Cicero correctiemodel (1)
Correctie model Pro Milone
Exordium (blz 10)
Vragen:
1a. Milo is een dapper, geestkrachtig man: hij trekt zich niets aan van de soldaten op het Forum.
1b. Geïntimideerd door het geweld, niet gewend aan dergelijke situaties
1c. Cicero hoopt natuurlijk op goodwill van de jury, gezien zijn moeilijke positie.
2a. Er zijn geen omstanders omdat het Forum door militairen is afgezet (en Pompeius heeft voor een versnelde rechtsgang gezorgd: zie laatste zin in de inleiding).
2b. Die wachtposten die u voor alle tempels ziet staan (r. 11 in caput 2), nuttige en nodige wachtposten (r. 13-14 in caput 2), wapens, centurio’s en cohorten (r.18 in caput 3).
2c. Die militairen zijn opgesteld tegen gewelddadigheden, ter bescherming van Cicero en Milo (en ook handig om stilte te waarborgen voor Cicero!) (caput 3).
2d. Dat Pompeius bang was voor criminele acties van (de vrienden van) Milo.
3. Zichzelf presenteert hij als zwak en zonder ervaring in dit soort processen, maar wel met ervaring in normale processen. Milo wordt als dapper man gepresenteerd. Door “wij” en “ons” te gebruiken benadrukt Cicero ook de band tussen advocaat en cliënt.
Propositio (blz 12) Werkvertaling [10-11]
[10] Quid comitatus nostri, quid gladii volunt?
Wat betekenen onze escortes, (en) wat (onze) zwaarden?
Quos habere certe non liceret, si uti illis nullo pacto liceret.
Het zou zeker niet toegestaan zijn die (quos) te hebben, als het in geen geval toegestaan zou zijn ze te gebruiken. (modus van liceret? woordsoort quos?)
Est igitur haec, iudices, non scripta, sed nata lex; quam non didicimus, accepimus, legimus, verum ex natura ipsa adripuimus, hausimus, expressimus;
Dit is dus, rechters, geen geschreven, maar een ontstane wet; die (woordsoort quam?) hebben wij niet geleerd, aangenomen, gelezen, maar hebben we uit de natuur zelf ons toegeëigend, in ons opgenomen, uitgedrukt;
ad quam non docti sed facti, non instituti sed imbuti sumus, —ut, si vita nostra in aliquas insidias, si in vim et in tela aut latronum aut inimicorum incidisset, omnis honesta ratio esset expediendae salutis.
daarin zijn we niet opgeleid, maar gegroeid, niet onderricht, maar doordrenkt, - zodat, als ons leven in een of andere hinderlaag, als (het) in geweld en in wapens van (óf) rovers óf vijanden terecht zou zijn gekomen, elke manier om een redding te bewerkstelligen eerzaam zou zijn. (woordsoort quam? en expediendae?)
EXPEDIENDAE: herhaal gerundivum/gerundium
[11]. Silent enim leges inter arma; nec se exspectari iubent, cum ei qui exspectare velit, ante iniusta poena luenda sit, quam iusta repetenda.
Wetten zwijgen immers tussen wapens; zij bevelen (eisen) niet dat er op hen wordt gewacht, omdat door hem [ei], die wil wachten, eerder een onrechtvaardige straf ondergaan moet worden, dan er een rechtmatige (straf door hem) kan worden geëist.
EXSPECTARI: herhaal infinitivus passief
LUENDA & REPETENDA: herhaal gerundivum/gerundium
Vragen:
4a. Een belager kan niet ten onrechte worden gedood.
4b. Retorische vraag.
5. Wat we legaal mogen bezitten, mogen we gebruiken; wapens zijn wat we legaal mogen bezitten; Conclusie: wapens mogen we gebruiken (zolang het niet is voor onwettige zaken, zoals in de wet voorzien)
6a. Scripta lex tegenover nata lex.
6b. Nata lex.
6c. Omnis ratio expediendae salutis.
6d. Si vita nostra in aliquas insidias, si in vim et in tela aut latronum aut inimicorum incidisset.
7. Waar gevochten wordt, is geen plaats voor een juridische procedure (o.i.d.)
Overgang naar de narratio (blz 14)
vragen [23]
8a. De tenlastlegging is geweest dat Milo (willens en wetens) Clodius heeft vermoord. Milo heeft bekend, dat hij Clodius heeft gedood (uit zelfverdediging).
8b. “Wie op wie een aanslag heeft gepleegd” (regel 8)
8c. Hiermee wordt duidelijk of Milo uit zelfverdediging handelde of dat het moord was met voorbedachten rade.
9a. “Men heeft die mensen als rechters en die man als voorzitter van de rechtbank gekozen, die over deze kwestie rechtvaardig en verstandig kunnen discussiëren”
9b. “Vraag ik u aandachtig te luisteren” (regel 9-10)
Narratio (blz 15)
vragen [24]
10a. 53 v.Chr.
