijnselen met elkaar in verband staan.

Geschiedenis van de politiek:

3 vb van de vele ankerpunten die nog een invloed hebben op de politiek van vandaag

- Aristoteles: Mens is lid v/d samenleving en hoort deel te nemen aan de politiek, want dat is de enige

manier om het ‘goede leven’ te leiden (enkel voor vrije mannen). Politiek was een hoogstaande

bezigheid, het hoogste wat je in de samenleving kon doen.

- Machiavelli: Hij schreef het boek ‘Il Principe’, (1532). Het is een verhandeling van hoe je als vorst de

macht kon krijgen en ze ook behouden. Politiek als techniek m macht te behouden.

- Franse Revolutie: Heeft ervoor gezorgt dat er allerlei nieuwe politieke stromingen zijn ontstaan (-

ismen: Liberalisme, conservatisme en later socialisme). Politiek verwijst nu naar de organisatie van de

staat. Politiek is de tegenstelling tussen ideeën over de organisatie van de staat en impliceert de

betrokkenheid van velen, niet enkel van een aantal geprivilegieerde burgers (de kleine élite) 

Democratisering: politiek als een reeks ideeën om de ideale samenleving te realiseren voor iedereen.

“Politiek betracht de vreedzame oplossing van conflicten over die dwingen cllectieve keuzes”

Politiek en conflicten:

 Zonder conflicten, geen politiek! , conflicten zijn de motor van de politiek

Politiek = vreedzame oplossing van conflicten vele manieren om conflicten op te lossen

Carl Schmitt: der Begriff des Politischen

- Fundamenteel onderscheid tussen vriend en vijand  dit onderscheid is bedoeld om de uiterste graad

van intesiteit van een verbinding of scheiding, van een associatie of dissociatie aan te geven.

- Antagonisme is het wezen van politiek, zonder duidelijke meningsverschillen is er geen politiek.

Conflict en strijd zijn positief en nodig in een democratie.

Chantal Mouffe:

- Gaat verder in denken van Schmitt, pleit voor de radicale democratie. Democratie verliest aan inhoud

zonder conflicten, samenleving zonder conflict kan enkel ontstaan door repressie - consensus leidt tot

populisme. Politiek draait om conflict en agonisme 2 .

Verschil tussen Mouffe en Schmitt:

- Schmitt: elke politieke tegenstelling is een conflict waarbij politieke vijanden proberen te vernietigen,

slechts 1 kan overleven

- Mouffe: strijdende partijen zijn gebonden aan de waarden van democratie en dus blijven ze elkaar

erkennen als legitieme vertegenwoordigers van het volk. Verliezende partijenbehouden

bestaansrecht, winnende kan macht maar tot de volgende verkiezing uitoefenen

Conclusie: Tegenstelling is vereist voor het functioneren van de democratie:

 Vormelijk criterium: open tegensprekelijk debat

 Inhoudelijk criterium: verschillende politieke visies

→ Verschillende politieke opvattingen zijn de kern van democratie en zorgen

voorkeuzemogelijkheid voor de kiezer. Via keuze uit verschillende visies kunnen de burgers het

beleid sturen.

Politiek = studie van conflictsituaties en -gedrag

Waarom is er een conflict?

 Volgens Sodaro zijn er 5 grote bronnen van conflicten: macht, middelen, identiteit, ideeën en waarden. In

bijna elke samenleving is er een ongelijke verdeling en dit veroorzaakt spanningen.

Hoe onstaan conflicten?

Conflicten hebben een inhoudelijk, maar ook handelingsaspect: zo leiden conflictsituaties niet noodzakelijk

tot wederzijdse tegenwerking:

2 Agonisme: politieke theorie die de positieve aspecten van bepaalde vormen van politiek conflict benadrukt

- Sommige conflictsituaties leiden tot conflicten, andere niet  er is pas psrake van een conflict indien

er een Afhankelijkheidsrelatie: De afstandsrelatie tussen A en B wanneer de doelbereiking van bv. A

afhangt van het gedrag van B. (interdepentie)

- Hoe meer interdependentie 3 , hoe meer kans op conflict en hoe meer nood aan politiek. Maar: Ook

hoe meer kans op oplossingen waarin allerlei eisen worden

gebundeld = package deals

Wat er ook kan is dat de huidige tegenstander straks of vandaag in

een ander dossier de bondgenoot kan zijn of omkeer. = cross cutting

cleavages (In België komen deze ccc’s voor wanneer er doorkruisende

breuklijnen zijn.)

 Dus: de inhoud en wat men er mee doet is van belang.

Uitleg bij figuur (Van der Eijk):

- verticaal: handelingsaspect, van gezamelijke actie tot strijd

- horizontaal: inhoudelijk aspect, onverenigbaarheid tot symbiose

 Hoe meer naar het midden, hoe minder de intesiteit v/h gedrag.

Punt C: veel tegenstelling van belangen, maar de neutrale positie op de verticale as geeft aan dat er geen

actie ondernomen wordt.

