Pathologie deel 2.10-2.12

2.10. Pathologie intercellulaire matrix

2.10.1. De proteoglycanen

2.10.1.1. Eigenschappen

Proteoglycanen = centrale eiwitstreng waarop zijketens vastzitten

  • Zijketens = polymeren zure mucopolysacchariden, nl glycosaminoglycanen (GAG’s: kerataansulfaat, dermataansulfaat en chondroïtinesulfaat)

  • Centrale eiwitstrengen = gekoppeld aan axiale hyaluronzuurketen

  • =>Proteoglycaanaggregaat

Aanmaak centrale eiwitstreng door ribosomen RER →transport naar cisternen RER: aanmaak glycosaminoglycaan zijketens →transport naar Golgi→ vrijstelling in Golgi vesikles en transport naar plasmamembraan →exocytose naar interstitium

2.10.1.2. Functie en pathologie

1. Tal hormonen beïnvloeden watergehalte bw:

  • Glucocorticoïden remmen proteoglycaansynthese en -secretie →H2O

  • Hypothyroïdie (thyroxinetekort) geeft vermindering dermataansulfaat en opstapeling hyaluronaat →slijmig-vochtig aspect dermis en subcutis = myxoedeem

  • Oestrogenen activeren celreceptoren voor (mineralo)corticosteroïden, prostaglandines en relaxine →vochtgehalte stijgt →bw uier en geboortewegen weker en oedemateuzer tijdens bronst en partus

2. Chronische mechanische drukbelasting thv beenderige uitsteeksels

  • Lokale toename synthese en secretie proteoglycanen in dermis en hypodermis + afscheiding fibronectine dat aanmaak collageenbundels induceert

  • “liggers”: proliferatiehyperkeratose epidermis (ligplek) én toename proteoglycanen en collageen in dermis! gebonden water kan vrijkomen door verval proteoglycanen →vocht gevulde holte in subcutis (cyste / legger) →confluentie leidt tot grotere slijmbeurzen (bursa subcutanea)

  • Niet verwarren met bursitis:

    • Onderhuids een bursa subcutaneae onder elleboog

    • Als je constant op elleboog leunt of valt ->door infectie of ontsteking: cellen en vocht opstapelen in bursa

3. Myxomatose bij konijn:

  • Pokkenvirusinfectie

  • Lokale toename proteoglycanen en myxomen in dermis thv oogleden, oren, lippen en uitwendige genitalia

4. Sharpei: stoornis in metabolisme zure mucopoly sacchariden →overmatige opstapeling zeer sterk water bindende proteoglycanen in dermis→ enorme huidplooien

5. Ontstekingen: vrijkomen proteasen uit ontstekingscellen→ toename extracellulaire afbraak proteoglycaan

  • Bacteriële infectie: bacteriële hyaluronidase breekt proteoglycanen af →meer vrij water →bacteriën dringen gemakkelijker door

6. Defecten in bepaalde hydrolytische enzymen rol spelen in natuurlijke afbraak (turn-over) proteoglycaan

2.10.2. De elastinevezels

Veerkracht en elasticiteit van oa huid, ligamenten, bloedvaten en longen

2.10.3. De collageenvezels

Collageen = meest voorkomende eiwit in lichaam

  • Denatureert bij verhitten tot gelatine: snoep, lijm, capsules, …

  • bw: extracellulair matrix proteïne dat bestaat uit 3 gevlochten helixen

SYNTHESE

  • Procollageen (triple helix) gevormd

  • Extracellulair gebeurt afsplitsing terminale peptidegroepen door procollageen-peptidase →polymerisatie →steviger

  • Lysyl oxidase = lysinoxidase: oxideert lysineresiduën →cross-linking →steviger

  • Collagenase breekt collageen af →bij hoge turn over collageen minder sterk (malser vlees bij jonge dieren)

2.10.3.1. Stoornissen in de synthese

Aangeboren of verworven defecten in enzymen bij collageen synthese leiden tot versch aandoeningen

  • 1. Dermatosparaxie (alle huiszoogdieren) en Ehler-Danlos syndroom (mens)

    • =Erfelijk defect in procollageen-peptidase→ verhindert afsplitsing terminale peptidegroepen →geen polymerisatie protofibrillen tot collageenvezels

    • Huid extreem elastisch, broos en scheurbaar; gewrichtslaxiteit

  • 2. Scheurbuik (ziekte Möller-Barlow bij jonge dieren)

    • Verworven tekort aan vit C verhindert intracellulaire hydroxylering proline en lysine →geen omvorming mogelijk protofibrillen tot collageenvezels

    • Cavia en primaten zelf geen vit C aanmaken!

