Samenvatting Economie VMBO TL/GL
Ondernemingsvormen en Samenwerking
Stichting: Gebruikt vermogen voor een ideëel doel, heeft een bestuur maar geen leden (bijv. Hartstichting, KWF Kankerbestrijding).
ZZP'er: Zelfstandige zonder personeel; geen juridische vorm op zich, maar een bedrijf met één werknemer/eigenaar.
Samenwerkingsvormen: * Kartel: Verboden afspraak tussen bedrijven om concurrentie te beperken. * Overname: Een bedrijf koopt een ander bedrijf op; controle gaat naar de koper. * Fusie: Twee bedrijven gaan samen op in één nieuw bedrijf.
Economische Sectoren en Arbeid
Vier Sectoren: * Primaire sector: Grondstoffen uit de natuur (landbouw, winning). * Secundaire sector: Verwerking van grondstoffen tot producten (industrie). * Tertiaire sector: Commerciële dienstverlening (winkels, banken). * Quartaire sector: Non-profit dienstverlening (ziekenhuizen, scholen).
Arbeidsproductiviteit: De hoeveelheid werk per werknemer per tijdseenheid. Factoren: scholing, techniek, arbeidsverdeling (specialisatie), mechanisering en automatisering.
Wetgeving: Arbowet (veiligheid/gezondheid) en Arbeidstijdenwet (werktijden en rust).
De Arbeidsmarkt en Werkloosheid
Arbeidsmarkt: Geheel van vraag (bedrijven/overheid) en aanbod (beroepsbevolking: werkenden en werkzoekenden).
Spanning: Tekort aan personeel (krappe markt) leidt tot hogere lonen; overschot (ruime markt) leidt tot werkloosheid en lagere lonen.
Soorten Werkloosheid: 1. Structurele werkloosheid: Verandering in aanbodzijde (machines vervangen mensen, verdwijnen producten). 2. Regionale werkloosheid: Bedrijven vertrekken uit een specifiek gebied. 3. Seizoenswerkloosheid: Werk gebonden aan jaargetijden (bijv. ijscoman). 4. Frictiewerkloosheid: Korte periode (minder dan maanden) tussen banen of na studie. 5. Conjuncturele werkloosheid: Gevolg van dalende bestedingen in de economie.
Loon-prijsspiraal: Vicieuze cirkel waarbij loonstijgingen en prijsstijgingen elkaar versterken.
UWV Werkbedrijf: Instantie voor arbeidsbemiddeling en werkloosheidsregistratie.
Overheid en Belastingen
Collectieve sector: Overheid en sociale zekerheid. Werkt via een budgetmechanisme (versus marktmechanisme van de particuliere sector).
Adviesorganen: CPB (Centraal Plan Bureau - analyses/voorspellingen), CBS (Centraal Bureau voor de Statistiek - data), SER (Sociaal Economische Raad - advies regeringsbeleid).
Rijksbegroting: Jaarlijkse plannen op Prinsjesdag, samengevat in de Miljoenennota.
Belastingstelsel: * Directe belastingen: Over inkomen en vermogen (inkomstenbelasting, vennootschapsbelasting). * Indirecte belastingen: Via aankopen (btw, accijnzen zoals op tabak/benzine, motorrijtuigenbelasting). * Tarieven: Progressief (hoger percentage bij hoger inkomen), degressief, of proportioneel. * Nivellering: Kleiner maken van inkomensverschillen (bijv. door progressieve belastingen en heffingskortingen).
Sociale Zekerheid
Sociale verzekeringen: Betaald uit premies. * Volksverzekeringen: Voor iedereen (AOW, AKW, Wlz). * Werknemersverzekeringen: Voor loondienst (WW, ZW).
Sociale voorzieningen: Betaald uit belastingen (bijv. Participatiewet / bijstand).
Internationale Ontwikkelingen en EU
Open Economie: Land met relatief veel import en export (zoals Nederland).
Handelscijfers: * *
Europese Unie (EU): Vrij verkeer van goederen, diensten, personen en kapitaal. De eurozone gebruikt de euro.
ECB (Europese Centrale Bank): Bewaakt waarde euro en inflatie via rentebeleid.
Begrotingsregels: Tekort max van het BBP, staatsschuld max van het BBP.
Protectionisme: Importheffingen, importquota (contingentering) en exportsubsidies om eigen economie te beschermen.
Ontwikkelingslanden
Kenmerken: Laag inkomen per hoofd, monocultuur, analfabetisme, snelle bevolkingsgroei, slechte ruilvoet.
Hulp: Structurele hulp (langdurig), noodhulp (kortstondig/direct), bilaterale hulp (land-tot-land), gebonden hulp (voorwaarden).