Punt A en B: wijzen op conflict en samenwerking

Punt D: Er kan zelf strijd optreden bij samenvallende belangen bijv.: bij misverstanden of veronderstellingen.

Over politicologie:

“Politicologie gaat over politiek, over onvermijdelijke conflicten die ontstaan tussen mensen die op een

territorium samenleven, over hoe dat conflictbeheer georganiseerd kan worden om het vreedzaam

samenleven mogelijk te maken.”

Relatief jonge en wetenschap, die heterogeen is en dus een huis is met vele kamers.

Is politicologie een wetenschap?

Ja, want politicologen trachten politieke gebeurtenissen te analysren, verklaren en te begrijpen a.d.h.v.

wetenschappeliijke methoden. Daarnaast is er oook institutionele erkenning (zie p.29 boek).

Maar: niet voor iedereen is het een wetenschap, want mensen hebben het dominante beeld van wat het

wetenschappelijk proces is. Het ideaalbeeld is afkomstig uit de natuurwetenschappen. Het criterium van

humane- en politieke wetnschappen is minder of soms helemaal niet wtenschappelijk (Hobbes). Het

Deductief-nomologisch verklaringsmodel (DN-model) 4 moet aanwezig zijn. De causaliteit moet aanwezig

zijn. In de sociale wetenschappen gaat het meer om de waarschijnlijkheidwetten of het ‘probalisme’:

‘als...dan met grote waarschijnlijkheid. Wel is dat de aanvangs- en beginvoorwaarden van de sociale

werkelijkheid constant wijzigen zonder dat deze wijzigingen onder controle kunnen gebracht word.

3 Interdependentie: de onderlinge afhankelijkheid of samenhang

4 DN-model: als de premissen waar zijn, is de conclusie ook waar. De omgekeerde logica gaat niet. Premissen worden gevormd

door uitspraken die betrekking hebben op wetten of wetmatigheden en door bijzondere uitspraken die de beginvoorwaarden

genoemd worden.  Wat verklaard moet worden moet dus logisch afgeleid worden uit een algemene wet, gelet op bepaalde

beginvoorwaarden.

De studie van het menselijk gedrag is moelijk.  daarom niet zoals natuurwetenschappen, waarin als je een

element verandert (ceteris paribus) dat de gevolgen zo zullen zijn. Volgens Tromp werken wij in de

politicologie met weersystemen en die zijn net zoals het weer heel complex (meteorlogie). Daaruit is de

chaostheorie van Lorenz ontstaan: Wij zijn te verklaren a.d.h.v. het vlindereffect(sterke afhankelijkheid

t.a.v. de beginvoorwaarden.) een vlinder die vandaag in Brazilië vliegt, kan luchtturbelentie veroorzaken over

een maand in Japan. De chaostheorie is vernoemd naar ons dynamische systeem waarin schinbare wanorde

heert die via een rekenregel toch een zekere orde kent.  ‘post-posivitisme’ 5

Kan de politieke wetenschap objectief zijn?

 NEEN

Onderzoekers zijn actief, participerend deel van hun eigen onderzoekswereld. Men kan soms uitgesproken

politike meningen hebben terwijl ze het onderzoek voeren. Politieke wetenschappers zijn dus onvermijdelijk

subjectief (Newell en Rhodes). Is een objectieve politiekwetenschappelijke analyse onmogelijk? Neen,

vermits er intellectuele distantie en een volwassen invulling van objectiviteit aanwezig is. Niemand is

volledig neutraal.

Onmogelijk objectief door intersubjectiviteit: kennis en betekins worden gedeeld tussen induviduen. Deze

gedeelde begrippenn en overeenkomsten vormen de basis van communicatie voor sociale contexten. De

nadelen van subjectiviteit worden opgevangen door intersubjectiviteit.  Daarom is het van groot belang om

onderzoek te delen en presenteren aan de onderzoeksgemeenschap, waardoor de gelijken (peer review) op

wetenschappelijke kwaliteiten worden beoordeeld en kan tegengesproken worden.

Karl Popper:

Volgens Popper is er een andere manier (buiten verifiëren) om tot betrouwbare kennis te komen. Volgens

zijn hypothesisch-deductief model moet een wetenschappelijke theorie zo geformuleerd worden dat die

getest kan worden zoals bijv.: de evolutietheorie

(= falsifieerbaar)

Onderscheid tussen politicologen en politici (Roskin):

 Politicologen: bestuderen het algemene verschijnsel op basis van bewijzen en sysytematische

analyses. Hun onderzoek doen ze in nauwgezette methoden zodat anderen dat onderzoek kunnen

overdoen. Ze zijn sceptisch over macht, zoeken accuraatheid en denken abstract.

 Politici: Zij houden van macht, zoeken populariteit, hebben stevige overtuigingen en belangrijk

concentreren zich op één zaak. Ze denken hierbij al aan de volgende verkiezingen.

Het onderscheid met politiek journalisten en politicologen: (Dowding) :

 Journalisten: Leggen specifieke fouten in de regering bloot, terwijl politicologen meer geanggregeerd

en dieper perpectief zullen moeten hanteren, en dus onderzoeken welke fenomenen een daar

allemaal een rol in spelen.