    • Onvoldoende stevigheid collageen →afwijkende stand tanden, bloedingen in collageen op plaatsen sterke mechanische belasting: osteoporose en fracturen, subcutane ecchymosen

  • 3. Chronisch kopertekort: onvoldoende activatie lysinoxidase = geen vorming aldehydebruggen tussen protofibrillen

  • 4. Lathyrisme: proprionitrile aanwezig in zaden erwt remt eveneens lysinoxidase →fragiliteit vaatwanden met aneurismavorming, demyelinisatie, stoornissen in been- en kbvorming

2.10.3.2. Toename van de collageenvezels

Toename collageenvezels en bw in algemeen = induratie, fibrose of sclerose

  • 1. Fysiologische induratie = nieuwvorming of toename collageen vezels in weefsels die deze ‘normaal’ niet bevatten

    • Vb einde lactatie: involutie melkklierepitheel gaat gepaard met fysiologische induratie

    • Vb na herhaalde drachten is er toename collageenvezels in wanden uterusarteriën = graviditeitssclerose

  • 2. Chronisch oedeem bw→ toename proteoglycanen en proliferatie fibroblasten→ toename collageen

    • Vb chronisch uieroedeem→ sclerose uierhuid

  • 3. Chronische hypoxie: melkzuur stimuleert collageensynthese door activatie fibroblasten

  • 4. Chronische stoornissen in lymfe-afvloei: mechanisch oedeem stimuleert collageensynthese in huid door activatie fibroblasten →elephantiasis of pachydermie

  • 5. Mitralisklepfibrose:

    • Bij oude honden (en katten)

    • Afbraak proteoglycanen in bw kleppen (weefselmoeheid) →klepoedeem: waterbindend vermogen verloren gegaan

    • Toename proteoglycanen en bw proliferatie →kleppen verkorten door uitrijping nieuwgevormde collageen →klepinsufficiëntie →stuwingslong: haemosiderine-opstapeling in longmacrofagen (“Herzfehlerzellen”)

  • 6. Stuwingsinduratie lever:

    • Bij chronische stoornissen in bloedafvoer lever (vnl rechterhart insufficiëntie)→ stuwingsoedeem in ruimte van Disse rondom de vv. centrolobulares en gestuwde sinusoïden →hypoxie met opstapeling lactaat: activatie fibroblasten en toename reticuline

    • Collageenvezels →afstand tussen sinusoïde en hepatocyt neemt toe →nog meer hypoxie

  • 7. Chronische ontstekingsprocessen: lymfocyten en macrofagen produceren diverse cytokines (oa. TGF-β, Il-1, PDGF, FGF) die fibroblasten en endotheelcellen stimuleren→ bw- en bloedvatentoename in ontstekingshaard = granulatieweefsel

  • 8. Reparatieprocessen

    • Wanneer weefselhiaat niet door regeneratie oorspronkelijke weefsel kan gedicht worden komt er bw in plaats = littekenweefsel (verlittekening = cicatrisatie)

    • Hyperplastisch initieel littekenweefsel is keloïd

2.10.4. Arteriosclerose

2.10.4.1. Definitie

=Niet-inflammatoire fibrose of sclerose arteriewand met vernauwing lumen

  • Indien afzetting vetten: atherosclerose

  • Mens!, varken, hond en paard (met onderliggende oorzaak hyperlipidemie, diabetes mellitus)

  • Hypothyroïdie, zonder onderliggende aandoening: vaak enkel sclerose intima (intimasclerose)

  • Slachtkuikens: arteriosclerose kleine coronairen in diepe lagen linker myocard; proliferatie gladde spiercellen t. media met myocardnecrose →“Sudden death syndrome” of “Flip-over” (broilers krijgen convulsies en vallen dood op rug)

