athena

gratis cursus

Apolipoproteiene : ligand(herkenning voor receptoren)

Apoc2: moet aanwezig zijn voor activatie lipase

Apoc1/3: zorgen dat lipase niet plaatsvindt (dus gebruik je als je het vet niet naar deze plek gaat)

endogene pathway gaat vanuit de lever
vldl in lever gemaakt-> in circulatie: vetten eruit gehaald door LDL

Cholesterol nodig voor maken hormonen

Chylomicronen ontstaan in de darmen
VLDL wordt omgezet in LDL na afgifte van triglyceriden aan de perifere weefsels
HDL (hero): goed

Very lowL en ldl vanuit lever op later moment (dus als iemand niet eet)
-> na maaltijd veel chylomicron

Ductis lymphaticus Dexter heeft niks te maken met alles onder diafragma
exogeen: vet opgeslagen in lever
endogeen: wnr je vast komt vet naar buiten
Statines remmen de boel maar zetten  het niet opslot


LDL (Low Density Lipoprotein) vervoert juist cholesterol en vetten naar perifere weefsels — het verwijdert geen triglyceriden. Het wordt daarom geassocieerd met een verhoogd risico op cardiovasculaire aandoeningen, niet verlaagd.

VLDL (Very Low Density Lipoprotein) wordt door de lever gemaakt en geeft triglyceriden af aan weefsels.Na verlies van triglyceriden wordt VLDL omgezet in IDL en daarna LDL

  • Intestinale enzymen breken chylomicronen af (niet VLDL). VLDL komt uit de lever, niet uit de darm.

  • D. Hepatische lipasen breken LDL/IDL af, niet primair VLDL. Voor VLDL-afbraak is lipoproteïnelipase (LPL)belangrijk (en die zit juist in perifere weefsels zoals vet en spier).

HDL:
Anti-oxidatieve werking

  • HDL bevat enzymen zoals paraoxonase-1, die geoxideerde vetten (lipiden) kunnen afbreken (hydrolyseren).

  • Geoxideerde lipiden zijn schadelijk → ze spelen een rol in ontsteking en vaatwandbeschadiging.

  • Door deze oxidatie te remmen, werkt HDL beschermend tegen schade aan bloedvaten.

    3. Anti-inflammatoire werking

  • HDL remt de expressie van ontstekingsfactoren zoals:

    • VCAM-1 = molecuul dat witte bloedcellen laat plakken aan de vaatwand.

    • MCP = trekt ontstekingscellen aan.

  • Door deze stoffen te onderdrukken voorkomt HDL ontstekingsreacties in de bloedvaten, wat gunstig is bij het voorkomen van hart- en vaatziekten.

  • reverse cholesterol transport

Statines:

Wat doen statines?

Statines zijn cholesterolsyntheseremmers

Ze remmen het enzym HMG-CoA reductase, dat een belangrijke stap in de aanmaak van cholesterol in de lever uitvoert

Wat is het gevolg van deze remming?

1. Minder cholesterolproductie in de lever

→ De lever merkt: “Ik heb te weinig cholesterol in huis.”

2. De lever gaat meer LDL-receptoren maken

→ Daardoor neemt de lever extra LDL-cholesterol uit het bloed op om het tekort aan te vullen

3. Resultaat:

Lagere LDL-waarden in het bloed (→ minder risico op atherosclerose)

Minder VLDL-synthese → want VLDL bevat veel triglyceriden en cholesterol

Samenvatting:

Statines verlagen het cholesterolgehalte in het bloed, doordat de lever:

zelf minder cholesterol maakt;

meer LDL uit het bloed opneemt; en minder VLDL produceert.

Ezelsbrug:

Statines → Stoppen HMG-CoA reductase → Slurpen LDL uit het bloed

erking van statines (cholesterolsyntheseremmers):

  • Statines remmen het enzym HMG-CoA reductase in de lever.

  • Daardoor wordt de eigen aanmaak van cholesterol in de lever geremd.

  • Door dit tekort aan intracellulair cholesterol gaat de lever meer LDL-receptoren maken.

  • Deze receptoren vangen LDL-deeltjes uit het bloed weg.

  • Resultaat: lagere LDL-cholesterolwaarden in het bloed.


les 1

De 3 spierlagen(bijzonder want normaal 2) van de maagwand (samen muscularis propria genoemd) (van binnen naar buiten):

  1. Binnenste schuine spierlaag

    • Alleen in de maag (niet in de rest van het darmkanaal).

    • Functie: voedsel mechanisch afbreken en rondbewegen voor goede vermenging met maagsap.

  2. Middelste circulaire spierlaag

    • Vooral sterk ontwikkeld bij de pylorus (de maaguitgang).

