Economie in de Tweede Middeleeuwen
TWEEDE MIDDELEEUWEN (11de - 14de eeuw)
ECONOMIE IN DE TWEEDE MIDDELEEUWEN
- Overzicht:
- Landbouwsamenleving.
- Opkomst van steden.
- Lange afstandshandel.
LANDBOUWSAMENLEVING
Verschillen tussen Eerste en Tweede Middeleeuwen:
- Eerste Middeleeuwen:
- Gesloten landbouwsamenleving.
- Kleine landbouwnederzettingen.
- Tweede Middeleeuwen:
- Verstedelijking.
- Handelseconomie.
- Stedelijke activiteiten naast landbouw.
- Eerste Middeleeuwen:
Beperkte landbouwopbrengsten in de Eerste Middeleeuwen door:
- Ongunstig klimaat.
- Eenvoudige werktuigen.
- Beperkt aantal gronden in gebruik.
INVLOED KLIMAAT
Temperatuurschommelingen:
- Eerste Middeleeuwen: Schommelend, maar rond het jaar 1000 ongeveer 9°C.
- Tweede Middeleeuwen: Dalende trend, sterke daling in de 13e eeuw.
Gevolgen van klimaatverslechtering:
- Voedseltekorten.
- Daling bevolkingscijfer.
Bevolkingsaantal:
- Blijft toenemen ondanks dalende temperaturen door vernieuwingen in de landbouw.
VERNIEUWINGEN IN DE LANDBOUW
- Twee belangrijke vernieuwingen:
- Uitbreiding van het landbouwareaal.
- Innovaties in de landbouw.
UITBREIDING VAN HET LANDBOUWAREAAL
- Methoden:
- Gebieden ontginnen voor nieuwe landbouwgrond.
- Bossen en heides verwijderen.
- Overstromingsgebieden.
Note: Ontginnen = het gereedmaken van een stuk grond voor landbouw: bos & heide verwijderen, dijken bouwen,…
Uitdaging:
- Vraag naar voedsel blijft stijgen.
- Druk om voldoende voedsel te produceren blijft hoog.
- Onvoldoende ruimte.
Gebruik van gronden:
- In de Eerste Middeleeuwen werden zware kleibodems of losse zandgronden niet gebruikt voor akkerbouw vanwege onvoldoende werktuigen.
INNOVATIES IN DE LANDBOUW
Verbeterde ploegtechnologie:
- Van haakploeg naar keerploeg.
Haakploeg:
- Periode: 1ste middeleeuwen
- Materialen: hout/ ijzer
- Trekkracht: ossen
- Energiebron: gras/haver
- Aanspanning: juk aan de hoorns/haar rond de berst
- Gebruik: snel en wendbaar / traag en zwaar
- Bewerking: grond openrijten
- Geschikt voor: lichte gronden /
Keerploeg:
Periode: 2de middeleeuwen
Materialen: hout / ijzer
Trekkracht: paarden
Energiebron: gras / haver
Aanspanning: juk aan de huums / haam rond de borst
Gebruik: snel en wendbaar / traag en Zweer
Bewerking: openrijten / zoden lossnijden en omkeren
Geschikt voor: zware gronden-lichte gronden zware gronden
Voordelen van de keerploeg:
- Geschikt voor losse zandgronden en vettige kleibodems.
- Efficiënter.
- Meer ijzer → sneller en duurzamer.
- Paarden in plaats van ossen als lastdieren.
Andere innovaties:
- Graanmolens (eind 12de eeuw) met water of wind als energiebron.
- Bemesten van akkers.
Brandcultuur:
- Kappen en verbranden van vegetatie voor nieuwe landbouwgronden.
- Voordelen:
- Grond wordt snel en efficiënt vrijgemaakt.
- Assen van de vegetatie zijn zeer vruchtbaar.
- Mogelijke gevaren:
- Veel .
- Verjagen fauna en flora.
Van tweeslagstelsel naar drieslagstelsel:
Tweeslagstelsel:
- Verdeel de grond in 2
- Jaar 1:
- Zaaien
- Braak
- Jaar 2:
- Braak
- Zaaien
Drieslagstelsel:
- 3-jarige afwisselende cyclus.
- Elk gewas schuift elk jaar door!
- Jaar 1 Wintergraan: Tarwe en Rogge
- Jaar 2 Zomergraan: Haver en Gerst
- Jaar 3 Braak
Voordelen van het drieslagstelsel:
- Ca. 16% meer opbrengst.
- Gronden raken minder snel uitgeput.
- Oogsten op verschillende momenten in het jaar.
VOLKSVERHUIZINGEN NAAR MIDDEN-EUROPA
Aanleiding:
- Hoge vraag naar voedsel.
- Midden-Europa was grotendeels onontgonnen.
Oproep van bisschoppen:
- Bisschoppen van Bremen en Maagdenburg riepen boeren op om zich in het oosten te vestigen.
Motieven van de bisschoppen:
- Verspreiding van het Christendom.