2.10.4.2. Pathogenese

  • Begint meestal aan bifurcaties

  • Min lesie endotheel →insijpeling (insudatie) plasma (+ eiwitten) →‘oedeem’ met opstapeling hyalien →vorming thrombocytenaggregaat op t. intima om letsel afdichten →thrombus

  • Proliferatie myo- en fibroblasten en productie enerzijds collageen oiv factor vrijgesteld door trombo’s en anderzijds proteoglycanen = sclerose

  • Stel hyperlipoproteïnemie door gestoorde afbraak VLDL tot LDL (lipoproteïnelipase defect bij diabetes mellitus) of te geringe klaring LDL bij hypothyroïdie (LDL receptor defect) →door lever geproduceerde HDL (goede cholesterol) LDL niet uit weefsels (arteriewand) kan trekken

  • Lokale opstapeling serum lipoproteïnen →echte vetafzettingen (= atherosclerose): lipoproteïnen en cholesterol liggen ofwel extracellulair ofwel opgestapeld in lipofagen en myocyten = schuimcellen (gaan algauw vervallen = necrose →verkalking)

  • Intense proliferatie myocyten →lumenvernauwing = proliferatieve vorm arteriosclerose

  • Vetafzettingen + necrose→ intima atheroom kan verkalken = slagaderverkalking

  • Rondom vetafzettingen en necrose ontstaat vreemd voorwerp reactie→ veel ruimte en vormt macroscopische plaques →lumenvernauwing →turbulenties →endotheelulceraties →vorming wandstandige thrombi →lumenvernauwing →anemisch infarct (vide infra)

2.10.5. Hyaliene degeneratie

Hyalien = lichtmicroscopisch waarneembare amorfe eiwitcomplexen (intracellulair (1) en extracellulair (2 - 6))→ eiwit slaat neer

6 vormen:

  • 1.Epitheliaal of intracellulair hyalien: fijndruppelige stapeling in tubulusepitheel

    • Russell lichaampjes (plasmacellen)

    • Mallory lichaampjes (levercellen)

    • Lood- en kwikvergiftiging

  • 2.Haematogeen hyalien: fibrinepolymeren die bij shock als hyaliene thrombi in capillairen voorkomen = disseminated intravascular clothing (DIC)

  • 3.Bindweefselhyalien: ouderdomsverschijnsel, door verval en stoornissen in synthese bwmatrix→ atypische fibrillen, losse protofibrillen, versch eiwitten en weinig proteoglycanen

  • 4.Vasculair hyalien = homogeen en verbreed uitzicht vaatwand arteriolen door insudatie plasma-eiwitten bij arteriosclerose

  • 5.Hyalien basale membranen = verbreding en homogenisering basaalmembraan

    • In nier in basale membranen tubuli, kapsel van Bowman en glomerulair mesangium

    • Bij chronische interstitiële nefritis

  • 6.Hyalienecilinders: voorkomen in tubuli nier bij eiwitverlies doorheen glomerulusfilter (PLNP)

2.10.6. Fibrinoïde degeneratie

= Haardvormige coagulatienecrose bw met denaturatie bwvezels (krijgt uitzicht fibrine = eosinofiel!), lyse fibroblasten en neerslaan doorgesijpelde plasma-eiwitten (vnl fibrinogeen)

  • Treft vaatwanden

  • Rond necrose productieve ontstekingsreactie

  • Oorzaken:

    • Allergische ontstekingen en antistof-antigenreacties met opstapeling immuuncomplexen = rheumatoïd letsel + complementactivatie: auto-immuunziekten, pyometra (opstapeling As-Ag complexen in nier →glomerulitis →polyurie)

    • Bacteriële en virale infecties

2.10.7. Amyloïdose

2.10.7.1. Definitie

Amyloïd = extracellulaire opstapeling (tegen basale membranen en collageenvezels) van eiwit dat bestaat uit β-fibrillen en beperkte glycoproteïnecomponent

  • Kleurt bruin met lugol en blauw wanneer erna zwavelzuur toegevoegd; kleurt oranje met Congorood; dubbelbrekend onder gepolariseerd licht