10b. Er zijn onregeldheden.
10c. Pompeius wordt consul sine collega.
11a. “(…) heeft hij onmiddellijk (zijn jaar opgegeven en) zijn kandidatuur naar het volgende jaar opgeschoven.
11b. Godsdienstige redenen.
11c. (1) hij wil een vol jaar voor zijn praetuur, (2) hij wil de staat kapot maken, (3) hij wil Lucius Paulus als collega ontvluchten.
12a. (1) “Omdat hij niet, zoals anderen, lette op de rang van het ereambt” (regel 4); (2) “Hij deed dat niet, zoals normaal is, om een godsdienstige reden.” (regel 9)
12b. (1) “Met alle mogelijke middelen tegen de staat tekeer gaan”, (regel 2) (2) “de staat kapot maken” (regel 6), (3) “het ruïneren van de staat” (regel 10).Narratio (blz 16) vertaling [25]
Occurrebat ei mancam ac debilem praeturam futuram suam consule Milone:
De gedachte kwam bij hem op dat zijn praetuur verlamd en krachteloos zou zijn als Milo consul was (abl. abs. zonder esse!):
eum porro summo consensu populi Romani consulem fieri videbat.
Hij zag verder dat deze met de hoogste instemming van het Romeinse volk consul werd.
Contulit se ad eius competitores, sed ita, totam ut petitionem ipse solus etiam invitis illis gubernaret, tota ut comitia suis, ut dictitabat, umeris sustineret.
Hij begaf zich naar diens tegenkandidaten, maar zó, dat hij zelf alleen hun) hele campagne organiseerde, hoewel zij dit niet wilden (abl abs zonder esse!), (en) dat hij de hele verkiezingen op zijn eigen schouders, zoals hij herhaaldelijk zie, droeg.
Convocabat tribus, se interponebat, Collinam novam dilectu perditissimorum civium conscribebat.
Hij riep de kiesdistricten bijeen, hij bemoeide zich ermee, hij schreef een nieuwe Collina erbij door het inschrijven van zeer verdorven burgers.
Quanto ille plura miscebat, tanto hic magis in dies convalescebat.
Hoe meer hij overhoop haalde, des te meer werd deze hier (=Milo) met de dag sterker.
Ubi vidit homo ad omne facinus paratissimus fortissimum virum, inimicissimum suum, certissimum consulem, idque intellexit non solum sermonibus, sed etiam suffragiis populi Romani saepe esse declaratum, palam agere coepit, et aperte dicere occidendum Milonem.
Toen de man, tot elke misdaad zeer bereid, zag dat een zeer moedige man, zijn grootste vijand, zeer zeker consul zou zijn, en toen hij begreep dat dit niet alleen in gesprekken, maar ook door het stemgedrag van het Romeinse volk dikwijls was uitgesproken, begon hij openlijk te handelen en openlijk te zeggen dat Milo vermoord moest worden.
Vragen:
13a. Consule Milone
13b. In zijn eerste deel van de zin wordt aangegeven dat Clodius in een bepaalde situatie bang is dat zijn praetuur weinig invloed zal hebben. pas in de laatste twee woorden krijgt de jury te horen in welke situatie: consule Milone.
13c. Milo zou hem niet als persoonlijke vijand tegenwerken, maar in de officiële functie van consul. Hij benadrukt dus de legale wijze waarop milo Clodius in toom had kunnen houden.
14a. De concurrenten van Milo
14b. Het pleit deze mensen vrij van de misdadige acties die nu worden genoemd.
14c. Dat Clodius een koppig en autoritair figuur was.
15a. Quanto ille (=Clodius) miscebat, tanto hic (= Milo) magis in dies convalescebat. Ook: occurrebat ei (= Clodius). De hic staat dichtbij Cicero; je kunt je voorstellen dat Cicero naar Milo wijst.
15b. Clodius: homo ad omne facinus paratissimus. Milo: fortissimum, inimicissimum suum, certissimum consulem.
Narratio (blz. 18) vertaling [26]
Servos agrestes et barbaros, quibus silvas publicas depopulatus erat Etruriamque vexarat, ex Apennino deduxerat, quos videbatis.
Slaven van het boerenland en vreemdelingen, met wie hij de staatbossen had verwoest en Etrurië had gekweld, had hij uit de Apennijnen weggeleid/gehaald, die jullie zagen.
Res erat minime obscura.
De zaak was allerminst onduidelijk.
Etenim palam dictitabat consulatum Miloni eripi non posse, vitam posse.
Openlijk immers zei hij herhaaldelijk dat het consulaat Milo niet kon worden ontnomen, het leven (wel).