    • Functie: regelen van de doorgang naar het duodenum via de pylorussfincter.

    • Werkt als een soort sluitspier.

  3. Buitenste longitudinale spierlaag

    • Loopt in de lengte van de maagwand.

    • Functie: peristaltische golven opwekken → voortstuwen van de voedselbrij richting de pylorus.


    • Volgorde van de spijsbrij (voedsel):

  1. Stomach (maag)

  2. Duodenum (twaalfvingerige darm)

  3. Jejunum (nuchtere darm)

  4. Ileum (kronkeldarm)

  5. Caecum (blinde darm)

  6. Ascending colon (opstijgende dikke darm)

  7. Transverse colon (dwarse dikke darm)

  8. Descending colon (afdalende dikke darm)

  9. Sigmoid colon (S-vormige dikke darm)

  10. Rectum (endeldarm)

  11. Anus (niet gelabeld op deze afbeelding, maar dat is het einde)

De appendix zit aan het caecum vast, maar is geen onderdeel van de route die voedsel volgt.

Wat is de ileocoecale overgang?
De ileocoecale overgang is de grens tussen het terminale ileum (laatste deel van de dunne darm) en het caecum (eerste deel van de dikke darm).

Hier zit een klepstructuur: de valvula ileocaecalis, ook wel klep van Bauhin genoemd.

Reguleert de doorgang van darminhoud→ Laat voedselbrij (chymus) geleidelijk van de dunne darm naar de dikke darm stromen.
Voorkomt terugstromen van dikke darminhoud naar het ileum→ Zo blijft de bacteriële flora van de dikke darm gescheiden van de dunne darm, wat belangrijk is om infectie of overgroei van bacteriën te voorkomen.
Helpt bij het ritme van de spijsvertering→ Door het openen en sluiten van de klep beïnvloedt het de passagetijd van voedsel en de opname van voedingsstoffen.
→ is een vernauwing dus er kunnen dingen vast te komen zitten

maligniteit is vaak in hoofd pancreas: whipple operatie (pancreas kop vw)
De lijn van Cantlie is een denkbeeldige lijn die de lever verdeelt in een rechter en linker functionele helft (niet hetzelfde als de anatomische lobben!): fundus van galblaas naar VCI: fysiologisch: eigen bloedvoorziening
-8 segmenten
-anatomische helften gaat volgens lig. teres hepatis (v.umbilicalis)

lig. coronarium: tussen diafragma en lever: houdt lever op tegen diafragma

ductus venosus: bloed overslaan lever : na geboorte: lig. venosum (verbw)

sinusoïd: vanaf het mengen van bloed v. portae en a. hepatica

Kupffercellen zijn gespecialiseerde macrofagen die zich bevinden in de sinusoïden van de lever (de kleine bloedruimtes tussen de levercellen).

ruimte van Disse: tussen sinusoïd en hepatocyten dus extracellulair maar niet in bv
gal door canaliculi→ kanalen van Hering: overgang canaliculi en de grotere galwegen→perilobulaire kanalen→ ductuli(kanalaen) interlobulares→ ductus hepaticus
buikholte: bekken tot diafragma

peritoneaal holte: (holte)alles wat tussen het pariëtaal en visceraal blad
→ bestaat uit grote en kleine zak (klein = bursa omentalis, groot gw holte onder omentum majus)

  • Mesenterium is de ophangband van de dunne darm (jejunum en ileum) met bloedvaten erin.

  • Radix mesenterii is de aanhechtingslijn van het mesenterium aan de achterwand van de buik.

  • Punt van Treitz is de overgang van het duodenum naar het jejunum, opgehangen aan een spierband (ligament van Treitz).

preperitoneaal: voor peritoneum

a.gastrica sinisra: binnenbocht darm
a.hepatica communis: splitst→ a. gastrica dextra + a. gastroduodenalis→ wat verder gaat: a. hepatica propria

rectum supergoed doorbloed (3 delen): 2 delen komen van a. iliaca interna: venen gaat niet langs v.portae: reden wrm zetpil zo snel actief is (gelijk in bloed + geen first-pass effect

Als er vetten en eiwitten in het duodenum komen (dus: als je net gegeten hebt), dan:

detecteren de cellen die voedingsstoffen,

en geven CCK af aan het bloed.


