geschiedenis begrippen

Normen en gedrag

Q: Wat betekent normerend of norm-conformerend?
A: Gedrag dat overeenkomt met de heersende normen in de samenleving.

Q: Wat is normafwijkend gedrag?
A: Gedrag dat afwijkt van de geldende normen in de samenleving.

Q: Wat betekent legitimeren?
A: Het rechtvaardigen of als acceptabel verklaren van bepaald gedrag, beleid of systemen.


Economie en overleving

Q: Wat is vraag en aanbod?
A: Het principe waarbij prijzen worden bepaald door de verhouding tussen de vraag van consumenten en het aanbod van producenten.

Q: Wat is een overlevingsstrategie?
A: Manieren waarop mensen in hun basisbehoeften proberen te voorzien onder moeilijke omstandigheden.

Q: Wat is een paradigmaverschuiving?
A: Een fundamentele verandering in het denken binnen een bepaald domein.

Q: Wat betekent schaarste?
A: Het gebrek aan voldoende middelen om aan alle behoeften te voldoen.

Q: Wat is koopkracht?
A: De mate waarin een persoon goederen en diensten kan kopen met hun inkomen.

Q: Wat zijn belastingen?
A: Verplichte bijdragen van burgers aan de overheid om publieke diensten te financieren.

Q: Wat zijn sociale bijdragen?
A: Verplichte betalingen aan sociale zekerheidssystemen door werkgevers en werknemers.


Demografie

Q: Wat is demografische transitie?
A: De overgang van hoge geboorte- en sterftecijfers naar lage geboorte- en sterftecijfers in een samenleving.

Q: Wat is een demografisch dividend of bonus?
A: Economische voordelen van een grote werkende bevolking ten opzichte van afhankelijke groepen.


Sociale structuur en mobiliteit

Q: Wat betekent sociale stratificatie?
A: De hiërarchische indeling van een samenleving in lagen op basis van status, macht of inkomen.

Q: Wat is sociale mobiliteit?
A: Beweging van individuen of groepen tussen sociale lagen of klassen.

Q: Wat is sociale promotie?
A: Het stijgen in sociale status of klasse.

Q: Wat is sociale demotie?
A: Het dalen in sociale status of klasse.

Q: Wat betekent statusbevestigend?
A: Het in stand houden van bestaande sociale posities of verschillen.

Q: Wat is een meritocratische maatschappij?
A: Een samenleving waarin succes wordt bepaald door verdiensten, zoals talent en inspanning.

Q: Wat zijn sociale verwachtingspatronen?
A: Normen en rollen die van individuen worden verwacht door de samenleving.

Q: Wat is structureel geluk?
A: Geluk dat voortkomt uit stabiele maatschappelijke structuren.

Q: Wat is structurele pech?
A: Pech veroorzaakt door nadelige maatschappelijke structuren.

Q: Wat is situationeel geluk?
A: Geluk dat afhangt van toevallige of specifieke omstandigheden.

Q: Wat is situationele pech?
A: Pech door toevallige of tijdelijke omstandigheden.

Q: Wat is willekeur op individueel niveau?
A: Onvoorspelbare gebeurtenissen die individuen beïnvloeden.

Q: Wat is willekeur op maatschappelijk niveau?
A: Onvoorspelbare gevolgen van maatschappelijke structuren of beleid.


Samenleving en kapitaal

Q: Wat is een collectieve samenleving?
A: Een samenleving waarin gemeenschappelijke waarden en groepsbelangen centraal staan.

Q: Wat is een geïndividualiseerde samenleving?
A: Een samenleving waarin persoonlijke vrijheid en individuele rechten voorop staan.

Q: Wat is sociaal kapitaal?
A: Netwerken en relaties die samenwerking en collectieve actie mogelijk maken.

Q: Wat is civiel kapitaal?
A: Middelen en structuren die burgers helpen bij deelname aan de maatschappij, zoals onderwijs.

Q: Wat is tijdskapitaal?
A: De beschikbare tijd voor arbeid, ontspanning of andere activiteiten.


Ideologie en politiek

Q: Wat is een ideologie?
A: Een samenhangend geheel van ideeën over hoe de samenleving georganiseerd zou moeten zijn.

Q: Wat is socialisme?
A: Een ideologie gericht op eerlijke verdeling van economische middelen.

Q: Wat is katholicisme?
A: Een christelijke levensbeschouwing gebaseerd op de leer van de Katholieke Kerk.

Q: Wat is liberalisme?
A: Een ideologie gericht op individuele vrijheid en beperkte overheidsbemoeienis.

Q: Wat is nationalisme?
A: Het streven naar een eigen nationale staat of trots op de eigen natie.

Q: Wat is democratie?
A: Een bestuursvorm waarin burgers invloed hebben via verkiezingen.

Q: Wat is verzuiling?
A: Het opdelen van een samenleving in levensbeschouwelijke of ideologische groepen.

Q: Wat betekent scheiding kerk en staat?
A: Het principe dat religie en politiek gescheiden zijn.

Q: Wat is volkssoevereiniteit?
A: Het idee dat de macht bij het volk ligt en wordt uitgeoefend via gekozen vertegenwoordigers.

Q: Wat is protectionisme?
A: Economisch beleid gericht op het beschermen van de binnenlandse markt tegen buitenlandse concurrentie.

Q: Wat is een sociaal contract?
A: Het idee dat burgers en de overheid wederzijdse verplichtingen hebben.


Geschiedenis en geopolitiek

Q: Wat is nationbuilding?
A: Het proces van het creëren van een nationale identiteit.

Q: Wat is imagebuilding?
A: Het bewust creëren van een positief beeld van een land of organisatie.

Q: Wat zijn de geopolitieke lijnen van West-Europa sinds 1815?
A: Belangrijke ontwikkelingen zoals de industriële revolutie, democratisering en de wereldoorlogen.


Maatschappelijke ontwikkeling

Q: Wat is een civilisatieoffensief?
A: Pogingen om mensen te disciplineren en beschaven volgens dominante normen.

Q: Wat is vooruitgangsoptimisme?
A: Het geloof dat de mensheid zich steeds verder ontwikkelt en verbetert.

Q: Wat is degeneratie?
A: Het idee dat samenlevingen achteruit kunnen gaan in normen, waarden of gezondheid.

Q: Wat zijn disciplineringsmaatregelen?
A: Maatregelen om gedrag te sturen:

  • Preventief: Voorkomen van problemen.

  • Repressief: Bestraffen van overtredingen.


Sociaal beleid en rechtstaat

Q: Wat is structurele liefdadigheid?
A: Langdurige hulp via organisaties of systemen.

Q: Wat is occasionele liefdadigheid?
A: Eenmalige hulp aan behoeftigen.

Q: Wat is een rechtsstaat?
A: Een samenleving waarin wetten de overheid en burgers beschermen tegen willekeur.

Q: Wat is het panopticon?
A: Een model voor toezicht waarin mensen altijd zichtbaar kunnen zijn.