Significavit hoc saepe in senatu, dixit in contione.
Dikwijls gaf hij te kennen in de senaat, hij zei het op een volksvergadering.
Quin etiam M. Favonio, fortissimo viro, quaerenti ex eo qua spe fureret Milone vivo, respondit triduo illum aut summum quadriduo esse periturum: Ja zelfs aan Marcus Favonius, een zeer moedig man, toen deze aan hem vroeg met welke hoop (qua spe: vragende bijzin!) hij (zo) tekeerging, terwijl Milo in leven was (welke constructie?), antwoordde hij, dat die binnen drie dagen of ten hoogste binnen vier dagen zou sterven .
quam vocem eius ad hunc M. Catonem statim Favonius detulit.
Die uitspraak van hem bracht Favonius meteen naar deze M. Cato.
Vragen:
16a. Dat Clodius bezig was met een aanslag op Milo.
16b. Significabat in senatu (getuigen: de senatoren); dixit in contione (getuigen: alle aanwezigen bij de volksvergadering); respondit M. Favonio (getuige: M. Favonius)
16c. litotes: herhaald in de tekstelementen: palam (r. 9 [25]), aperte (r.9 [25]), palam (r.3 [26]).
16d. Clodius’ bedreigingen aan het adres van Milo zijn van cruciaal belang voor de verdedigingslijn van Cicero: dat niet Milo, maar Clodius een aanslag had voorbereid.
Narratio (blz 12) vertaling [27-28]
[27]. Interim cum sciret Clodius—neque enim erat difficile scire—iter sollemne, legitimum, necessarium ante diem xiii. Kalendas Februarias Miloni esse Lanuvium ad flaminem prodendum, [quod erat dictator Lanuvi Milo,] Roma subito ipse profectus pridie est, ut ante suum fundum, quod re intellectum est, Miloni insidias conlocaret.
Intussen, omdat Clodius wist – en het was immers niet moeilijk dit te weten – dat er een jaarlijks terugkerende, wettelijk vastgestelde, noodzakelijke reis naar Lanuvium was voor Milo op 18 januari om een priester te benoemen [omdat Milo de dictator was van Lanuvium], is hijzelf (Clodius) de dag ervoor plotseling uit Rome vertrokken, opdat hij voor zijn landgoed, wat (later) begrepen is uit de feiten, een hinderlaag voor Milo legde.
Atque ita profectus est, ut contionem turbulentam, in qua eius furor desideratus est, relinqueret, quam nisi obire facinoris locum tempusque voluisset, numquam reliquisset.
En hij is zo (onder zulke omstandigheden) vertrokken, dat hij een roerige vergadering , waarin zijn razernij verlangd werd, verliet die hij, als hij niet had willen voldoen aan de plaats en tijd van de misdaad, nooit had verlaten.
[28]. Milo autem cum in senatu fuisset eo die, quoad senatus est dimissus, domum venit; calceos et vestimenta mutavit; paulisper, dum se uxor (ut fit) comparat, commoratus est; dein profectus id temporis cum iam Clodius, si quidem eo die Romani venturus erat, redire potuisset.
Milo echter, nadat hij in de senaat was geweest op die dag totdat de senaat uiteengezonden was, kwam thuis, wisselde zijn schoenen en kledingstukken; hij wachtte een tijdje, terwijl zijn vrouw zich, zoals dat gaat, klaarmaakte; vervolgens is hij vertrokken op dat tijdstip waarop Clodius, als hij tenminste van plan was die dag naar Rome te komen, (al) terug had kunnen zijn
(modus van potuisset?)
Obviam fit ei Clodius, expeditus, in equo, nulla raeda, nullis impedimentis; nullis Graecis comitibus, ut solebat; sine uxore, quod numquam fere:
Clodius kwam hem tegemoet, onbelemmerd, te paard, zonder reiswagen, zonder belemmeringen, zonder Griekse metgezellen, zoals hij gewoon was, zonder echtgenote, wat (hij) bijna nooit (deed):
cum hic insidiator, qui iter illud ad caedem faciendam apparasset, cum uxore veheretur in raeda, paenulatus, magno et impedito et muliebri ac delicato ancillarum puerorumque comitatu.
Toen deze overvaller hier, die die tocht zou hebben voorbereid om een moord te plegen, met zijn echtgenote reed in een reiswagen, gekleed in reismantel, met een groot en belemmerend en vrouwelijk en verfijnd gevolg van slavinnen en jongens/jonge slaven.
(NB deze zin is eigenlijk een bijzin, hoewel de zin achter een dubbele punt staat)
Apparasset en veheretur: modus + verklaar het gebruik
Narratio (blz 12) [27-28] (vervolg)
Vragen:
17a. Milo: ad flaminem prodendum. Clodius: ut ante suum fundum Miloni insidias conlocaret.