Het heeft meerdere doelen:

1. Galblaascontractie

CCK = chole (gal) + cysto (blaas) + kinine (in beweging zetten)

➤ Galblaas trekt samen → gal komt vrij in de darm

Gal helpt bij vetvertering

2. Stimuleert pancreas

➤ CCK stimuleert exocriene cellen van de pancreas → productie van verteringsenzymen zoals lipase, amylase, proteasen

3. Vertraagt maaglediging

➤ Zorgt dat de maaginhoud langzaam doorgaat naar de darm

Zo heeft de darm genoeg tijd om vetten en eiwitten goed te verwerken

4. Remt eetlust (in hersenen)

➤ CCK heeft ook een rol in verzadiging (je voelt dat je vol zit)

cardia is soort sfincter van de maag

papil van Vater zit bij pars descendens

→ uitmoding ductus choledochus + ductus pancreaticus
-papilla duodeni minor: ductus pancreaticus accessorius
→bij papil van Vater ligt sfincter van Oddi: kringspiertje: reguleert afgifte pancreassappen en gal naar duodenum (CCK ontspant deze sfincter)

→sfincter van Boyden: ductus choledochus: reguleeert afgifte gal
Duct van Wirsung: voornaamste pancreas duct
Duct van Santorini: accesoires duct pancreas
(als doorloopt heet het ook Santorini (maar word ook vaal duct van Wirsung genoemd: discussie)

portale hypertensie: als lever niet goed werkt : druk heel hoog: alle collaterale takken benut
-oesophagusvarices: in slokdarm bevinden zich veel van die collateralen: venen worden benut: gaan zich heel erg uitzetten (venen liggen super oppervlakkig: snel bloeding/scheuren): moeilijk t estoppen + moeilijk te vinden: kan dood bloeden
-caput medusae: ook opp venen rond de navel die benut gaan worden bij portale hypertensie


microscopie
muscularis mucosae: spierlaag van mucosa
muscularis propria = muscularis externa
(foto maag 1 en 2 moeten omgedraaid worden)
slijmbekercellen produceren slijm: voedsel makkelijker door MGD (begin: bescherming tegen darmenzymen eind: hulp aangezien voedsel harder wordt (ontlasting))→ kleuren heel licht op coupe
dunne en dikke darm: eenlagig cilindrisch epitheel

plexus van Meissner heeft geen sympatische innervatie: je wilt niet dat als je sympatische ding aangaat je energie naar maag en darmen gaat

M-cel zit verspreid over tractus digestivus tussen epitheel→ presenteren zaken uit lumen van de darmen aan dentritische cellen (afweer creeren voor iets wat je nog niet hebt opgenomen)
GALT bevat veel lymfatisch weefsel

ileum bevat patches of pleyer

plexus Meissner: muscularis mucosae
plexus auberbach: musculairs externa

TRANSPORT,SECRETIE EN ABSORPTIE
speeksel is vooral voor het verteren van kh (=zetmeel): amylase
→ maar ook beetje lipase voor afbraak vet en wat anderen enzymen voor afbraak ew (amylase wel significanter)

SJorgen:
vocht afscheiding werkt niet goed: slijmvliezen drogen uit: droge mond + ogen (moeilijk zweten)

slokdarm:meerlaging plaveiseilepitheel: bescherming bv scherp ding gegeten
barrettoesofagus: meerlagig plaveisel→cilindrisch (door beschadiging)

dwarsgestreept spierweefsel (1e deel oeso): meer controle over
UES SFINCTER: via hersenzenuwen (medulla oblagata)
LES: dikkere spierlaag + hoek tussen oeso en maag werkt ook bij (als hoek scherp is minder makkelijk zuur van maag reflux maar ook minder makkelijk voedsel in maag→ je wilt dat als LES ontspant die hoek ook beetje meegeeft : dmv spierpezen van diafragma)
-ontspanning LES: n.vagus

Les en cardia sfincter niet hetzelfde maar loopt wel in elkaar over

De musculus cricopharyngeus is het onderste deel van de onderste keelspier en vormt de bovenste slokdarmsfincter (UES). Hij is in rust gespannen en opent alleen kort tijdens het slikken, zodat voedsel in de slokdarm kan komen. Bij stoornissen in deze spier kunnen slikproblemen ontstaan.

aspiratie: voedsel gaat helemaal omhoog: komt trachae/longen terecht

therapie achalasie: kans op reflux verhoogt: vergroting opening + sfincter aangestast

in fundus maag verzamelen gassen


MAAG
pepsinogeen→wordt door zure mileu pepsine: vertering van ew tot polypeptiden
klierbuizen in mucosa van de maag: geen vili geen crypte, maar implooingen : klierbuizen→ diep daarin zitten cellen verspreid
rood: parietaal
roze: hoofdcellen
paars: slijmnapcellen
→ paars meer aan oppervlak, dieper vooral roze aanwezig
entero-endocriene cellen zitten ook verspreid in de maag
mucus loopt ook beetje klierbuis in zodat hcl daar niet alles sloopt

tijdens gastrische fase: tijdelijke pH stijging: eten heeft hogere pH dan maag
→extra stimulatie G-cellen
-afbraak ew: az komen vrij: stimulatie G-cel

