Major Frans

Frans

Nederlands

une entente

verstandhouding

un gâteau

een cake, taart

une interdiction

een verbod

un mensonge

een leugen

une négociation

een onderhandeling

une obligation

een verplichting

une pulsion

een drift, dwang

déplacé / déplacée

misplaatst

impoli / impolie

onbeleefd

inattendu / inattendue

onverwacht

juste

rechtvaardig

maladroit / maladroite

onhandig

obligatoire

verplicht

poli / polie

beleefd

précieux / précieuse

waardevol

têtu / têtue

koppig

accepter (de + inf.)

aanvaarden (te + inf.)

accuser (de)

beschuldigen (van)

céder (à)

bezwijken voor, toegeven aan

gâcher

verspillen

insulter

beledigen, uitschelden

mentir

liegen

négocier

onderhandelen

obtenir

verkrijgen, behalen

prétendre

beweren

alors que

terwijl

ça se mérite

dat moet men verdienen

claquer la porte

de deur dichtslaan

espèce de (+ nom) (fam.)

stuk (+ subst.)

faire une surprise (à quelqu’un)

iemand verrassen

mettre en colère

kwaad maken

ne faire que

niets anders doen dan

un compliment

een compliment

un compromis

een compromis

un conflit

een conflict

un objet

een object, voorwerp

une relation

een relatie

une réplique

een repliek, weerwoord

agressif, agressive

agressief

naïf, naïve

naïef

flatter

vleien, flatteren

répliquer

van repliek dienen

une absence

een afwezigheid

une certitude

een zekerheid

un changement

een verandering

un chant

een gezang

une cinquantaine

een vijftigtal

une circonstance

een omstandigheid

un coupable

een schuldige

un échec

een mislukking

un établissement

een instelling, vestiging

un journal

een dagboek

un/une mineur, mineure

een minderjarige

les paroles

de tekst, woorden

un petit merdeux (vulg.)

een ettertje

une tenue

een kleding, voorkomen

une victoire

een overwinning

infaillible

onfeilbaar

valable

geldig

affirmer

bevestigen

avancer

voortgaan

désigner (se)

aangeven (zich)

destiner

bestemmen, voorbehouden

s’entendre avec quelqu’un

opschieten met iemand

s’imposer

zich opdringen

questionner

ondervragen, vragen stellen aan

réclamer

(op)eisen

reconnaître

herkennen

surprendre

betrappen

surveiller

in de gaten houden

venir chercher

komen halen

à

op (iemands gezondheid)

à part

behalve

bien des

heel wat

puisque

aangezien, vermits

au fur et à mesure que

naarmate

Ça fait combien de temps ?

Hoelang is het geleden?

Tant pis !

Jammer! Niets aan te doen!

une autorité

een gezag

un cachot

een (donkere) cel

un(e) camarade

een kameraad

un domaine

een domein

un flair

een intuïtie, flair

une illusion

een illusie

un internat

een internaat

un poste

een post, functie, betrekking

un surveillant

een surveillant, bewaker, opzichter

blesser

kwetsen, blesseren

(s’) excuser

verontschuldigen, excuseren (zich)

inspirer

inspireren, ingeven