5 Post-positivisme is een filosofische stroming die zich kritisch verhoudt tot het positivisme en betoogt dat absolute zekerheid in

wetenschappelijke kennis onmogelijk is. Het benadrukt het belang van subjectiviteit, interpretatie en sociale context in

wetenschappelijk onderzoek

Taalproblemen:

In de politiek is taal cruciaal en is taalvaardigheid voor politici dan ook een belangrijke eigenschap.

Politiek is een taalstrijd:

- Gevecht over de voorstelling van zaken: bv.

- Rationaliseren of besparen?

- Een coup of de bescherming van de democratie?

- Een terrorist of een vrijheidsstrijders?

- Liegen of een element van de waarheid onvermeld laten?

Associatief en Cognitief:

Het belangrijkste verschil tussen associatieve betekenis en cognitieve betekenis is dus dat associatieve

betekenis persoonlijk en subjectief is 6 , terwijl cognitieve betekenis objectief en gemeenschappelijk is. In

communicatie is het vaak belangrijk om te streven naar een gemeenschappelijke cognitieve betekenis om

misverstanden te voorkomen, maar men moet zich ook bewust zijn van de associatieve betekenissen die

woorden kunnen hebben, omdat deze de manier waarop mensen reageren op taal sterk kunnen

beïnvloeden.

Geen verschil tussen wetenschapstaal en omgangstaal:

De taal waarin de sociale werkelijkheid wordt beschreven en de sociale wetenschappen worden bedreven,

vershcilt niet(veel) van de dagelijkse omgangstaal.

“In de politiek bestaat veel warmte en koude, maar geen objectieve thermometer die aanduidt wat de

temperatuur precies is.”

 Het is daarom belangrijk dat politicologen taalbewust zijn en goed overwegen hoe ze zaken gaan

formuleren. (een heldere omschrijving en duidelijkheid) , De “wat” vraag is heel belangrijk.

Benaderingen in de wetenschap der politiek:

Er bestaan verschillende manieren waarop wetenschappers naar de sociale werkelijkheid kijken, we noemen

ze benaderingen. De benaderingen omschrijven, hangt soms tussen macrotheorie en paradigma.

Paradigma’s zijn brillen waarmee we naar de samenleving kijken. Een bril bepaald hoe we kijken,

onderzoeken, op welke zaken we letten en welke onderwerpen we bestuderen. (term is vooral populair door

Thomas Kuhn in zijn boek ‘The l of Scientific Revolutions’ :wetenschappelijke vooruitgang verloopt via

‘paradigma shifts’ (bv. Positivisme, post-positivisme, interpretationisme ..))

Waarom?

Het is een illustratie van de diversiteit (de vele brillen), daarnaast is het een oppervlakkige kennismaking met

de kern van enkele (ongelijksoortige) benaderingen. nood aan explicitering: weten welke bril je gebruikt. Het

bewustzijn van de noodzaak dat we een keuze (voor een van de vele brillen) moeten maken en daarenboven

ook van de onmogelijkheid van neutraliteit (we zien niets zonder bril)

De 7 benaderingen in de wetenschap der politiek:

1. Behavioralisme:

Het behavioralisme is een wetenschapsfilosofie die positivisme toepast op de studie van de sociale werkelijkheid en

die elke verklaring van gedrag verwerpt die gebruikmaakt van niet rechtstreeks waarneembare begrippen. Het moet

gaan om verklarende theorieën die verifieerbaar of falsifieerbaar zijn (= causaal). Daarvoor worden kwantitatieve data

verzameld.

6 Bijv.: het woord “thuis”

De meest geciteerde definitie van behavioralisme: (begrijpen)

- de zoektocht naar regelmatigheden, zelfs met verklarende en voorspellende waarde;

- De verificatie van testbare hypothesen en voorspellingen;

- Een zelfbewust onderzoek naar rigoureuze technieken;

- Het kwantificeren om precisie te bekomen indien mogelijk en relevant; waarden en empirische verklaringen

analytisch gescheiden houden

- Systematisering om theorie en onderzoek met elkaar te verbinden.

- Zuivere wetenschap gaat voor op toepasbare kennis en tot slot de integratie van sociale wetenschappen.

Het ontstond vanuit een onvrede met het ‘oude institutionalisme’ de focus wegschoof van instellingen, of toch van de

manier waarop ze vroeger benaderd werden, naar het gedrag van mensen. Politieke behavioralisten hebben ook oog

voor attitudes, opinies of instellingen, maar ze bekijken die enkel indirect. Kiezersgedrag is binnen deze benadering

populair. Hier wordt ook gekeken naar wat mensen denken, maar dan vooral naar de manier waarop dat tot uiting

komt in concreet gedrag. Ze willen de algemene context van menselijk gedrag bekijken. Ze bestuderen eerder

individuen dat de positie die deze individuen in instellingen innemen.

De politieke wetenschappen moet mensen bestuderen, met name wat ze doen, en niet langer grondwetten of

organisatieschema’s.

