Study Notes for Frans Trimester 2

EXAMEN FRANS TRIMESTER 2

2.2 Le vol – 2.2.5

SAUT 2 Le conditionnel passé
FORMATION
  • De conditioneel verleden tijd (conditionnel passé): Dit wordt gevormd door avoir of être in de conditionnel présent + participe passé.

    • Met avoir:

    • Voorbeeld: devoir

      • j’aurais dû

      • tu aurais dû

    • Met être (voor beweging / reflexieve werkwoorden):

    • Voorbeeld: partir

      • je serais parti(e)

      • tu serais parti(e)

Gebruik van de conditionnel passé
  1. Spijt (Regret)

    • Je zegt dat iets beter anders had gekund.

    • EXAMPLE: J’aurais dû étudier plus → Ik had meer moeten studeren.

  2. Kritiek (Reproche)

    • Je zegt dat iemand iets had moeten doen.

    • EXAMPLE: Diego aurait dû nous accompagner → Diego had met ons moeten meegaan.

  3. Onzekere informatie (Information incertaine)

    • Je geeft iets door dat niet zeker is, een gerucht.

    • EXAMPLE: Le maire aurait aperçu l’homme sur une photo → De burgemeester zou de man op een foto gezien hebben.

  • Opmerkingen:

    • Het gebruik van "had moeten…" of "zou … hebben + voltooid deelwoord" impliceert dat de conditionnel passé in het Frans noodzakelijk is.

3.1 – SAUT 3

3.2.1 Quelques endroits insolites
  • Zie vocabulaire Paris = la ville Lumière

3.2.2 La Fondation Louis Vuitton – Les verbes op -IOR
  • De meest bekende werkwoorden die eindigen op -IOR zijn:

    • vouloir

    • pouvoir

    • recevoir

    • devoir

    • savoir

    • voir

  • Opmerking: falloir en pleuvoir bestaan alleen in de 3e persoon enkelvoud en moeten onthouden worden.

Conjugatie voorbeeld van recevoir (Indicatif présent)
  • je reçois

  • tu reçois

  • il reçoit

  • nous recevons

  • vous recevez

  • ils reçoivent

Onregelmatigheden in de FUTURE SIMPLE
  • valoir → je vaudrai

  • s’asseoir → tu t’assiéras

  • émouvoir → elle émouvra

  • falloir → il faudra

  • pleuvoir → il pleuvra

5. Impératif – bevelvorm
  • werkwoorden en hun imperatief:

    • vouloir → veuille, veuillons, veuillez

    • recevoir → reçois, recevons, recevez

    • savoir → sache, sachons, sachez

    • voir → vois, voyons, voyez

    • s’asseoir → assieds-toi, asseyons-nous, asseyez-vous

    • émouvoir → émeus, émouvons, émouvez

Werkwoorden en hun participe passé

  • verbuigingen:

    • vouloir → voulu

    • pouvoir → pu

    • recevoir → reçu

    • devoir → dû

    • savoir → su

    • voir → vu

    • valoir → valu

    • s’asseoir → assis

    • émouvoir → ému

    • falloir → fallu

    • pleuvoir → plu

De nationale symbolen van Frankrijk

Le drapeau tricolore
  • Kleuren: Blauw, wit, rood

  • Betekenis: Symbool van de Republiek

  • Staat voor: Vrijheid en gelijkheid

  • Leuze: Liberté, Égalité, Fraternité

    • Officiële leuze: Vrijheid voor iedereen, gelijke rechten en solidariteit.

La Marseillaise
  • Beschrijving: Nationaal volkslied

  • Herkomst: Ontstaan tijdens de Franse Revolutie

  • Thema: Roept op tot vrijheid en strijd.

La Marianne
  • Symboliek: Vrouwelijk symbool van de Republiek, staat voor vrijheid en rede.

  • Zichtbaarheid: Te zien in gemeentehuizen en op munten.

La fête nationale (14 juillet)
  • Nationale feestdag: Herdenkt de bestorming van de Bastille

  • Activiteiten: Parades en vuurwerk.

Le sceau de la République
  • Beschrijving: Officiële staatszegel

  • Gebruik: Gebruikt voor belangrijke documenten, stelt de autoriteit van de staat voor.

Le coq gaulois
  • Symboliek: Traditioneel Frans symbool, staat voor trots en waakzaamheid.

  • Gebruik: Vaak gebruikt in sport en cultuur.

Le faisceau du licteur
  • Beschrijving: Bundel stokken met bijl, symbool voor eenheid en recht.

  • Verwijzing: Verwijst naar de autoriteit van de Republiek.

Un texte argumentatif

1. Verbindingswoorden
  • Voorbeelden: Tout d’abord, ensuite, de plus, enfin, Parce que, puis, en effet.

2. Mening geven
  • Zinnen: Je pense que, Selon moi…

Kleine belangrijke woorden in het Frans en hun significaties
  • parce que → omdat

  • car → want

  • puisque → aangezien

  • à cause de → door / vanwege (negatief)

  • grâce à → dankzij (positief)

  • en raison de → wegens

  • Cependant → echter

  • Pourtant → toch

  • Mais → maar

Adjectieven en voornaamwoorden in het Frans

1. AUCUN / AUCUNE
  • Adjectief: Aucune lettre n’est arrivée. → Geen enkele brief is aangekomen.

  • Pronom: Je n’en ai aucune. → Ik heb er geen enkele.

