Hoofdstuk 2: Milieu en inzicht

2.1 Mobiliteit

Hoe ga ik mij verplaatsen?

De manier van verplaatsen is afhankelijk van de afstand die afgelegd moet worden. We gebruiken als leidraad hiervoor het STOP-principe:
0 tot 1 km → Stappen / te voet
1 tot 10 km → Trappen / te fiets
10 tot 20 km → Openbaar vervoer
20 tot > km → Privé en openbaar vervoer

STOP-principe: duurzame benadering

Een duurzaam mobiliteitsbeleid begint bij het STOP-principe

Dat is afhankelijk van de activiteitsketen bv: kinderen afzetten, werken, winkelen, etc.
De kostprijs voor de gekozen manier van verplaatsen verschilt heel sterk:

  • te voet / per fiets = goedkoop

  • openbaar vervoer = relatief goedkoop

  • auto = duur → aankoop auto, verzekering, taksen, tanken, onderhoud, banden, …

Carpoolen

Carpoolen houdt in dat meerdere mensen met één auto naar het werk rijden. Het verdelen van de autokosten over de inzittenden is een belangrijk kostenvoordeel. Tevens biedt het samen rijden fiscale voordelen.
Er zijn speciale plaatsen ingericht om je auto te parkeren om te carpoolen. Deze parkeerplaatsen vind je meestal in de buurt van een autosnelweg.

2.2 Ecodriving

Ecodriving zorgt ervoor dat brandstof wordt bespaard en koolstofdioxide (CO2) uitstoot wordt beperkt.

Nieuwe motoren en technieken kunnen helpen om het verbruik van onze auto te verminderen. Natuurlijk helpt dit niet als we niet met de juiste attitude achter het stuur kruipen.

Voor ecodriving telt dat je goed anticipeert, rustig rijdt en de risico’s goed inschat. Hierdoor zal je besparen op brandstof en onderhoud.

Enkele tips:

  1. vertrek rustig en schakel tijdig naar een hogere versnelling

  2. kijk ver vooruit, anticipeer en vermijd remmen. Laat de auto uitrollen in dezelfde versnelling (brandstoftoevoer wordt volledig afgesloten)

  3. rem niet bruusk en trek niet bruusk op

  4. wees spaarzaam op de airco, achterruitverwarming en mistlampen

  5. schakel de motor uit als je denkt langer dan 30 seconden te moeten stilstaan → veel nieuwe auto’ hebben een start/stop-systeem

De katalysator

Dit ‘filter’ zit ingebouwd in de uitlaat en haalt veel gevaarlijke stoffen uit de uitlaatgassen.
De katalysator raakt beschadigd als er onverbrande brandstof in terechtkomt. Vermijd daarom:

  • langdurige startpogingen

  • aanslepen of aanduwen als de motor nog warm is

  • Rijden met een brandstoftank die bijna leeg is

De katalysator zet via een chemische reactie schadelijke uitlaatgassen om in niet-schadelijke gassen. De katalysator is in staat om bij een hoge temperatuur (400°C) 90% van de uitlaatgassen te zuiveren.

Bandenspanning

Het zuinig rijden is erg belangrijk bij ecodriving. het brandstofverbruik hangt af van meerdere factoren:

  • Bandenspanning: te lage spanning leidt tot meer verbruik (zie foto hieronder). Controleer de bandenspanning bij voorkeur aan het begin van de rit, als je banden nog koud zijn.

  • Rijstijl en snelheid: een gelijkmatige snelheid bespaart brandstof.

  • Lading: onnodig ballast zorgt voor een hoger verbruik.

  • Verbruikers: airco en rijden met open ruiten kost meer brandstof

Controlleer je bandenspanning regelmatig. Bij nieuwere auto’s wordt aangegeven op het dashboard als de spanning te laag is met de TPMS (Tire Pressure Monotoring System):

De juiste bandenspanning vind je in het instructieboekje, bestuurdersportier of de brandstofklep.
Een te lage of te hoge spanning kan leiden tot abnormale slijtage van de banden.

Bandenspanning bij zware belanding of lange afstanden kunnen met 0,3 bar verhogen.

Ecodriving

Rijd niet onnodig met een imperiaal (dakrek) of dakkoffer, verover fietsen zo mogelijk achteraan op de wagen en niet bovenop.
Een vuile luchtfilter zorgt eveneens voor een hoger verbruik, net zoals rijden met open ramen.