De centrale vraag in het behavioralisme is: waarom gedragen mensen zich zoals ze zich gedragen? Het antwoord moet

gebaseerd zijn op observeerbaar gedrag en empirische toetsing.

Het behavioralisme in 8 punten samengevat door Burnham, Gilland, Grant & Layton-Henry:

1. In de politiek bestaan discoverable regularities die kunnen leiden tot theorieën met een voorspellende waarde;

2. Deze theorieën moeten in principe getest kunnen worden (testability);

3. Politieke wetenschappen moeten zich richten op observeerbaar gedrag “which could be rigorously recorded”;

4. Bevindingen moeten gebaseerd zijn op kwantificeerbare data;

5. Onderzoek moet systematisch zijn, door theoriegeörienteerd en -gericht te zijn; 6. Politieke wetenschappen moeten

zich meer bewust zijn van de eigen methodologie en daar kritisch over zijn;

7. Politieke wetenschappen moeten streven naar “applied research that could provide solutions to immediate social

problems. The truth or falsity of values could not be established scientifically and therefore political science should

abandon the ‘great issues’ except where they were amenable to empirical investigation”;

8. Politieke wetenschappen moeten interdisciplinair zijn en meer op andere sociale wetenschappen steunen.

 De vereiste is dus dat theorieën of verklaringen falsifieerbaar moeten zijn. Karl Popper nam hiermee afstand van het

traditionele positivisme, dat het had over verificatie. Wat niet falcificeerbaar is zijn pseudowetenschappen. Er moet

niet naar een case gekeken worden, maar naar zoveel mogelijk. Vandaar het grote belang van statistische en

kwantitatieve analyse.

Kritiek op behaviorlalimse:

Zo vergeten behaviouralisten vaak dat ze zelf onderdeel van de werkelijkheid uitmaken en dus niet in staat zijn tot

ware objectieve analyse.

Hun onderscheid tussen theorie en observatie is te verregaand: alle observatie wordt beïnvloed door een vooraf

bestaande theoretische positie of preconceptie. Daarnaast zou het te statisch, conservatief en sysyteembevestigend

zijn. Toch zijn vele van de acht genoemde punten in de wetenschap der politiek ondertussen algemeen aanvaard.

2. Institutionalisme:

De traditionele visie: De studie van grondwetten, parlementen, overheidsstructuren en de vergelijking ervan in tijd en

ruimte was gewoon dé politieke wetenschappen. Institutionalisme was politicologie, alvast tot aan de Tweede

Wereldoorlog. Politiek gedrag en actie lieten de vroeginstitutionalisten doorgaans onaangeroerd.

Het staat voor een studieveld, maar heeft geen eigen theorie en methode van de instellingen.

Het ging dus steeds meer om organisaties dan om instellingen. Instellingen werden gezien als formele organisaties en

politieke actoren.

Het institutionalisme gaat ervan uit dat de posities binnen instellingen belangrijker zijn dan de mensen die ze bekleden.

Daarom zorgen de instellingen ook voor stabiliteit.

Institutionalisten gaan eerder uit van de logic of appropriateness dan van de logic of consequences:

 Logic of appropriates: het feit dat mensen acties ondernemen omdat ze zich willen schikken aan de normen

die binnen een instelling bestaan

Bijv.: een premier die een rampgebied bezoekt omdat dit soort symbolisch, ritueel gedrag van een

regeringsleider op zo’n moment nu eenmaal verwacht wordt.

 Logic of consequences: gedrag is instrumenteel, dat het gericht is op het bereiken van individuele doelen

Bijv.: Bij het bezoek van een rampgebied is de premier dan vooral bezig met zijn populariteit of herverkiezing.

Het institutionalisme kreeg vanuit vele hoeken rake klappen. Uiteraard werd nog onderzoek over instellingen

uitgevoerd, maar het was niet langer de dominante invalshoek en het gebeurde ook op een andere manier.

Het nieuw-institutionalisme:

Het institutionalisme kwam terug, in de vorm van een nieuw institutionalisme. Vooral in de jaren 1980 en na de Val van

de Berlijnse Muur in 1989  interesse in politieke instellingen nam opnieuw toe.

Het concept instellingen werd verbreed: Het ging niet langer om dingen die je kan terugvinden in een telefoongids, om

‘instellingen’ met een onthaal of eigen website. Steeds meer verwees ‘instelling’ naar allerlei regels of normen, naar

allerlei vormen van erkende, gevestigde praktijken die het gedrag van sociale actoren beïnvloeden.

De focus verschoof van government naar governance, waarvan government een onderdeel kan zijn, samen met

bijvoorbeeld de markt of vlakke netwerken.

March en Olson: Hun artikel in American Political Science Review was van groot belang. Ze argumenteerden erin dat

“institutions do matter” en dat politieke fenomenen niet gereduceerd konden worden tot de geaggregeerde gevolgen

van individueel gedrag.

In het nieuwe institutionalisme was de definitie van instituties minder eng en rigide 7 dan in het oude institutionalisme.