  • Losmazig netwerk van β fibrillen →onoplosbare eiwitneerslag, weerstandig aan proteolyse door vorming β-pleated sheets (stoornis in opplooien eiwitten tot III-aire structuur door abnormaliteit heat shock proteïnen)

Macroscopisch zijn organen met extreme amyloïdstapeling vergroot, bleek en vast van consistentie

2.10.7.2. Soorten amyloïd

4 belangrijke types, gebaseerd op oorsprong en weefseldistributie amyloïd

  • 1. AA amyloïd

    • Gegeneraliseerd (meeste stapeling in lever, nier, milt en lymfeknopen)

    • Komt meest voor bij huisdieren

    • Ontstaat door langdurige antigenprikkel (chronisch ontstekingsproces) met sterke stijging α- en γ-globulinefracties in bloed: onderdeel α-globulinefractie is serum amyloïd proteïne A terwijl ander onderdeel C-reactive proteïne (CRP) is dat fagocytose stimuleert →SAA gefagocyteerd door macrofagen→ door overaanbod niet volledig verteerd in lysosomen→ aggregatie tot β-fibrillen →uitscheiding uit macrofagen als amyloïd

    • Dikwijls bij tuberculose, chronische osteomyelitis, chronisch-etterige ontstekingen

    • Nadien eventueel zeer trage regressie, behalve in nier

    • Paard, varken, kat en nerts: lever en milt

    • Rund: nier(merg) en bijnier

    • Hond: lever en nier

  • 2. AL amyloïd (immuunamyloïd, Leukocytair, primair systemisch of atypisch amyloïd)

    • Ontstaat door defecten in afbraak Light chains Ig’s door macrofagen of bij stoornissen in synthese Ig’s door (tumorale) plasmacellen

    • Zeldzaam, typisch bij plasmacytoma bij hond: tumorale plasmacellen vormen onvolledige lichte keten Ig dat als paraproteïne in plasma voorkomt

    • Bence-Jones lichaampje in urine terecht komt

    • Onvolledige ketens aggregeren tot β-fibrillen

    • Zeer sterke vreemd voorwerp reactie (zie verder)

  • 3. AE amyloïd (APUD amyloïd of Endocrien amyloïd)

    • β-fibrillen bestaan uit polypeptide hormonen

    • APUD = Amine Precursor Uptake and Decarboxylation: C-cellen schildklier (vormen calcitonine), enterochromaffiene cellen MD-stelsel (gastrine, motiline en secretine) en eilandjescellen pancreas (insuline en glucagon) →typisch bij APUDoma’s (= tumor)

    • Lokale amyloïdose: amyloïd opgestapeld op plaats waar hormoon gesecreteerd wordt

    • Typisch bij katten met ouderdomsdiabetes: in pancreaseilandjes opstapeling amyline rond capillairen; tegelijk atrofie eilandjescellen

  • 4. AS amyloïd (Seniel amyloïd, ouderdomsamyloïd of β-amyloïd)

    • Mens: amyloïde in wanden kleine arteriën hart en hersenen, en in interstitium myocard

    • In hersenen atrofie hersenschors met desoriëntatie en geheugenverlies = Alzheimer

    • BSE bij rund, scrapie bij kleine herkauwers en Creutzfeldt-Jakob bij mens

      • Neerslag Scrapie Associated Fibrils (SAF’s) in cytoplasma neuronen

      • Eiwit komt vooral voor thv hersenstam

      • Infectieus eiwit! →cascadesysteem van omvorming

2.10.8. De kraakbeenmatrix

Bestaat vnl uit type 2 collageen- en elastinevezels ingebed in proteoglycanen

  • Proteoglycaanzijketens in kb vnl chondroïtinesulfaat en kerataansulfaat →hydratatie

  • Collageen zorgt voor mechanische weerstand

2.10.8.1. Congenitale afwijkingen

Chondrodysplasia foetalis: erfelijke stoornis in proliferatie en differentiatie chondrocyten →gestoorde ossificatie kb→ dikke, gedeformeerde epifysen met afwezige lengtegroei (bij mens: dwerg)

  • Bulldogkalf: letaal

  • Hond: raskenmerk (oa aan ledematen bij Teckel en aan kop bij brachycefale rassen)