17b. Het motief voor Milo’s reis wordt onderbouwd met de beschrijving iter sollemne, legitimum, necessarium (quod erat dictator Lanuvi Milo). Clodius’ motief onderbouwt Cicero met de toelichting: quod re intellectum est.
17c. Het motief van Clodius moet nader worden toegelicht. Cicero kondigt in het tekstelement aan dat het uit de feiten zal blijken. Hij gaat dus nu de feiten uit de doeken doen.
18a. Milo heeft als bedoeling van de tocht het uitvoeren van dictatorverplichtingen te Lanuvium, Clodius lijkt geen andere reden voor zijn tocht te hebben gehad dan het tegenkomen van Milo.
18b. Milo wordt afgeschilderd als brave burger die een herkenbaar huiselijk ritueel afwerkt, voordat hij vertrekt.
18c. Het beoogde psychologisch effect op de juryleden is waarschijnlijk dat zij zich zullen herkennen in de alledaagse routine van omkleden en op je vrouw wachten. Dat Cicero dit effect wilde bereiken blijkt uit het auteurscommentaar ut fit.
19a. Clodius reist op een manier die hem bewegingssnelheid en krachtige hulp garandeert. Milo echter heeft een traag reisgezelschap en een weinig wendbaar vervoermiddel.
19b. Het asyndeton versterkt de haast van Clodius.
19c. Het polysyndeton magno et impedito et muliebri ac delicato ancillarum comitatu (r.8 [28])
19d. Clodius wijkt af van zijn normale reisgewoonten en moet hier dus een reden voor hebben gehad. Dat hij anders reist dan gewoonlijk benadrukt Cicero met ut solebat (r. 5 [28]) en quod puerorumque numquam fere (r.6 [28]).
Narratio (blz. 14) vertaling [29].
Fit obviam Clodio ante fundum eius hora fere undecima, aut non multo secus.
Hij komt Clodius tegemoet vóór diens landgoed om ongeveer vier uur of niet veel later.
Statim complures cum telis in hunc faciunt de loco superiore impetum: adversi raedarium occidunt.
Meteen doen verscheidenen met wapens een aanval op hem van een hoger gelegen plaats: in een frontale aanval doden ze de koetsier.
Cum autem hic de raeda reiecta paenula desiluisset, seque acri animo defenderet, illi qui erant cum Clodio, gladiis eductis, partim recurrere ad raedam, ut a tergo Milonem adorirentur;
Toen echter hij hier (=Milo) van de wagen was gesprongen, na zijn reismantel over de schouder te hebben geslagen, en (terwijl hij) zich met felle geest verdedigde, beginnen zij die met Clodius waren met getrokken zwaarden, deels naar de wagen te rennen om Milo vanaf de rug aan te vallen;
partim, quod hunc iam interfectum putarent, caedere incipiunt eius servos, qui post erant:
deels, omdat ze meenden dat hij al gedood (was), (beginnen de aanhangers van Clodius) zijn slaven die erachteraan waren te vermoorden.
ex quibus qui animo fideli in dominum et praesenti fuerunt, partim occisi sunt, partim, cum ad raedam pugnari viderent, domino succurrere prohiberentur, Milonem occisum et ex ipso Clodio audirent et re vera putarent, fecerunt id servi Milonis—dicam enim aperte, non derivandi criminis causa, sed ut factum est—nec imperante nec sciente nec praesente domino, quod suos quisque servos in tali re facere voluisset.
Van dezen die met trouwe en aanwezige geest jegens hun meester waren, is een deel gedood (lett: zijn zij deels gedood), deels hebben, toen zij zagen dat er bij de wagen werd gestreden, (toen) zij verhinderd werden hun meester te hulp te komen, (toen zij) zowel van Clodius zelf hoorden dat Milo gedood was als dit voor waar hielden, de slaven van Milo dát gedaan – ik zal het immers openlijk zeggen, niet om de misdaad af te schuiven (gerundivum zonder esse), maar zoals het is gebeurd -, terwijl hun meester het niet beval en ook niet wist en ook niet aanwezig was (abl abs!!), wat ieder zou hebben/had gewild dat zijn slaven in een dergelijk geval doen.
Vragen:
20a. Aanhangers van Clodius doen een aanval op Milo en doden de koetsier. Milo springt uit de wagen en verdedigt zich. Clodius’ aanhangers vallen Milo in de rug aan en een ander deel valt de slaven van Milo aan. Milo’s slaven kunnen niet bij hun meester komen en doden Clodius.
20b. Hij springt uit de wagen en verdedigt zich.
20c. Clodius vertelt Milo’s slaven dat Milo dood is. Het gevolg is zijn eigen dood.