Instituties werden nu gezien als een set van regels, formeel of informeel, die actoren over het algemeen volgen. Ook

was het nieuw-institutionalisme minder normatief 8 , deterministisch 9 , in die zin dat de instellingen minder he gedrag

van de actoren bepalen.

Onderzoeksvragen hebben bijvoorbeeld betrekking op de stabiliteit van instellingen, bijvoorbeeld wat zorgt voor

verandering, wat zorgt voor stabiliteit van een gegeven instelling.

Verschil tussen oud en nieuw:

 Verschuiving via zes continua:

Van officiële instellingen naar politieke regels

7 Rigide: streng als het gaat om regels

8 Normatief zijn voor een ander betekent dat je jouw zienswijze, mening of norm oplegt aan een ander als zijnde een geschreven of

ongeschreven richtlijn of gedragsregel

9 Deterministisch: wanneer iets niet zomaar willekeurig is, maar een oorzaak heeft.

1. Eerder dan aandacht te hebben voor officiële instellingen, concentreert het nieuwe institutionalisme zich vooral op

politieke regels, zoals de organisatie van besluitvorming of de begrotingsopmaak. Dat leert meer over te verwachten

gedrag en de sanctionering van ongepast gedrag.

Van formele naar informele regels

2. Ten tweede let het nieuwe institutionalisme ook op ongeschreven conventies die formele regels bevestigen of

ondermijnen: welke netwerken en verhoudingen, tradities en gewoonten bestaan er tussen politici in een organisatie

die niet terug te vinden zijn in de officiële teksten over de interne werking?

Van statische naar dynamische instellingen

3. De focus is, ten derde, ook gericht op de studie van verandering, bijvoorbeeld door de vraag te stellen wat en hoe

bestaande instellingen en praktijken doorbroken worden. Zijn deze veranderingen geleidelijk of plotseling, in welke

wisselwerking met de omgeving?

Van ongeschreven naar duidelijke normen

4. Het traditionele institutionalisme was zeer bekommerd om good government, terwijl nieuwe institutionalisten, ten

vierde, vooral nagaan hoe bestaande instellingen bepaalde normen weerspiegelen en vormen (=governance) Welke

normen en opvattingen liggen eigenlijk ten grondslag aan zogenaamde neutrale besluitvormingsregels? Hoe

veranderen instellingen om te sporen met wijzigingen van politieke opvattingen of waarden in de brede samenleving?

Van holistisch naar gedifferentieerd perspectief

5. Terwijl traditionele institutionalisten vooral hele overheidssystemen beschreven en vergeleken, kijken nieuw

institutionalisten meer naar specifieke aspecten daarvan, zoals het verkiezingsstelsel of de besluitvorming binnen de

regering. Instellingen zijn hier dus gedifferentieerd en moeten niet zo nodig samen passen in één geheel: sommige

instellingen en regels bevoordelen nu eenmaal de ene partij, terwijl andere dan weer vooral gunstig zijn voor de

belangen van anderen.

Van onafhankelijke naar ingebedde instellingen

6. Ten slotte benadrukken nieuw institutionalisten dat instellingen geen onafhankelijke eenheden zijn, los van tijd en

ruimte. Ze stellen zich de vraag hoe instellingen ingebed zijn in een specifieke context.

Het nieuwe institutionalisme heeft meer aandacht voor theorievorming en voor het belang van andere politieke

actoren dan instellingen.

3. Rationele-keuzebenaderingen:

Opgedoken sinds midden jaren 1950. Kijkt eerder naar de economie dan naar de sociologie.

In ‘An Economic Theory of Democracy’ van Downs stelt hij partijen voor als één actor met één wil, enkel

geïnteresseerd in machtsdeelname. Ook kiezers zijn enkel geïnteresseerd in beleid dat hun preferenties

realiseert. Die zijn op een klassieke links-rechtsschaal weer te geven en zijn volgens een Gaussverdeling over de

publieke opinie verspreid. Vanuit die assumpties vraagt Downs zich af welk beleid partijen moeten voeren om

hun stemmen te maximaliseren. Ze worden in een tweepartijenstelsel conform de assumpties van dit model

naar de mediaankiezers gedreven. Veel onderzoek heeft echter aangetoond dat partijen zich niet als

eengemaakte rationele actoren gedragen en dat ook kiezers zich niet gedragen zoals in het model wordt

vooropgesteld.

De essentie van de rationele-keuze-benadering is eenvoudig en krachtig  reden van het succes.

Eigenbelang:

Mensen, geconfronteerd met een reeks gedragsalternatieven, die optie kiezen waarvan ze denken dat die het meest

nut zal opleveren.  voor-en nadelen afwegen (=doelrationeel)

Mensen worden in deze keuze gedreven door eigenbelang.