hoe lager pH: D-cellen geactiveerd:negatieve feedback

PANCREAS
endocrien is vooral maken glucagon en insuline: komt niet in darm terecht maar in circulatie
in pancreas enzymen nog niet actief want je wilt niet dat ze per ongeluk lichaams eigen ew gaan afbreken
enzym dat nog niet actief is zymogeen of pro-enzym

enterokinase zorgt voor omzetting inactieve trypsinogeen naar actieve trypsine

LEVER EN GALWEGEN
galzouten nodig voor emulgeren: in terminale ileum opgenomen→ vena portae→ weer in gal→ hergebruikt voor vetten emulgeren etc: enterohepatische kringloop
-5%: raakt verloren via ontlasting

cholelithiasis: galstenen maaar onbekend waar, pt heeft er ook geen last van (bv als iemand aan het afvallen is: gal stil in de blaas:
Cholestase is het ophoping van gal (galstuwing): eig alleen bij steen vast in choledochus maar ook hepaticus want dan kan gal niet naar duodenum
mensen kunnen leven zonder galblaas: alsnog gal van lever naar duo maar geen opslag meer dus minder (kan soms irri zijn met vetiig eten: sneller diarree)
ontsteking vaak gevilg van steen die vast zit

galstenen cholesterol meest voorkomend
zonder gal ontkleurde ontlasting en donkere urine:
Ontlasting wordt ontkleurd
→ Normaal zorgt galpigment (bilirubine) voor de bruine kleur van de ontlasting.
→ Zonder gal = lichtgrijze of stopverfkleurige ontlasting

  • Urine wordt donker
    → Bilirubine kan niet via de gal naar de darmen, dus wordt via de nieren uitgescheiden.
    → Resultaat: donkerbruine urine (cola-achtig)

    fertile: vruchtbare levensfase

icterus: door cholestase
ERCP: via slokdarm naar de maag naar papil van Vater: precies mooi zien waar die steen zit + je kan gelijk steen weghalen: bij obstructie

hemoglobine is niet oplosbaar in water: wordt via albumine getransporteerd
ongeconjugeerd bilirubine is schadelijk + niet oplosbaar in water: om uit lichaam te scheiden moet het oplosbaar zijn in water
→ geconjugeerd is gw extra groep eraan plakken om het onschadelijk en oplosbaar te maken

hemolyse (heem = bloed, lysis = uiteenvallen) worden de rode bloedcellen versneld afgebroken. Ze leven dan niet de gebruikelijke 100 tot 120 dagen, maar kunnen na enkele dagen, soms al enkele uren, weer afgebroken worden.

-bepaalde ziektes waar bilirubine niet in hepatocyt kan worden opgenomen

ASAT en ALAT: enzymen zeggen wat over lever zelf: hepatitis: waarden omhoog
Gamma-GT en AF zijn voor tekenen van cholestase: waarden gaan omhoog
bilirubine totaal: ongeconjugeerd + geconjugeerd

ductus choledochus is de ductus die door de pancreas heen gaat


DARMEN
klieren van Brunner zitten in submucosa: produceren oa bicarbonaat: alleen in duodenum aanwezig

vs neem je bijna niet op via colon:
relatief gezien wordt er veel water opgenomen ja want er wordt niet veel anders opgenomen, maar vergeleken met de dunne darm is het weinig

geen vili = colon ( wel microvili maar niet te zien op coupe)

Haustra zijn de zakvormige uitstulpingen van de dikke darm. Ze ontstaan doordat de taeniae coli (longitudinale spierbanden van de muscularis externa) korter zijn dan de darm zelf. Daardoor wordt de darmwand geplooid. Haustra zijn dus geen onderdeel van de spierlaag, maar ontstaan door de werking ervan.
→ als taeniae samentrekt vormen ze de haustra
→ haustra draagt bij aan rondvormige peristaltiek

plique circulares: dunne darmen
semilunares: colon
→ semilunaire folds zitten tussen de haustra

middels hoek die m.puborectalis maakt kan bepaald worden hvl ontlasting er uit gaat
intern: glad spierweefsel
extern: bewust ontspannen als soort 2e safe