21a. Milo
22b. Polysyndeton en climax
22c. Cicero verschuift de schuld van Milo naar diens slaven. weliswaar ontkent hij met non derivandi causa (r.9-10), dat hij het om die reden zegt, maar hij zegt het intussen toch!
Propositio (blz 16) vragen [30-31]
22a. Dat de staat en de burgers niet meer bang hoeven zijn voor eventuele criminele acties van Clodius.
22b. Een argument om Milo niet te veroordelen kan voor sommige juryleden ook bestaan uit de goedkeuring van de moord op de crimineel Clodius (“laat het dan geen voordeel .. te redden” (r.4-6).
23a. Dat een overval altijd leidt tot de dood van degene die overvallen wordt, want hij mag zich niet verdedigen tijdens de overval (dan wordt hij dus door de belager gedood) en als hij zich wel verdedigt, zal hij in een proces worden veroordeeld als moordenaar (en krijgt de doodstraf).
23b. Ieder mens heeft het recht zich met alle middelen te verdedigen tegen een aanval op zijn leven.
23c. Verstand, het lot, gewoonte, de natuur. Cicero noemt alle mogelijke rechtsgronden om aan te tonen, hoe wijd verbreid deze opvatting is.
24a. “Óf hij gedood is … of het rechtmatig dan wel onrechtmatig was (r. 5-6 [31]).
24b. “Wie voor wie een hinderlaag heeft gelegd.” (r.12 [31])
Argumentatio (blz 17) vertaling [52]
Video adhuc constare, iudices, omnia:
Ik zie nu, rechters, dat alles duidelijk is
Miloni etiam utile fuisse Clodium vivere, illi ad ea quae concupierat optatissimum interitum Milonis;
dat het voor Milo zelfs nuttig was dat Clodius leefde, dat voor hem de dood van Milo zeer gewenst was voor de dingen die hij hevig had verlangd;
odium fuisse illius in hunc acerbissimum, nullum huius in illum;
dat de haat van hem (Clodius) jegens deze (Milo) zeer bitter was, (maar) dat er geen enkele (haat) was van deze (Milo) jegens hem (Clodius);
consuetudinem illius perpetuam in vi inferenda, huius tantum in repellenda;
dat de gewoonte van hem (Clodius) voortdurend bestond uit geweld aandoen, van deze (Milo) slechts uit (geweld) afweren;
mortem ab illo denuntiatam Miloni et praedicatam palam, nihil umquam auditum ex Milone;
dat de dood door hem aan Milo was aangekondigd en openlijk bekend gemaakt, dat van Milo niets ooit/nooit iets was gehoord;
profectionis huius diem illi notum, reditus illius huic ignotum fuisse;
dat de dag van vertrek van deze (Milo) bekend was aan hem (Clodius), dat de terugkeer van hem (Clodius) aan deze (Milo) onbekend was;
huius iter necessarium, illius etiam potius alienum;
dat de reis van deze (Milo) noodzakelijk was, maar van hem (Clodius) veeleer vreemd;
hunc prae se tulisse illo die Roma exiturum, illum eo die se dissimulasse rediturum;
dat deze (Milo) had rondverteld dat hij op die dag weg zou gaan, dat hij (Clodius) geheim had gehouden dat hij terug zou keren;
hunc nullius rei mutasse consilium, illum causam mutandi consilii finxisse;
dat deze (Milo) in geen enkel opzicht zijn plan had veranderd, dat hij (Clodius) een reden om zijn plan te veranderen (gerundivum zonder esse: wegens het veranderen van zijn plan=om zijn plan te veranderen) had verzonnen;
huic, si insidiaretur, noctem prope urbem exspectandam, illi, etiam si hunc non timeret, tamen accessum ad urbem nocturnum fuisse metuendum.
dat deze (Milo), als hij een hinderlaag zou leggen, de nacht dichtbij de stad had moeten afwachten, dat door hem (Clodius), ook als hij deze (Milo) niet vreesde, toch een nachtelijke komst naar de stad gevreesd had moeten worden.
Vragen:
25a. Alle vormen van hic verwijzen naar Milo; alle vormen van ille naar Clodius!
25b. optatissimum, acerbissimum, nullum (huius), perpetuam, tantum, nihil umquam. De hyperbool past in het zwartwit-karakter van de redering.
Argumentatio (blz 19) Vertaling [53].
Videamus nunc (id quod caput est) locus ad insidias ille ipse, ubi congressi sunt, utri tandem fuerit aptior.
Laten we nu zien (dat wat de hoofdzaak is) voor wie van beiden die plaats zelf, waar ze slaags zijn geraakt, eigenlijk geschikter is geweest voor de hinderlaag
Id vero, iudices, etiam dubitandum et diutius cogitandum est?
Moet over dit (punt), rechters, nog getwijfeld en langer nagedacht worden (gerundiva met esse!)?