Methodologisch individualisme: stelt dat de elementaire eenheid van al het sociale leven individuele menselijke actie

is en dat alle sociale instellingen of gedrag het resultaat zijn van acties van en interacties tussen individuen. Als kan dus

in termen van individuele actoren. (door econoom Joseph Schumpeter)

De nadruk in deze theorie ligt dus sterk op de logisch-deductieve redeneerwijze:

 grote voorspellende en dus toetsbare waarde;

 maakt dan ook vaak gebruik van formele taal, d.w.z. wiskundige modellen en statistische analyses, en wordt

daardoor soms zeer formalistisch.

Terwijl behavioralisten politiek gedrag willen verklaren via statistische veralgemeningen, proberen aanhangers van de

rationele-keuzebenadering gedrag te verklaren en te deduceren vanuit het eigenbelang van individuen.

Uitgangspunten:

Gedrag van ‘homo economicus’ voorspellen zonder specifieke kennis over de actor zelf. Actoren kiezen voor de

handelingsoptie met het meeste nut. En beschikken daarbij over alle middelen om deze rationele keuze te maken.

Kritiek:

Onder andere dat de assumpties ervan verkeerd en wereldvreemd zijn, dat ze het belang van ideëen negeert en te veel

oog heeft voor structuren en te weinig voor de rol van het individu.

Toepassingen:

1. Speltheorie: Prisoner’s dilemma

Het beschrijft een situatie waarin 2 spelers moeten beslissen of ze samenwerken of elkaar verraden. De uitkomsten van

hun beslissingen leiden tot verschillende beloningen voor beide spelers, afhankelijk van hun keuzes. Beide spelers

hebben de neiging om elkaar te verraden, omdat het een inidvidueel voordeel oplevert, en dus zo hun eogen beloning

te maximiliseren. Zelfs als dit zou leiden tot conflicterende belangen op suboptimale uitkomsten.

Dit dilemma kan worden gekoppeld aan de rationele keuzebenadering, omdat het de besluitvorming van individuen

benadrukt op basis van hun eigen belang en rationaliteit.

De kritiek is echter wel dat dit een veel te simplistische benadering is.

Volgens sommigen is de rationele-keuzetheorie niet meer dan een analysekader om gedrag van politieke

actoren te benaderen. Het is een reductionistische benadering die sociale verschijnselen ‘reduceert’ tot het

gedrag van individuele atomen (methodologisch individualisme), maar dat gedrag zelf niet kan verklaren. De

assumpties zijn enerzijds te beperkt en anderzijds te verregaand.

2. Olsons theorie van het collectief handelen:

De centrale vraag die Olson stelde in zijn onderzoek was: ‘Hoe komen publieke goederen tot stand als iedereen

zijn eigen belangen nastreeft. Het inidvidu zou zich namelijk vaak gedragen als free rider 10 . Hij onderzocht onder

welke omstandigheden er sprake is van ‘collectief handelen’ en waarom sommige groepen meer impact

hebben op het beleid dan andere. Hier zouden specifieke prikkels en de grootte van groepen een rol in spelen.

10 Wel van het publiek goed genieten maar er zelf geen inspanning voor moeten doen.

Door het probleem van free riders leidt individuele rationaliteit tot collectieve irrationaliteit. Kleinere,

geconcentreerde belangen zullen oververtegenwoordigd zijn, diffuse meerderheidsbelangen zullen minder sterk

aan bod komen, door het free rider-probleem dat toeneemt naarmate een groep groter wordt.

Hij doorbrak dus het feit dat iedereen in groep zou willen samenwerken en dat in democratie de meerderheid

de minderheid overheerst.

Leden gaan enkel over tot groepsvorming of aansluiting bij een groep over als hun eigenbelang daarmee

gediend is.

Hoe kleiner een groep, hoe gemakkelijker er een effectieve organisatie groeit, doordat leden zich sneller

vrijwillig inspannen omdat het collectief goed dicht bij het eigenbelang ligt.

Hoe groter de groep, hoe minder elke individuele inspanning het verschil maakt en hoe kleiner het voordeel dat

elk individu bij het bereiken van het groepsdoel overhoudt. De kans op free-rider gedrag wordt hier dus groter.

Maar hoe kan je met zijn theorie solidariteitsbewegingen zoals derdewereldbewegingen verklaren?

3. Theorie over coalitie en regeringsvorming:

Coalitievorming is een cruciale fase in het politieke systeem. Men probeert hier een zekere logica te vinden in het

uiterst ingewikkelde spel (ooral in België) van regeringsvorming. Ze slagen er over het algemeen in om slechts de helft

juist te voorspellen.

Size principle: elke partij wil zoveel mogelijk macht (regeringszetels) verwerven en zo min mogelijk van die macht met

andere partijen delen.

Diverse daarmee samenhangende termen:

 Minimum winning coalition: een coalitie wordt gevormd door die partijen die in het parlement net over een

meerderheid beschikken. Ze bevat geen enkele partij die overbodig is. Als een van de partijen eruit stapt, valt de

coalitie.

 Minimum size coalition: een variant van het vorige, waarbij het aantal parlementszetels als verklarende factor

gehanteerd wordt. Een coalitie komt tot stand tussen partijen die samen de kleinst mogelijke meerderheid in termen

van parlementszetels bezitten.