m.levator ani: complex van bekkenbodem en m.puborectalis: groen gekleurd

enterische zenuwcellen ontstaan uit embryologie uit neurale lijstcellen
Hirschung
→ deel darm niet goed geinnerveerd: peristaltiek niet opgang: ontlasting gaat ophopen: stuk darm moet weggehaald worden (geen andere oplossing)
Coeliakie
HLA-DQ2 of HLA-DQ8: moet je hebben (als je hebt heb je niet gelijk de ziekte maar zonder heb je helemaal niet)
terwijl Gliadine wordt gedeanimeerd door tTG2: bindt een vn de 2 HLA ew : T en B cellen geactiveerd: cytokines voor ontsteking + antilivhamen tegen gliadine en tTG2
→ HLA ew zijn presenterende ew : delen van gliadine en tTG2 worden eraan gepresenteerd
→ immuunreactie: darmcellen sterven af: vlokatrofie: je krijgt kale darm: ze kunnen hun adere functies ook niet meer uitvoeren (eig probleem met gluten opnemen: dood: geen ew/vetten kunnen opnemen

ventraal mesenterium: omentum minus + lig. falciforme
dorsale mesenterium: omentum majus, mesenteria




les 2

heterotherm= lichaams temp kan erg varieren

conductie: hand tegen koud voorwerp→ warmte hand gaat naar dat koude voorwerp

cerebrale cortex: bewust zenuwstelsel krijgt ook signalen: als je koud hebt → trui aandoen

fysieke trauma: veel cellen kapot: inflammatoire reactie: koorts

regelaar: komen signalen van thermoreceptoren binnen
controller: geeft signaal wat er moet gebeuren (temp omhoog/omlaag?)
proces: actie om voor elkaar te krijgen
→ nieuwe temp: geregelde waarde→ gemeten door thermoreceptoren (-/+ terugkoppeling)

convulsies: epileptische aanvallen

glycogenolyse: afbraak van glycogeen naar glucose
gycogenese: aanmaak glycogeen met glucose
glycolyse: afbraak glucose naar pyruvaat
gluconeogenese: aanmaak van glucose dmv andere stoffen

anabolisme: leidt tot opbouw van iets
katabolisme: afbraak

insuline wordt als groeifactor gezien omdat eht de opname van az en aanmaak van ew bevordert

VLDL speelt grote rol bij vasten dus als je glucose in bloedstroom hebt is VLDL niet echt noodzakkelijk aanwezig

insuline is een soort sleutel die bepaalde cellen (zoals spier-vetcellen) helpt om glucose uit het bloed op te nemen. Zonder unsuline blijven de ‘deuren’ (bv GLUT4) gesloten
→ levercellen gebruiken glut 2, dat insuline-onafhankelijk is: glucose kan daardoor in en uit de lever zonder insuline

LPL: haalt vet uit (circulatie) chylomicronen voor in vet in vetweefsel
insluine houdt hormoongevoelige lipase (IN VETWEEFSEL!!) (afbraak van vet tegen): stopt vorming van vetzuren en glycerol:
-glycerol kan door de lever worden gebruikt voor gluconeogenese
-vrij vetzuren kunnen de lever aanzetten tot ketonvorming en stimuleren indirecht ook gluconeogenese

in mitochondrien binnen en buiten membraan
→ glycolyse vindt plaats in cytosol
→pyruvaat oxidatie in matrix
→ citroenzuurcyclus ook in matrix
→ oxidatieve fosforylering binnenmembraan
cytosol:

  • Dit is de vloeistof buiten de mitochondrion, in de rest van de cel.

matrix:

  • Dit is de ruimte binnenin de mitochondrion, binnen de binnenste membraan.

1 glucose molecuul zorgt voor 2 acetyl-CoA moleculen of 2x lactaat (anearoob)
-glycolyse enige proces die anaeroob kan plaatsvinden: netto 2 ATP winst elke keer

NADH → NAD+ npdig voor werking glycolyse (zonder NAD+ stopt glycolyse)
→ bij omzetting van pyruvaat in lactaat wordt NADH omgezet in NAD+

anaerobe proces vindt plaats in mitochondrien

cori-cyclus
Situatie: spier werkt hard, weinig zuurstof

  1. In de spier:

    • Glucose → Pyruvaat → Lactaat

    • Dit gebeurt via anaërobe glycolyse (want weinig O₂)

    • Hierdoor ontstaat ATP én NAD⁺ wordt geregenereerd

    • Maar: er hoopt zich lactaat op → spierverzuring


  2. Lactaat gaat naar de lever (via het bloed)

In de lever:

  1. Lactaat → Pyruvaat → Glucose

    • Dit kost energie (ATP)

    • Dit proces heet gluconeogenese


  2. De glucose gaat terug naar de spier (via het bloed)
    En zo ontstaat de cyclus:

Spier: Glucose → Lactaat (ATP geproduceerd)
Lever: Lactaat → Glucose (kost ATP)
Glucose terug naar spier

Waarom is dit belangrijk?