Ante fundum Clodi, quo in fundo propter insanas illas substructiones facile hominum mille versabantur valentium, edito adversari atque excelso loco, superiorem se fore putarat Milo, et ob eam rem eum locum ad pugnam potissimum elegerat?
Vóór het landgoed van Clodius, in welk landgoed zich vanwege die dwaze bouwsels gemakkelijk een duizendtal sterke mannen bevonden (konden bevinden), op een uitstekende en hooggelegen voor zijn vijand gunstige plek, had Milo (vast) gedacht dat hij superieur was en wegens deze zaak (om die reden) had hij die plaats als meest verkieslijke uitgekozen voor het gevecht?
an in eo loco est potius exspectatus ab eo qui ipsius loci spe facere impetum cogitarat? Res loquitur ipsa, iudices, quae semper valet plurimum.
Of is hij veeleer opgewacht op die plaats door hem die had gedacht in vertrouwen op juist die plek een aanval te doen? De zaak spreekt zelf/voor zich, rechters, wat altijd het meest waard is.
[54]. Si haec non gesta audiretis, sed picta videretis, tamen appareret uter esset insidiator, uter nihil cogitaret mali, cum alter veheretur in raeda paenulatus, una sederet uxor.
Als jullie deze zaken niet zoals ze gebeurd zijn zouden horen, maar (als jullie) ze geschilderd zouden zien, zou toch duidelijk zijn wie van beiden de belager was, wie van beiden niets slechts dacht, aangezien één van beiden gekleed in een reismantel in een reiswagen reed, (en) zijn vrouw bij hem zat.
Quid horum non impeditissimum? Vestitus an vehiculum an comes? Quid minus promptum ad pugnam, cum paenula inretitus, raeda impeditus, uxore paene constrictus esset?
Welk van deze dingen is niet zeer hinderlijk? De kleding of het voertuig of de metgezel? Wat is minder geschikt voor een gevecht, dan wanneer iemand verstrikt in een reismantel, gehinderd door een reiswagen, bijna met de handen gebonden is aan zijn vrouw?
Videte nunc illum, primum egredientem e villa, subito: cur? Vesperi: quid necesse est? Tarde: qui convenit, praesertim id temporis? Devertit in villam Pompei. Pompeium ut videret? sciebat in Alsiensi esse: villam ut perspiceret? miliens in ea fuerat. Quid ergo erat? morae et tergiversationes: dum hic veniret, locum relinquere noluit.
Zie nu hem, als eerste uit zijn villa komend, plotseling: waarom? ’s Avonds: waarom is dat nodig? Traag: wat voor zin had het, vooral op dat tijdstip? Hij slaat af naar de villa van Pompeius. Om Pompejus te zoeken? Hij wist (dat die) op het landgoed bij Alsium was. Om de villa te bekijken? Hij was duizendmaal in deze (villa) geweest. Wat was het dan? Uitstel en getreuzel: totdat deze (Milo) kwam, wilde hij (Clodius) de plaats niet verlaten.
Argumentatio (blz 19) Vragen [53].
26a. Locus ille ipse … utri tandem fuerit aptior (r.1-2).
26b. Cicero beschrijft hoe door Clodius op de bewuste plek voor zijn landgoed gemakkelijk sterke strijders verstopt konden zijn en hoe het hoogteverschil een aanval op een passerende reiswagen helemaal makkelijk maakte.
26c. Cicero gebruikt ironie in de bij b genoemde beschrijving, verder gebruikt hij tweemaal een retorische vraag, waarop het antwoord Milo vrij lijkt te pleiten. Let op, dat de alternatieven in de tweede retorische vraag elkaar niet uitsluiten, bovendien niet uitputtend zijn. Het is immers ook mogelijk dat geen van beiden de plek had uitgezocht voor een hinderlaag, maar dat Milo en Clodius elkaar toevallig daar tegenkwamen en toen slaags raakten. Ander stijlfiguur: antithese (tegenstellingen).
27a. uter esset insidiator, uter nihil cogitaret mali
27b. de retorische vragen maken hier duidelijk dat en hoe Milo’s reissituatie hem belemmerde bij een gewelddadige confrontatie.
27c. De retorische vragen maken hier duidelijk dat Clodius geen enkele plausibele reden had om op het moment dat Milo langskwam uit huis te gaan (behalve dan voor het leggen van een hinderlaag). De antwoorden dragen bij aan de levendigheid van de scène, door een dialoogsituatie te creëren.
27d. Waarschijnlijk weerlegt Cicero hier ook uitspraken van de tegenpartij. Door geen echt antwoord te geven, maar slechts mogelijke uitvluchten van Clodius’ partij tegen te spreken, bouwt Cicero bovendien spanning op tot het echte antwoord komt: Clodius wilde Milo opwachten.