 Bargaining proposition: hoe minder partijen, hoe beter. Het gaat hier om het aantal partijen dat nodig is om een

parlementaire meerderheid te vinden. De meerderheid wordt bereikt met het kleinst mogelijke aantal partijen.

 Minimal range coalition: hier volstaat niet enkel het size principle, maar moet de ideologische afstand tussen de

betrokken partijen zo klein mogelijk zijn.

 Minimum connected coalition: deze constellatie is identiek aan de vorige, maar gaat uit van het principe dat een

coalitie enkel kan ontstaan als de deelnemende partijen in termen van links en rechts vlak naast elkaar liggen, ervan

uitgaande dat partijen gerangschikt kunnen worden op een links-rechtsschaal.

 Minimal distance: partijen in coalities waarvan de regeringspartners ideologisch ver uit elkaar liggen, moeten te veel

toegevingen doen. Dergelijke coalities zijn bijgevolg vaak onstabiel. Het verschil tussen mogelijke coalities blijkt uit het

voorbeeld in Tabel 2. Partijen (A-E) zijn van links naar rechts gerangschikt, er moeten 100 parlementszetels worden

verdeeld.

4. Systeembenaderingen:

Het uitgangspunt is hier niet het gedrag van individuen, maar een politiek stelsel waarbinnen het handelen van

afzonderlijke actoren inhoud en betekenis krijgt.

Centraal staat het begrip politiek systeem en de interactie van het politieke systeem met de omgeving. De overheid of

staat neemt een cruciale plaats in de

politiekwetenschappelijke versie van de

systeembenadering in.

Algemene systeemtheorie: elementen kunnen

invloed op elkaar uitoefenen en een geheel vormen

dat meer is dan de som van de samenstellende

delen. Het geheel bepaalt tot op grote hoogte wat er

met de afzonderlijke elementen gebeurt. De factoren

buiten het systeem hebben geen invloed, er is geen

grens tussen het systeem en de factoren erbuiten.

Politiek opgevat als een input-outputsysteem, als een

kringloop die werkt met feedback (Easton).

5. Constuctivisme:

Het belang van ideeën (als constructie).

Studie van de sociale wetenschappen als een sociale constructie. De sociale wereld is fundamenteel

verschillend van de natuurlijke wereld, daarom zijn er heel andere methoden nodig om die eerste te begrijpen:

objectieve regelmatigheden gevat in algemene wetten zijn simpelweg niet mogelijk.

In zijn meest radicale omschrijving gaat het interpretationisme, door sommigen gelinkt aan het

postmodernisme, ervan uit dat politiek bestaat uit de ideeën van de deelnemers ervan, dat er geen politieke

werkelijkheid is die losstaat van ideeën die mensen hebben en dat die ideeën belangrijker zijn dan ‘materiële’

krachten.

Mensen construeren de werkelijkheid, die bestaat niet buiten hen, maar elk interpreteert die op zijn eigen

manier.

Deze benadering focust zich op de ‘betekenis’ voor de verklaring van gedrag en instellingen. De wereld krijgt

betekenis via interpretaties die we hieraan geven. (Thomas)

Thomas-theorama: “If men define situations as real, they are real in their consequences.”

Het begin ligt in de sociologie bij Durkheim (einde 19 de eeuw), sinds het begin van de jaren 60 maakte het een

opgang in de politieke wetenschappen.

De populariteit van deze benadering is veelal het gevolg van de ontgoocheling t.a.v. behavioristische of

rationele-keuze-benaderingen, en is volgens Bevir en Rhodes gebaseerd op twee premissen:

1. Mensen stellen daden aan de hand van hun overtuiging en voorkeur. Omdat mensen

handelen naar hun voorkeuren, is het mogelijk om hun acties te verklaren aan de

hand van de relevantie van het voorkeuren en overtuigingen.

2. We kunnen niet leren van mensen het overtuiging en voorkeur van objectieve feiten

over hun zoals huns sociale klasse, ras of positie.

Als we gedrag proberen te verklaren vinden we geen oorzakelijk verband (zoals in de

natuurwetenschappen).

 We verklaren politieke fenomenen “by telling a story” over hoe ze zijn ontstaan, over hoe ze gepercipieerd

worden enz. Kortom, we interpreteren via taal allerlei gebeurtenissen om politiek te verklaren

6. Structureel functionalisme

Structuren liggen aan de basis van sociale verschijnselen.

Uitgangspunt is wel dat er niet direct waarneembare of onbewuste structuren zijn die de basis vormen van de

sociale verschijnselen. Het subject staat niet langer centraal. Het subject staat niet langer centraal, maar de

constellatie 11 van groepen.

De sociale realiteit is het resultaat van een complexe interactie tussen economische, politieke en ideologische

structuren die elk in een relatieve autonomie t.o.v. elkaar staan. Individuen of agenten hebben geen

autonome macht, maar vervullen enkel de rol van dragers van structuren.

Wat is het?