Op de snelweg kan je brandstof besparen door cruise control te gebruiken.

De lage emissiezone (zie foto hieronder) geldt alleen voor motorvoertuigen behalve voor brom- en motorfietsen, zij mogen er altijd in. De lage emissie zone (LEZ) is ingesteld om de uitstoot van root en fijnstof in de binnenstad te verminderen. Enkel voertuigen met schone motoren mogen de LEZ nog inrijden.

Je rijdt zuiniger door goed afstand te bewaren. Zo kan je blijven rijden en verlagen in snelheid zonder te moeten stoppen.

Komt er rook onder de motorkap vandaan en je begeeft je in een tunnel? Probeer eerst de tunnel uit te rijden.

2.3 Mechaniek

Voertuigeisen

  • maximaal 12 meter lang

  • maximaal 2,55 meter breed

  • maximaal 4 meter hoog

  • kentekenplaat voor en achter. achter met verlichting

  • veilig brandstofsysteem dat niet lekt

  • snelheidsmeter en kilometerteller

  • luchtbanden met maximaal 1,6 mm profiel (diepste groef)

  • veersysteem met goed werkende schokdempers

  • deugdelijke stuurinrichting

  • remsysteem dat werkt op alle wielen

  • parkeerrem die werkt op minimaal 2 wielen

  • één goedwerkende claxon met waste toonhoogte

  • goed sluitende deuren, motorkap & kofferdeksel

  • ruiten zonder beschadigingen

  • ruitenwissers, ruitensproeiers en ontdooier t.b.v. de voorruit

  • een linker- en rechterbuitenspiegel en een binnenspiegel

  • autogordels voor alle zitplaatsen

  • twee grote lichten, twee dimlichten en twee standlichten (wit of geel)

  • twee richtingsaanwijzers aan elke zijkant (oranje)

  • alarmlichten aan de voorkant (wit of geel) en aan de achterkant (oranje of rood)

  • twee achterlichten (rood)

  • drie stoplichten (rood of oranje)

  • twee niet-driehoekige rode retroreflectoren aan de achterzijde

  • één of twee mistachterlichten (rood)

  • twee dagrijlichten

Als mistlampjes branden, moeten die te zien zijn aan een controle lampje op het dashbord (zie foto hieronder). Mistlicht aan de voorzijde is niet verplicht.

Het is verboden met en auto te rijden of laten rijden als:

  • de auto niet deugdelijk gebouwd of ingericht is, of rijtechnisch in onvoldoende staat van onderhoud verkeert.

  • de auto zo is ingericht dat er onvoldoende uitzicht naar voren of opzij is. Het blinderen van je voorruit en voorste zijruiten met bv spiegelfolie is niet toegestaan.

  • de auto een gebroken buitenspiegel heeft. Spiegels zijn verplicht en dienen in orde te zijn.

  • de auto niet voldoet aan de hiervoor genoemde voertuigeisen.

Om te controleren of de auto technisch in orde is moet je naar de autokeuring gaan. Zij controleren of je aan alle wettelijke bepalingen voldoet. Dit moet 1x/jaar als de wagen ouder is dan 4 jaar. Doe je dan niet, kan je een procesverbaal krijgen opgesteld door de politie (+ boete).

Naar de autokeuring dien je een gelijkvormigheidsattest, een inschrijvingsbewijs, een uitnodiging om je voertuig te laten keuren (niet verplicht) en een geldig keuringsbewijs (als auto ouder is dan 4 jaar)

Voorbereiding en controle

Controles voor het rijden:

BRAVO staat voor (B) banden, brandstof, (R) remmen, ruiten, (A) aandrijving, accu, (V) verlichting, (O) olie

  • banden: controleren op profieldiepte en eventuele beschadigingen en of ze de juiste spanning hebben. Een juiste bandenspanning geeft een betere wegligging, voorkomt bandenslijtage en beperkt het brandstofverbruik.

    • te hard opgepompt: contact met wegdek is aanzienlijk kleiner. De banden zullen in het midden van het loopvlak veel sneller slijten. De wegligging neemt af, vooral in bochten, en de remafstand neemt toe.