2.10.8.2. (Osteo)Chondrosis dissecans (OCD)

  • Klinisch erg belangrijk, jonge dieren

  • Gevolg van chronische, abnormale belasting of overbelasting convexe gewrichtskb oppervlaktes

  • Reactie op belasting is diktetoename kblaag →deficit in diffusie voedingsstoffen vanuit gewrichtslumen naar kb (geen bloedvaten in kb!) →vnl diepere lagen gaan degenereren en necroseren →oedemateuze of necrotische haarden op overgang been-kb→ mechanisch instabiele zones komen los (gewrichtsmuis)

  • Schouder (caput humeri) en knie (condylen), tarsus, …

  • Bij reuzenrassen snel groot worden: veel belasting

2.10.8.3. Artrose

  • Pathologisch verhoogde (en vervroegde) slijtage gewrichtskb = artrose (arthrosis)

  • Treedt meer op bij toenemende leeftijd

  • Meer collageenvezels gevormd + collageen type 2 vervangen door type 1 en 3 →kb stugger (sterker, maar minder elastisch →scheurt)

  • Polymeren in kb meer kortketenig: chondroïtinesulfaat polymeriseert minder zodat er meer kleine stukjes ontstaan →chondrocyten uit elkaar geduwd

  • Kerataansulfaat neemt af →minder water gebonden (meer niet-gebonden water =matrixoedeem) →moeilijke diffusie voedingsstoffen →gevoeligheid slijtage stijgt (verminderde vitaliteit chondrocyt)

  • Uit afstervende chondrocyten komen lysosomale proteasen vrij →matrixafbraak →kb rafelt uit (fibrillatie) en slijt af, zelfs tot op bot (“wearing lines” + gepolijst aspect = eburnatie)

  • Synovium reageert met nieuwbeenvorming →abnormale botwoekeringen = osteofyten

2.10.8.4. Artritis

Artritis = gewrichtsontsteking →samenstelling gewrichtsvocht gewijzigd (niet meer draden trekkend):

  • Voeding chondrocyten gestoord

  • Proteasen vrijgesteld uit ontstekingscellen (granulocyten) in gewrichtsvocht

  • Bij bacteriële infecties kunnen bacteriën hyaluronidase vrijstellen

In kb zelf is er echter veel anti-protease →enkel op overgang met bot komt kb los (ulceratie) door lyse en infiltratie kiemen op overgang bot-kb

2.10.9. De beenmatrix

Osteoblasten vormen beenmatrix = osteoïd

  • Bestaat uit collageen type 1 ingebed in zure proteoglycanen: bindt gemakkelijk Ca2+

  • Mg ionen activeren alkalisch fosfatase (AF) dat vrijgesteld wordt uit osteoblasten→ remt pyrofosfaat dat mineralisatie remt →mineralisatie osteoïd treedt in →Mg tekort resulteert in mineralisatiestoornissen

  • Ca2+ aangetrokken dat via calciumfosfaat omgezet tot hydroxy-apatiet

  • Kristallisatiekern = dense body = uitgestoten celorganel osteoblast

2.10.9.1. Osteoporose

Verworven kwantitatieve, pathologische vermindering in synthese beenmatrix bij zowel groeiende als volwassen dier; geen mineralisatiestoornis!

Osteopenie: nog fysiologisch, zoals bij lacterende melkkoe

Jonge dieren:

  • Ondervoeding / hongeren-minderwaardige voederkwaliteit (vit C tekort, lathyrisme)

  • Malabsorptie bij enteritis of parasitose (jonge slachtkuikens)

  • Chronische ziekten - hyperadrenocorticisme (Cushing: katabolisme beenmatrix)

Volwassen tot oudere dieren:

  • Wegvallen anabole invloed geslachtshormonen bij hypogonadisme (post-menopauze)

  • Inactiviteitsatrofie (bedlegerige patiënt, astronauten, paralyse ledematen)

  • Oude vrouw oestrogenen wegvallen ->turnover osteoid omslaan in katabolisme (te weinig anabolisme)

    • Osteoid steeds slanker en slanker worden

    • Wervels compressies ondergaan, bot te broos geworden

    • Osteoid dat er is, is wel perfect gemineraliseerd maar het is te weinig

  • =>Doorzakken door bot doordat het te dun is

  • Zorgt melk voor goed sterke botten?