  • Het zorgt ervoor dat spieren blijven werken tijdens zuurstoftekort

  • De lever helpt door lactaat op te ruimen en nieuwe glucose te leveren

  • Zo blijft er tijdelijk energie beschikbaar, ook zonder zuurstof

afbraak lipiden→ acetyl-coa
TAG: g;ycerol molecuul met 3 vetzuren
→ koppelen we water molecuul aan: vetzuur afsplitsen (3x gedaan)
losse vetzuren kunnen we benutten in beta-oxidatie
→ eerst naar mito transporteren (daarvoor moeten ze wel geactiveerd worden)
→ dan wordt er COA opgeplakt: vettig COA (zo kan niet getransporteerd worden: carnitine bindt er tijdelijk aan)
product beta-oxidatie: ACOA: steedts 2 C afsplitsen van vetzuur totdat vetzuur helemaal op is
vetzuur van 8 Ctjes moet 3x beta-oxidatie cyclus door want laatste keer hou je 2 over (/2-1)

EW

Situatie: spier breekt eiwitten af (bijv. bij vasten of langdurige inspanning)

In de spier:
  1. Eiwitten → aminozuren (zoals glutamaat)

  2. Glutamaat draagt zijn aminogroep (NH₂) over op pyruvaat

    → Dit vormt alanine (een aminozuur)

  3. Alanine wordt via het bloed naar de lever vervoerd

    → Handig: zo wordt stikstof (NH₂) veilig vervoerd zonder ammoniakvorming

    In de lever:

  4. Alanine wordt omgezet in:

    • Pyruvaat → gebruikt voor gluconeogenese → glucose

    • NH₂ (de aminogroep) → via ureumcyclus → ureum → uitgescheiden via de nier

  5. De gemaakte glucose gaat terug naar de spier

    → Kan daar weer gebruikt worden voor energie

Dus: wat doet deze cyclus?

  • Helpt spieren om stikstof veilig kwijt te raken (via alanine → lever → ureum)

  • Levert nieuwe glucose terug aan de spier (uit pyruvaat van alanine)

  • Speelt vooral een rol bij langdurige inspanning of eiwitafbraak bij vasten

glucose en fructose zijn monosaccharide


glycolyse: pyruvaat vorming
pyruvaat decarboxylering: acetyl-CoA vorming
citroenzuurcyclus: elektronentransporters vol maken
oxidatieve fosforylering: ATP creeren

je kan dus glucose maken uit glycogeen maar ook uit az (alanine) en vetzuren (glycerol) dit is endogeen en kan opraken!

VOEDING EN GEZONDHEID
spoorelementen: weinig nodig voor goede functie (teveel kan toxisch zijn)
ew afgebroken door pepsine tot oligopeptiden….

enterocyt=darmcel
absorptie kh
opname glucose via SGLT1 (andere monosachariden worden via andere transporter)

verzadigde vetten slecht want verhogen LDL:

  • De lever maakt VLDL (Very Low Density Lipoprotein) → ook met triglyceriden

  • VLDL wordt afgebroken door LPL → er ontstaat:

    • IDL (Intermediate Density Lipoprotein)

    • daarna → LDL (Low Density Lipoprotein)
      Wat doet LDL dan?

  • LDL bevat vooral cholesterol

  • Brengt cholesterol van de lever naar cellen in het lichaam

  • Te veel LDL → risico op plaquevorming in vaten


Chylomicronen (gemaakt in de darm na vetinname) → vervoeren voedingsvetten (triglyceriden) via bloed

  • Lipoproteïne lipase (LPL) breekt de triglyceriden af → vrije vetzuren + glycerol

  • Wat overblijft heet: chylomicron remnant → gaat naar de lever
    →Wat overblijft na afgifte van triglyceriden wordt opgenomen door de lever

    • De lever recycleert onderdelen van de remnant: fosfolipiden, cholesterol, apolipoproteïnen etc.

    • Maar: de lever maakt nieuw VLDL aan, met eigen triglyceriden (dus niet door direct ombouw van de remnant)

    dus

  • Chylomicron (darm) → remnant → lever → afgebroken / hergebruikt

  • Lever → maakt VLDL → wordt IDL → wordt LDL


niet-oplosbare fermenteerbare vezels: blijven in colon zitten: trekken beetje water aan: betere stoelgang