2. CERTAIN / CERTAINE / CERTAINS / CERTAINES
  • Adjectief: Certaines filles sont absentes. → Sommige meisjes zijn afwezig.

  • Pronom: J’en connais certains. → Ik ken er sommige.

3. CHAQUE / CHACUN
  • Adjectief: Chaque élève participe. → Elke leerling doet mee.

  • Pronom: Chacun participe. → Iedereen doet mee.

4. MÊME / MÊMES
  • Adjectief: Le même portable. → Dezelfde gsm.

  • Pronom: J’ai le même. → Ik heb dezelfde.

5. N’IMPORTE QUEL / N’IMPORTE QUI
  • Adjectief: N’importe quel livre. → Eender welk boek.

  • Pronom: N’importe qui peut venir. → Eender wie mag komen.

6. PLUSIEURS
  • Adjectief: Plusieurs personnes arrivent. → Meerdere mensen komen aan.

  • Pronom: Plusieurs sont là. → Meerdere zijn daar.

7. QUELQUES / QUELQUES-UNS
  • Adjectief: Quelques élèves sont malades. → Enkele leerlingen zijn ziek.

  • Pronom: J’en connais quelques-uns. → Ik ken er enkele.

8. NUL / NULLE
  • Adjectief: Nulle femme n’est parfaite. → Geen enkele vrouw is perfect.

  • Pronom: Nulle n’est parfaite. → Geen enkele is perfect.

9. DIVERS / DIFFÉRENTS
  • Adjectief: Diverses personnes m’en ont parlé. → Verschillende mensen hebben erover gesproken.

  • Pronom: (Bestaat niet als pronom — enkel adjectief).

10. TEL / TELLE
  • Adjectief: Une telle idée. → Zo’n idee.

  • Pronom: (Geen pronom-vorm).

De vormen van de subjonctif présent

Formation
  1. Indicatif présent: Neem de 3e persoon meervoud (zonder -ent) +

    • e, es, e, ent

    • Voorbeeld:

      • Que je comprenne

      • Que tu comprennes

      • Que elle/il comprenne

      • Que ils/elles comprennent

  2. 1ste persoon meervoud: (zonder -ont) +

    • IONS/IEZ

    • Voorbeeld:

      • Que nous comprenions

      • Que vous compreniez

Uitzonderingen en veel voorkomende fouten

  1. Tijd & Weer

    • Il est … = Het is … (uur)

    • Il fait … / Il y a … = Het is … / Er is …

  2. Negatie

    • ne … pas = niet

    • ne … plus = niet meer

    • ne … jamais = nooit

    • ne … rien = niets

    • ne … personne = niemand

    • ne … aucun(e) = geen

  3. Il y a

    • Betekent er is / er zijn.

    • Wordt ook gebruikt in de toekomst (il y aura) en in de voorwaardelijke wijs (il y aurait).

  4. Hoeveelheden

    • Beaucoup de = veel

    • Trop de = te veel

    • Peu de = weinig

    • Du / de la / des = onbepaalde hoeveelheid

  5. Lidwoorden

    • NL zonder lidwoord → FR meestal mét lidwoord.

    • Bij aimer, adorer, détester, préférer altijd le / la / l' / les.

  6. “Des” → “de” + adjectief

    • des amis → de bons amis

  7. Bezittelijke voornaamwoorden

    • Aangepast aan het geslacht van het zelfstandignaamwoord, niet van de bezitter (mon frère, ma sœur, mes parents).

  8. Bon vs. Bien

    • bon = adjectief (verandert mee)

    • bien = bijwoord (onveranderlijk).

  9. Landen & steden

    • en + vrouwelijk land

    • au + mannelijk land

    • aux + meervoud

    • à + stad

  10. “Qui”

    • Vervangt het onderwerp (Le garçon qui est…).

Werkwoorden zonder voorzetsel in het Frans

  • regarder

  • écouter

  • attendre → krijgen geen “naar/op” in het Frans.

“Het gaat over”

  • Il s’agit de …

  • Le livre parle de …

  • Le livre raconte …

Vragen

Drie vormen:

-intonatie,

  • est-ce que

  • inversie.

Voorbeeldzinnen:
  • “Wat?” → quoi / qu’est-ce que / que

Nog belangrijke dingen

  • “geleden” = il y a.

  • “ik ben … jaar” = j’ai … ans.

  • “iemand missen” → Tu me manques (omgekeerde volgorde).

La question
  • Sans mot interrogatif (intonatie): Tu vas à l'école? (est-ce que).

  • Est-ce que tu vas à l'école? (inversie).

  • Vas-tu à l'école?

  • Met mot interrogatif: (intonatie) Tu vas à l'école quand?

  • Est-ce que Quand est-ce que tu vas à l'école?

  • Inversie: Quand vas-tu à l'école?

“Wat”? En spreektaal

  • Vous faites quoi ? (spreektaal!)

  • Qu’est-ce que vous faites ?

  • Que faites-vous ?

“Wat is …”?
  • Quel/quelle est … ?

Encore ceci…

  • **