Argumentatio (blz 21) vertaling [55]
Age nunc; iter expediti latronis cum Milonis impedimentis comparate.
Vooruit nu; vergelijk de tocht van een onbelemmerde bandiet met de bagage van Milo.
Semper ille antea cum uxore, tum sine ea; numquam nisi in raeda, tum in equo; comites Graeculi quocumque ibat, etiam cum in castra Etrusca properabat, tum nugarum in comitatu nihil.
Hij (Clodius), eerder altijd met zijn echtgenote, (reisde) toen zonder haar; nooit anders dan in een reiswagen, toen te paard. Griekse gezellen waarheen hij ook maar ging, zelfs toen hij zich naar het Etruskische legerkamp haastte, toen niets van die flauwekul in zijn gevolg.
Milo, qui numquam, tum casu pueros symphoniacos uxoris ducebat et ancillarum greges.
Milo, die (normaal gesproken) nooit, (maar) toen toevallig het slavenorkestje van zijn vrouw meevoerde en scharen slavinnen.
Ille, qui semper secum scorta, semper exoletos, semper lupas duceret, tum neminem, nisi ut virum a viro lectum esse diceres.
Hij (Clodius) die altijd prostituees, altijd mannelijke prostituees, altijd hoeren met zich meevoerde, (had) toen niemand (bij zich), behalve als je zou zeggen dat hij als een man door een man was uitgekozen.
Cur igitur victus est? Quia non semper viator a latrone, non numquam etiam latro a viatore occiditur: quia, quamquam paratus in imparatos Clodius, tamen mulier inciderat in viros.
Waarom is hij dus (dan) overwonnen? Omdat niet altijd de reiziger door de bandiet, soms ook de bandiet door de reiziger wordt gedood: omdat, hoewel Clodius voorbereid op onvoorbereide mensen (was gestuit), (hij) toch als een vrouw was gestuit op mannen/omdat een mietje gestuit was op (echte) mannen.
vragen:
28a. Dat Clodius een aanslag voorbereidde (geen dagelijkse praktijk, zelfs niet voor Clodius).
28b. Ook Clodius ‘normale’ reizen beschrijft Cicero met minachtende verwijzingen (comites Graeculi, nugarum, scorta, exoletos, lupas).
28c. Milo had nu een slavenorkestje bij zich. Reden: casu (toeval). Bovendien is het het orkestje van zijn vrouw (uxoris).
28d. Dat Milo (met slavenorkestje) de aanslag van Clodius overleefd heeft en dat Clodius bovendien is gedood.
28e. Quia semper … in viros; soms wint de reiziger van de overvaller.
28f. Het publiek dat zich identificeert met de reiziger en niet met de overvaller hoort graag dat je ook als reiziger een kans maakt tegen overvallers. Cicero doet dus een beroep op het inlevingsvermogen van de jury (iudices).
Argumentatio (blz 23) vertaling [77].
Quam ob rem si cruentum gladium tenens clamaret T. Annius:
Daarom als T. Annius – een bebloed zwaard vasthoudend – zou roepen:
'Adeste, quaeso, atque audite, cives: P. Clodium interfeci; eius furores, quos nullis iam legibus, nullis iudiciis frenare poteramus, hoc ferro et hac dextera a cervicibus vestris reppuli, per me ut unum ius, aequitas, leges, libertas, pudor, pudicitia in civitate maneret!'
“Let alstublieft op, burgers, en luister: ik heb P. Clodius gedood; ik heb zijn razernij, die wij niet meer met wetten, niet met gerechtelijke vonnissen konden beteugelen,met dit zwaard en met deze rechterhand van jullie nek afgewend, opdat/zodat door mij alleen het recht, billijkheid, wetten, vrijheid, moraal en fatsoen in de staat blijven bestaan!”
esset vero timendum, quonam modo id ferret civitas!
zou (dan) waarachtig gevreesd moeten worden, hoe de staat dit (dan wel) zou opvatten!
Nunc enim quis est qui non probet, qui non laudet, qui non unum post hominum memoriam T. Annium plurimum rei publicae profuisse, maxima laetitia populum Romanum, cunctam Italiam, nationes omnes adfecisse et dicat et sentiat?
Want is er nu iemand, die niet goedkeurt, die niet bewondert, die niet zegt en meent dat sinds mensheugenis T. Annius bij uitstek de staat het meeste voordeel heeft gebracht, dat hij het Romeinse volk, heel Italië, alle volkeren de grootste blijdschap heeft bezorgd?
Non queo vetera illa populi Romani gaudia quanta fuerint iudicare:
Ik kan niet beoordelen hoe groot die blijdschap van het Romeinse volk vroeger is geweest:
multas tamen iam summorum imperatorum clarissimas victorias aetas nostra vidit, quarum nulla neque tam diuturnam attulit laetitiam nec tantam.