80% van wat je eet moet binnen schijf van vijf zijn en 15% niet

DM2
perifere ongevoeligheid voor insuline→ beta-cellen denken bloedsuikerwaarde gaat niet omlaag→ gaan harder werken en meer insuline maken→disfunctioneren en uiteindelijk ook kapot
normaal glucosewaarde: tussen 4-6 mmol/L

metabole acidose: pH wordt lager→ coma/ dood
je moet rustig compenseren voor hyperglykemie: kan je niet in een keer oplossen

hyperglycemie: lichaam wilt glucose uitscheiden via urine→ glucose erg osmotisch actief: osmotische diurese: water aangetrokken uit circulatie om in urine te gaan: veel plassen+ veel vocht kwijt

bij diabetische ketoacidose worden ketonen gevormd terwijl bij HHS is er nog beetje insuline: trigger om ketonen te produceren afwezig
mensen met diaetes zijn hongerig want ze krijgen wel glucose binnen maar kunnen niet gebruiken
vaginale infecties door suiker in urine

metabool syndroom: syndroom met component misregulatie in glucosehuishouding

DM1: insuline nodig niks anders te doen
DM2: zie pp

DIARREE
organisch: wezenlijke anatomische afwijking, degenlijk ziektebeeld
functioneel: wel iets aan de hand maar geen pathofysiologische afwijking

calprotectine: ew geproduceerd door witte bloed cellen, dus heel actief als er ontsteking ofzo is in de darm→ komt dan ook in ontlasting terecht
-elastase zit normaal in ontlasting

als stoffen in darmlumen zitten die osmotisch actief zijn maar niet kunne worden opgenomen: trekken water aan
→ als stopt met eten: niet -resorbeerbare stoffen komen niet meer in darmlumen : diarree stopt

-bij secretoire diarree: veel ionen in darmlumen

passage diarree: langzame passage→ ontlasting lang in darmen→ bacteriele overgroei→langere contacttijd→ zowel osmotisch als secretoir diarree ontstaan
pefenvraag 1: niet c want je zit verder in darm: vetten worden meer begin van darm opgenomen

osmotische diarree is minder waterig en voluminieus dan secretoir

in suikervrije kauwgom:
Sorbitol → slecht opgenomen → trekt water aan (osmose) + wordt gefermenteerd → meer water en gas → diarree


Lever:

  • Stimulatie:

    • Glycogeensynthese: glucose → glycogeen (voor opslag)

    • Glucoseoxidatie: glucose wordt verbrand voor energie

    (Kleine letter: Insuline zorgt er ook voor dat glucose wordt omgezet in vetzuren en triglyceriden (vetten), en remt de afgifte van vetrijke VLDL-deeltjes door lipolyse te remmen → minder vrije vetzuren → minder VLDL. Bij diabetes type 2 werkt deze remming slecht → meer VLDL en vetten in bloed).

  • Suppressie:

    • Glycogenolyse: afbraak van glycogeen → minder glucoseafgifte

    • Gluconeogenese: aanmaak van glucose uit aminozuren → wordt geremd

    (Kleine letter: insuline remt enzymen voor gluconeogenese, vermindert het aanbod van aminozuren door minder eiwitafbraak, en stimuleert opname van aminozuren in weefsels — behalve de lever).

  • Opname van glucose in de lever is grotendeels onafhankelijk van insuline.
    → Glucose komt makkelijk de lever in, ook zonder insuline.

Spierweefsel:

  • Stimulatie:

    • Glucoseopname (via GLUT4: insuline-afhankelijk!)

    • Glycogeensynthese: glucose → glycogeen

    • Glucoseoxidatie: glucose wordt verbrand

  • Suppressie:

    • Afbraak van glycogeen

Vetweefsel:

  • Stimulatie:

    • LPL (lipoproteïnelipase): haalt vetzuren uit het bloed zodat ze kunnen worden opgeslagen

  • Suppressie:

    • HSL (hormoongevoelige lipase): dit enzym breekt vet af → insuline remt dit → minder vetafbraak

  • Calcitonine verlaagt de hoeveelheid calcium in het bloed door de botafbraak te remmen. Ook zorgt het ervoor dat de botten meer calcium opnemen uit het bloed. Hierdoor daalt de hoeveelheid calcium in het bloed.


oefentoets

  • e hypothalamus stuurt de hypofyse aan via het portale bloedvatensysteem.

  • De hypothalamus remt normaal gesproken de afgifte van prolactine door middel van het hormoon dopamine.

  • Als de bloedtoevoer van de hypothalamus naar de hypofyse wordt doorgesneden (zoals in deze vraag), dan komt dopamine niet meer aan bij de hypofyse.

  • Gevolg: geen remming meer → prolactine stijgt sterk in het bloed.

Andere hypofysehormonen (zoals FSH, LH, ACTH, TSH) nemen juist af, omdat hun stimulerende releasing-hormonen (GnRH, CRH, TRH) vanuit de hypothalamus ook niet meer aankomen.

Prolactine is een hormoon dat vooral bekend staat om zijn rol in de melkproductie (lactatie) bij vrouwen, maar het heeft ook andere functies.

📌 Functie van prolactine:

1. Melkproductie
  • Prolactine wordt afgegeven door de hypofysevoorkwab (adenohypofyse).

  • Het stimuleert de melkklieren in de borst om melk aan te maken na de bevalling.