Note: Migratie = Verhuizing van een (grote) groep mensen naar een andere streek of een ander land.
NAAR EEN OPEN LANDBOUWSAMENLEVING
Gevolgen van vernieuwingen:
- Meer landbouwoverschotten.
- Niet iedereen langer boer.
- Andere beroepen zoals smeden, timmeren, weven,… (beroepsspecialisatie).
Kenmerken:
- Landbouwoverschotten op de markt.
- Beperkte geldeconomie in de steden.
- Handel zal toenemen → OPEN LANDBOUWSAMENLEVING!
Begrippen:
Open landbouwsamenleving: Landbouwsamenleving waar er meer wordt geproduceerd dan nodig, zodat de overschotten kunnen verhandeld worden (winst maken).
Markt: plaats waar producten worden gekocht & verkocht. In de ME vonden markten meestal plaats in de steden.
Beroepsspecialisatie: wanneer er verschillende beroepen ontstaan, en iedereen een specifiek beroep met specifieke vaardigheden heeft. Het is niet langer zo dat iedereen boer is.
DE KEERZIJDE VAN DE GROEI
Ontginning bossen:
- Tekort aan constructiehout.
- Tekort aan jachtgebieden.
- Houtimport naar Vlaamse steden (voorbeeld van regionale handel).
Graanteelt in landbouw:
- Grote vraag naar graan uit de steden.
- Stijgende graanprijzen.
- Eenzijdiger dieet voor stedelingen (weinig vlees, vis, zuivel, groenten, fruit).
- Gevoeligheid voor ziektes.
OPKOMST VAN DE STEDEN
AMBACHT
Ontstaan door vernieuwingen in de landbouw:
- Niet iedereen langer boer.
- Kunnen andere jobs uitvoeren.
- Beroepsspecialisatie → ambachtslui.
Note: Ambachtslui Mensen die een specifieke opleiding gehad hebben, en handwerk verrichten. Ze vervaardigen producten.
Ambachten of gilden:
Note: Beroepsverenigingen waar ambachtslui die allemaal hetzelfde ambacht uitoefenen zich in verenigen.
HET LEVEN IN DE STAD
Afhankelijkheid van handel:
- Grondstoffen en afgewerkte producten nodig.
- Voedingsmiddelen.
- Ontstaan van een geldeconomie.
- Ambachtslui werken voor een loon (vooral brood).
Handel:
- Niet enkel lokaal, ook regionale en lange afstandshandel.
- Vlaanderen vooral gekend voor lakenhandel.
Vlaams laken:
- Belangrijkste exportproduct.
- Veel rijkdom voor de elite die investeert in luxeproducten (kruiden, specerijen, juwelen,…).
DE BLOEI VAN DE STEDEN
Ligging van de steden:
- Aan bevaarbare waterwegen.
- Aan landwegen (of op kruispunten van beide).
- Vaak een burcht of abdij in de buurt.
Voordelen:
- Goede transportmogelijkheden voor de handel.
- Veiligheid door de burcht of abdij.
Verstedelijking:
- Grootst in Vlaanderen (ca. 30% van de inwoners woonde in de stad).
BLOEIENDE HANDEL
- Verstedelijking stimuleert de handel (vooral lange afstandshandel).
- Ruilhandel → geldeconomie (zilveren munten, later ook gouden munten).
- Risico's van lange afstandshandel in munten.
DE WISSELBRIEF EN HET BANKWEZEN
Risico's van lange afstandshandel in munten:
- Handelaars konden beroofd worden.
Oplossing:
- Wisselbrief: Een document opgesteld door een bank waarmee handelaars veilig betalingen konden doen zonder munten over een lange afstand te vervoeren.
Banken:
- Ontstaan in Noord-Italiaanse steden (Genua, Siena, Firenze).
- Families zoals de Medici (bankiers uit Firenze).
- Bankfilialen werden opgericht in andere Europese steden.
BLOEI VAN DE LANGE AFSTANDSHANDEL
- Beroepsspecialisatie stimuleert handel in de steden.
- Vlaamse steden rijk door lakenhandel.
- Elite → vraag naar luxeproducten stijgt.
HANDELSROUTES
Verandering in de 14de eeuw:
- Handel verloopt voornamelijk over zee i.p.v. via landwegen en rivieren.
Gevolgen voor Brugge:
- Brugge groeit economisch door de haven.
HANDEL OVER LAND
- Dominant tot 13de eeuw (landwegen + rivieren).
- Jaarmarkten in Champagne.
- Ontmoeting Vlaamse en Italiaanse handelaren.
- VL: laken.
- IT: Oosterse luxegoederen (zijde, kleurstoffen, specerijen,…).
HANDEL OVER ZEE
- Vanaf 14de eeuw: zeeroutes.
- Nieuwe schepen (bv. Kogge):
- Meer laadvermogen.
- Zeewaardiger.
- Eenvoudiger zeetransport.
- Noord-Europa importeert zuiderse producten.
- Brugge: hét handelsknooppunt van de maritieme handel in Noordwest-Europa!