Organisaties: VN, IMF, Wereldbank, WHO.
Rekenen in de Economie
Relatieve verandering:
Indexcijfers:
Samengesteld gewogen indexcijfer:
Rente: * Enkelvoudig: Rente over het beginbedrag. * Samengesteld: Rente op rente:
Afschrijving:
Geld, Consumptie en Markt
Geldvormen: Chartaal (munten/biljetten) en giraal (banktegoed).
Functies van geld: Ruilmiddel, rekenmiddel, spaarmiddel.
Productiefactoren (KANO): Kapitaal (beloning: rente), Arbeid (loon), Natuur (pacht), Ondernemerschap (winst).
Inflatie: Algemene stijging van het prijspeil (CPI meet dit).
Marktvormen: * Volkomen concurrentie: Veel aanbieders, homogeen product. * Monopolistische concurrentie: Veel aanbieders, heterogeen product (merkverschillen). * Oligopolie: Weinig grote aanbieders. * Monopolie: Slechts één aanbieder.
Marketingmix (6 P's): Product, Prijs, Plaats, Promotie, Personeel, Presentatie.
Vragen en Discussie
Vraag Dog4fun: Welke vorm heeft de onderneming als leerlingen privé aansprakelijk zijn? Antwoord: Vennootschap onder firma (vof).
Vraag Arjun: Welke vorm kiezen om niet hoofdelijk aansprakelijk te zijn? Antwoord: Besloten vennootschap (bv).
Vraag Fusie vs. Overname: Wat is het verschil? Antwoord: Bij een fusie is er overeenstemming, bij een overname niet altijd.
Vraag Arbeidsproductiviteit: Waarom lonen verhogen? Antwoord: Als de arbeidsproductiviteit meer stijgt dan de lonen.
Vraag Spanning Arbeidsmarkt: Wanneer stijgt de spanning zeker? Antwoord: Als vacatures stijgen en werklozen dalen.
Vraag Belasting Eenmanszaak: Welke belasting over winst? Antwoord: Inkomstenbelasting.
Vraag Accijns: Doel buiten inkomsten? Antwoord: Gedrag beïnvloeden/gebruik ontmoedigen.
Vraag Hypotheekrente: Gevolg voor belastbaar inkomen? Antwoord: Het is een aftrekpost en verlaagt het belastbaar inkomen.
Stichting: Gebruikt vermogen voor een ideëel doel, heeft een bestuur maar geen leden (bijv. Hartstichting, KWF Kankerbestrijding).
ZZP'er: Zelfstandige zonder personeel; geen juridische vorm op zich, maar een bedrijf met één werknemer/eigenaar.
Samenwerkingsvormen:
Kartel: Verboden afspraak tussen bedrijven om concurrentie te beperken.
Overname: Een bedrijf koopt een ander bedrijf op; controle gaat naar de koper.
Fusie: Twee bedrijven gaan samen op in één nieuw bedrijf.
Economische Sectoren en Arbeid
Vier Sectoren:
Primaire sector: Grondstoffen uit de natuur (landbouw, winning).
Secundaire sector: Verwerking van grondstoffen tot producten (industrie).
Tertiaire sector: Commerciële dienstverlening (winkels, banken).
Quartaire sector: Non-profit dienstverlening (ziekenhuizen, scholen).
Arbeidsproductiviteit: De hoeveelheid werk per werknemer per tijdseenheid. Factoren: scholing, techniek, arbeidsverdeling (specialisatie), mechanisering en automatisering.
Wetgeving: Arbowet (veiligheid/gezondheid) en Arbeidstijdenwet (werktijden en rust).
De Arbeidsmarkt en Werkloosheid
Arbeidsmarkt: Geheel van vraag (bedrijven/overheid) en aanbod (beroepsbevolking: werkenden en werkzoekenden).
Spanning: Tekort aan personeel (krappe markt) leidt tot hogere lonen; overschot (ruime markt) leidt tot werkloosheid en lagere lonen.
Soorten Werkloosheid:
Structurele werkloosheid: Verandering in aanbodzijde (machines vervangen mensen, verdwijnen producten).
Regionale werkloosheid: Bedrijven vertrekken uit een specifiek gebied.
Seizoenswerkloosheid: Werk gebonden aan jaargetijden (bijv. ijscoman).
Frictiewerkloosheid: Korte periode (minder dan maanden) tussen banen of na studie.
Conjuncturele werkloosheid: Gevolg van dalende bestedingen in de economie.
Loon-prijsspiraal: Vicieuze cirkel waarbij loonstijgingen en prijsstijgingen elkaar versterken.
UWV Werkbedrijf: Instantie voor arbeidsbemiddeling en werkloosheidsregistratie.