Toch heeft ons tijdperk al veel glansrijke overwinningen van de grootste opperbevelhebbers gezien, waarvan geen enkele zo’n langdurige en zo’n grote blijdschap heeft bezorgd.
Argumentatio (blz 23) vertaling [78].
Mandate hoc memoriae, iudices.
vertrouw dit toe aan/prent dit in jullie herinnering, rechters.
Spero multa vos liberosque vestros in re publica bona esse visuros:
Ik hoop dat jullie en jullie kinderen veel goede zaken in de staat zullen zien.
in eis singulis ita semper existimabitis, vivo P. Clodio nihil eorum vos visuros fuisse.
Bij ieder daarvan zullen jullie altijd menen dat jullie niets daarvan zouden gezien hebben als P. Clodius in leven was.
In spem maximam, et (quem ad modum confido) verissimam sumus adducti, hunc ipsum annum, hoc ipso summo viro consule, compressa hominum licentia, cupiditatibus confractis, legibus et iudiciis constitutis, salutarem civitati fore.
Wij zijn tot zeer grote hoop, en (zoals ik vertrouw) tot zeer gegronde hoop gebracht, dat zelfs/juist dit jaar, terwijl deze grootste man zelf consul is, heilzaam voor de staat zal zijn, nadat/omdat de teugelloosheid van de mensen bedwongen is, de begeerten ingetoomd zijn, (en) de wetten en gerechtelijke vonnissen in ere hersteld zijn.
Num quis est igitur tam demens, qui hoc P. Clodio vivo contingere potuisse arbitretur? Quid? ea quae tenetis, privata atque vestra, dominante homine furioso quod ius perpetuae possessionis habere potuissent?
Wie is dus zo dwaas, dat hij meent dat dit had kunnen gebeuren wanneer P. Clodius in leven zou zijn? Wat nog? Welke aanspraak zouden jullie hebben kunnen maken op het blijvende bezit van dat wat jullie (nu) bezitten, privé en van jullie (zelf), wanneer een razende vent de baas speelt?
Peroratio (blz 25) vertaling [104].
O di immortales! fortem et a vobis, iudices, conservandum virum!
O onsterfelijke goden! Wat een dappere man en (waardig) om door jullie gered te worden!
'Minime, minime,' inquit. 'Immo vero poenas ille debitas luerit: nos subeamus, si ita necesse est, non debitas.' Hicine vir, patriae natus, usquam nisi in patria morietur?
Helemaal niet, helemaal niet, zegt hij. Hij heeft stellig zijn verdiende straf ondergaan: laten wij, als het zo nodig is, een onverdiende (straf) ondergaan.” Zal deze man, geboren voor het vaderland, ergens anders dan in zijn vaderland sterven?
aut, si forte, pro patria? Huius vos animi monumenta retinebitis, corporis in Italia nullum sepulcrum esse patiemini?
Of, eventueel, vóór zijn vaderland? Zullen jullie de gedenktekenen van zijn karakter bewaren, zullen jullie toelaten dat er geen graf van/voor zijn lichaam in Italië is?
Hunc sua quisquam sententia ex hac urbe expellet, quem omnes urbes expulsum a vobis ad se vocabunt?
Zal iemand met zijn stem hém uit deze stad verdrijven, die alle steden, als hij door jullie verdreven is, tot zich zullen roepen?
Peroratio (blz 25) vertaling [105].
O terram illam beatam, quae hunc virum exceperit: hanc ingratam, si eiecerit; miseram, si amiserit!
O dat gelukkige land, dat deze man nu zal ontvangen: dit ondankbare land, als het hem heeft verbannen; ongelukkige, als het hem heeft verloren!
Sed finis sit: neque enim prae lacrimis iam loqui possum, et hic se lacrimis defendi vetat.
Maar laat dit het einde zijn: want ik niet niet meer vanwege de tranen spreken, en hij wil niet dat hij met tranen wordt verdedigd.
Vos oro obtestorque, iudices, ut in sententiis ferendis, quod sentietis id audeatis.
Ik vraag en smeek jullie, rechters om bij het uitbrengen van jullie stemmen (gerundivum zonder esse is hier als een verzelfstandigde infinitivus te beschouwen), te durven wat jullie voor juist houden.
Vestram virtutem, iustitiam, fidem (mihi credite) is maxime probabit, qui in iudicibus legendis optimum et sapientissimum et fortissimum quemque elegit.
Jullie moed, rechtvaardigheid en trouw, geloof mij, zal hij in het bijzonder goedkeuren, die bij het kiezen van de rechters (jawel hier is nog zo’n constructie!) precies de beste, wijste en de dapperste heeft gekozen.