  • Olie: check de olie m.b.v. de pijlstok (eerst schoonmaken om dan te meten). Het oliepijl moet tussen het minimum en maximum streepje zijn. controleer ook het pijl van de koelvloeistof, remvloeistof en het water in het ruitensproeier reservoir.
    Moet altijd gedaan worden met een koude motor!

Controles tijdens het rijden:

  • meters en lampjes

  • vreemde geluiden, trillingen en geuren

Kleine reparaties, bijv.:

  • zekering of lamp vervangen

  • wiel verwisselen

Verplicht aanwezig in de auto:

  • retroreflecterend veiligheidsvest

  • brandblusser (6 jaar goed)

  • gevarendriehoek

  • verbanddoos

Voorbereiding en controle

Het profiel:

  • zorg er (o.a.) voor dat de band goed water, modder vuil kan afvoeren

  • de minimale wettelijke profieldiepte is 1,6 mm, 3 mm wordt aangeraden.

Aandachtspunten:

  • brede banden: meer kans op aquaplanning

  • winterbanden: beter rijeigenschappen als de temperatuur lager ligt dan 7°C. Ze blijven soepeler hebben meer grip op sneeuw. Dit heeft te maken met lamellen in het profiel en een zachtere rubbersamenstelling.

Advies voor winterbanden: minimale profieldiepte van 4 millimeter.

Propere ruiten

Zorg dat je altijd voldoende zicht hebt.
Als je voorruit plotseling buil wordt (bv door een passerende vrachtauto) moet je dit direct kunnen verhelpen. Zorg dus dat je altijd voldoende ruitensproeiervloestof in je reservoir hebt.

Het bandenlabel

Dit verplichte label geeft aan:

  • hoe zuinig een band is

  • hoe veilig een band remt op nat wegdek

  • hoeveel lawaai een band maakt

Bandenaanduiding

Voorbeeld bandaanduiding: 205/60 R15 91V

250 = breedte van band in mm
60 = hoogte/breedteverhouding: de hoogte is 60% van de breedte
R = radiaal band
15 = diameter van de velg on duim of inch
91 = draagvermogen (91 = 615 kg)
V = snelheidssymbool
DOT-code = productiedatum
(bv: DOT 2515 = week 25 van het jaar 2015)

Montage van de band

Als vooraan diagonaalbanden liggen, mag je achteraan radiaal- of diagonaalbanden monteren.
Liggen vooraan echter radiaalbanden, dan moeten ook achteraan radiaalbanden worden gemonteerd.

Sneeuwkettingen en spijkerbanden

Sneeuwkettingen mogen alleen gebruikt worden bij sneeuw en ijzel.
Oefen thuis met het opleggen van sneeuwkettingen.

Spijkerbanden:

  • mogen gebruikt worden van 1 november tot 31 maart en alleen bij sneeuw of ijzel.

  • de maximumsnelheid op gewone wegen is dan 60 km/u, op snelwegen en wegen met vier of meer rijstroken 90 km/u.

  • het monteren met een snelheidsplaat met ‘60’ aan de achterzijde is verplicht.

Het dashboard

Het dashboard geeft informatie over je voertuig door:

  1. meters

    • bv snelheidsmeter en toerenteller

  2. waarschuwingslampjes

    • rood: stop zo snel mogelijk en controleer

    • geel: stop op een veilige plaats en controleer

  3. functioneringslampjes

    • ingeschakelde functies

Functioneringslampjes
Branden als een bepaalde functie is ingeschakeld

Rode waarschuwingslampjes
Urgent probleem. Stop direct en onderzoek wat er aan de hand is.

Gele waarschuwingslampjes
Minder urgent probleem. Onmiddellijk stoppen is niet noodzakelijk. Wel snel naar (laten) kijken.

Brandstofbesparing

Start - stopsysteem:
Zet je versnelling vrij en laat je koppeling opkomen. De motor slaat af. Wil je weer verder rijden, dan duw je de koppeling in en de motor zal automatisch starten. Hierdoor bespaar je brandstof bij stops in het verkeer.

Cruise control:
Met de cruise control kun je de gereden snelheid vastzetten. Door de constante snelheid te rijden, bespaar je brandstof.

Adaprtieve cruise control: de snelheid houdt niet alleen je snelheid in de gaten, maar het zorgt ook voor voldoende volgafstand. Als een voorligger te dicht nadert, zal je automatisch in snelheid verminderen.