  • Tijdens de zwangerschap stijgt prolactine al, maar melkproductie start pas echt na de bevalling (als oestrogeen/progesteron dalen).

2. Onderdrukking van ovulatie
  • Hoge prolactinespiegels remmen de afgifte van GnRH → hierdoor daalt FSH en LH → dus geen eisprong.

  • Daarom is borstvoeding vaak een natuurlijke vorm van anticonceptie (maar niet 100% betrouwbaar).

3. Bij mannen
  • De functie is minder duidelijk, maar:

    • Te veel prolactine → remt testosteronproductie en zaadcelvorming.

    • Kan leiden tot verminderde libido, erectiestoornissen, en onvruchtbaarheid.


Een specifiek symptoom van een galsteen in de galblaas is:

✅ Koliekpijn in de rechter bovenbuik, uitstralend naar de schouder of rug

Kenmerken van deze pijn:

  • Plotseling optredend na een vetrijke maaltijd

  • Hevige, krampende pijn rechts boven in de buik (rechter hypochondrium)

  • Uitstraling naar de rechter schouderbladregio of rug

  • Duurt meestal 30 minuten tot enkele uren

  • Soms gepaard met misselijkheid en braken

Urobilinogeen is een afbraakproduct van bilirubine, dat ontstaat in de darm en deels terug opgenomen wordt in het bloed en via de urine wordt uitgescheiden.

  • Bij hemolyse (versnelde afbraak van rode bloedcellen):

    • Komt veel bilirubine vrij.

    • Leidt tot verhoogde productie van urobilinogeen.

    • → Meer urobilinogeen in de urine ✔

  • Bij choledocholithiasis (galsteen in de galweg):

    • Is er obstructie van galafvoer naar de darm.

    • Daardoor komt minder bilirubine in de darm, en dus minder urobilinogeen.

    • → Urobilinogeen in urine is dan laag of afwezig ❌


les 3

adh en pxytocine worden gemaakt in hypothalamus maar afgegeven via neurohypofyse

hypothalamus naar voorkwab: portaalvatensysteem
hypothalamus naar achterkwab: lange neuronencellen

prolactine remt GnRH: vruchtbaarheid achteruit
→ door uitvallen gonadale as

TRH stimuleert prolactine
galactorroe: verhoogde melkproductie

isthmus

schildklier versterkt werking van catecholamines: sterker effect/gevoeliger
→ bij hyper: toegenomen hartslag door gevoeligheid adrenaline

bij hypothyreoïdie eerst hyper want vele stimulatie + vechten antistoffen→ trekt immuuncellen aan: inflammatoire reactie→ cellen kapot→TH hormoon dat al was gemaakt stroomt uit colloid naar circulatie

cortex=schors

paraneoplastisch cushing: tumor in long die ACTH afgeeft→ overstimulatie bijniet voor cortisol

midnight speekselcortisol: s nachts hoort cortisol laag te zijn : met dit kan je zien dat of de waardes s nachts laag zijn zoals het hoort of niet

dexamethason: zelfde als cortisol: teveel? ACTH hoort te dalen, maar als ACTH onafhankelijk wordt geproduceerd bv door tumor dan werkt de - feedback ofc niet

ACTH test: je geeft ACTH→ komt er cortisol? nee→ bijnierschorsinsufficientie

als je natrium vasthoudt, hou je water vast
als aldosteron laag is: Na laag: verlies veel zouten: trek in zout eten

lage cortisol: weinig glucose
hydrocortison: vervanging cortisol

hypovolemische shock (ernstig tekort aan circulerend bloedvolume)

aNATOMIE VAN DE VROUW
-a/v uterina: komen uit a. iliaca interna

in ligamentum suspensorium ovarii: a/v ovarica

cavum Douglasi: diepste ruimte

cervix bestaat uit binnen en buiten gedeelte

a. ovarica uit aorta
a uterina en vaginalis uit iliaca interna

urether beide bij man en vrouw van blaas naar de nieren


MAN
cellen van Leydig zo dichtbij want hoge con nodig voor maken spermacellen

als exogeen testosteron gespoten wordt: - feedback op hypothalamus→. geen zaadcelproductie

vorming spermacellen duurt ongeveer 3 maanden

MENSTRUATIE
corpus albicans: litteken
corona radiata: steuncellen om eicel heen

folliculaire fase: begin mens-ovulation

GROEI
MDL-gerelateerde oorzaak: door malabsorptie: afnemen in gewicht en daarna afname lengte

endocriene oorzaak: gewixht neemt onverklaarbaar toe en daarna afname in lengtegroei

bij dwerggroei helpt geven van GH niet door plek van mutatie