Afkomstig uit de antropologie centraal in deze benadering staan de gedachte dat de samenleving bestaat uit

een aantal deelsystemen (bv. parlement, partijen, informele groepen) die op hun beurt uit deeleenheden

bestaan die samenhangen en naar evenwicht streven;

Elk sociaal heeft systeem basisbehoeften heeft voldaan moet worden opdat het goed verder kan functioneren;

Sociale fenomenen kunnen bestudeerd worden in termen van de functies of rollen die ze in een systeem

vervullen; dat de praktijken en gebruiken van een samenleving opgevat kunnen worden als mechanismen om

het overleven van een groep veilig te stellen.

Ze hebben een functie omdat ze bijdragen tot het overleven van een sociaal systeem, van een samenleving.

Structuren en functies:

AGIL-schema van Parsons, de naam die met het structureel-functionalisme verbonden is. Elk sociaal

handelingssysteem dat in wisselwerking staat met zijn omgeving (systeemtheorie) moet vier soorten

problemen overwinnen om te overleven:

A (‘Adaptive’, aanpassend)

1. Aanpassen aan de omgeving, aan ontwikkelingen buiten het systeem via

rationeel gebruik van middelen (economie).

G (‘Goal-attaining’, doelbereikend)

2. Het moet interne doelstellingen kunnen realiseren: zodoende hebben

bepaalde activiteiten de realisatie van doelen als inzet, het eigenlijke domein

van de politiek.

I (‘Integrative’, integrerend)

3. Elementen moeten onderlinge samenhang vertonen: hier gaat het om de

interactie tussen verschillende actoren met eigen verwachtingen en

belangen, het respecteren van afspraken (rechtspraak).

L (‘Latent pattern maintaining’, patroonhandhavend)

4. Interne spanningen moeten voorkomen worden, o.a. door socialisatie, het

handhaven van gemeenschappelijke patronen, symbolen, smaak, het

onderhouden van betrokkenheid en motivatie enz. (gezin en onderwijs).

11 het gehele samenstel van factoren dat invloed op iets of iemand uitoefent

Het onderscheid tussen eufuncties en disfuncties is van belang: de eerste dragen positief bij tot het overleven

van het systeem, voor de tweede geldt het omgekeerde: ze dragen niet bij tot het overleven, maar doen het

systeem slechter functioneren.

Kritiek : kijkt naar de instandhouding van een systeem, naar continuïteit en stabiliteit, en niet zozeer naar

aanpassing, dynamiek of verandering.

Het wordt niet altijd als een volwaardige aparte benadering beschouwd.

Er wordt weinig betekenis gegeven aan het individu. Het zou niet de mogelijkheid hebben om zelf het politieke

proces bij te sturen.

7. Marxisme:

Het politieke Marxisme kan los worden gezien van het wetenschappelijke marxisme.

Uitgangspunten:

Foundation list ontologie: er is een werkelijke wereld daarbuiten, die zelfs enkele essentiële processen en

wetmatigheden bevat die het sociale leven bepalen. Het is aan de sociale wetenschappen om de

onderliggende wetmatigheden te ontdekken.

Gebruikt de dialectiek als wetenschappelijke methode: via tegenstellingen (tussen de these en de antithese,

die opgeheven wordt in de synthese) de waarheid zoeken.

Gekenmerkt door economisme (economische relaties zijn het belangrijkste, alle andere verhoudingen zijn

hiertoe te reduceren) en determinisme (economische verhoudingen determineren het sociale en politieke

leven).

Politieke instellingen zijn een afspiegeling van de economische verhoudingen.

Het is de (eigendom)verhouding t.o.v. productiemiddelen die bepaalt welke waarden, idealen of opvattingen

iemand heeft.

Economische verhoudingen determineren sociale verhoudingen, die op hun beurt politieke relaties

determineren: de staat en politiek ondersteunen het economische (uitbuiting)systeem. De productiewijze

bepaalt het bewustzijn, de economische basis determineert de superstructuur, waardoor politieke actoren,

media en kunst over weinig autonomie beschikken.

Wat is het:

Ze wijst op het belang van economische processen, en vooral op de verandering daarin, voor de politiek; ze

voorziet daartoe in jargon en een analysekader, en vooral in aandachtspunten. Veranderingen in economische

verhoudingen tussen landen of landengroepen, maar ook veranderingen in productiewijze vertalen zich in

sociale, maar ook in politieke aanpassing.

Ook groot belang voor globalisering.

Binnen de studie van internationale relaties gaat het marxisme bijvoorbeeld in op de politieke geografie, op de

motieven van westerse staten om militair tussenbeide te komen in landen. Binnen deze traditie valt ook de

‘wereldsysteemanalyse’ met Immanuel Wallerstein als bekendste auteur, een deel van de kritische stroming

binnen de internationale betrekkingen.

Ook de kritische theorie is vanuit het Marxisme ontstaan. Dit we ook terugvinden bij de Frankfurter Schule.

Het kapitalisme zou de mensen kritiekloos en passief maken.

Het marxisme is naast een benadering ook een ideologie. “Ideologieën zijn voor de politiek even belagrijk als

benaderingen zijn voor de politicologie.