    • Oud vrouwtje wordt niet beschermt tegen osteoporose door melk te drinken

    • Geen mineralisatiestoornis! Geen calcium invloed

    • Heeft met hormonen te maken ->menopauze

2.10.9.2. Osteogenesis imperfecta

Aangeboren (= congenitale), genetische afwijking met kwalitatief minderwaardige beenmatrix (collageen 3 ipv 1) →juveniele osteoporose bij hond en primaten

2.10.9.3. Osteopetrose

= osteosclerose: aandoening waarbij er wel beenaanmaak is door osteoblasten, maar geen simultane resorptie door osteoclasten →bot steeds denser, dik en vormeloos, mergholte opgevuld met been, geen omvorming compact naar lamellair been (probleem: anemie)

  • Tumorale omvorming met afunctioneel worden osteoclasten (vb leucose bij kip)

  • Erfelijk defect bij rund

  • Verworven bij chronisch vit A tekort →afunctionele osteoclasten

2.10.9.4. Osteolyse

= oplossen bot door lokaal onevenwicht tussen botopbouw en –afbraak

  • Komt voor bij: lokale infiltratieve groei tumor, (chronische bacteriële) infectie

  • Pathologische fracturen, niet door trauma maar door iets onderliggends dat bot aanvreet ->bot brozer en breker

2.11. Pathologie der mineralen

2.11.1. De calciumhomeostase

Calcium- en fosforconcentraties in serum aan elkaar gekoppeld: Ca2+ x HPO42-= constant

  • Mobiliseerbare Ca-ionen in bot aanwezig aan rand Haverse kanaaltjes en osteocytenlacunes; ze liggen aan rand hydroxy-apatietkristallen (metabole functie calcium)

  • Gefixeerd calcium daarentegen is stabiel gebonden in deze kristallen: voor mobilisatie activatie osteoclasten door parathormoon nodig →geen snelle correctie mogelijk (steunfunctie calcium)

Regeling calciumhomeostase afh 3 hormonen

  • 1. 1,25-dihydroxycholecalciferol

    • 7-dehydrocholesterol (lichaamseigen)→ cholecalciferol(vit D3) in huid→ 25 hydroxy(chole)calciferol(25(OH)-vit D3) in lever (25-hydroxylase)

    • 25(OH)-vit D3 activeert samen met parathormoon osteoclasten tot vrijzetting Ca uit skelet →verdere hydroxylering tot 1,25 dihydroxycholecalciferol(calcitriol) in nier (1α-hydroxylase)

      • Stimuleert opname Ca in darm door vorming receptoreiwitten →bloedspiegel stijgt

      • Remt uitscheiding Ca in nier zodat bloedspiegel stijgt

      • Stimuleert vrijstelling Ca uit skelet

  • 2. Parathormoon

    • Gevormd in donkere hoofdcellen parathyroïde

    • Stimuleert osteoclasten, MAAR enkel indien 25 hydroxycholecalciferol aanwezig is

    • Stimuleert nier tot aanmaak 1,25-dihydroxycholecalciferol

    • Remt calciumuitscheiding in nier →hypercalcemie

    • Remt fosfaat terugresorptie en stimuleert fosfaatuitscheiding in proximale niertubuli→ hypofosfatemie

  • 3. Calcitonine

    • Gevormd in C-cellen thyroïde (zoogdieren) of in ultimo-branchiaal orgaan (vogels)

    • Antagonist van parathormoon

    • Remt osteoclasten, stimuleert osteogenese en calciumuitscheiding in nier =>hypocalcemie / hyperfosfatemie

    • Remt synthese 1,25-dihydroxycholecalciferol in nier

2.11.2. Hypocalcemische tetanie (pathofysio)

= Daling Ca spiegel in bloed →verhoogde neuro musculaire prikkelbaarheid →hypocalcemische tetanie

  • Te wijten aan: tekort aan endogeen of exogeen Ca, insufficiëntie parathyroïde

  • Aandoening typisch bij melkkoe (door massale Ca vraag), kleine hondenrassen (calcium voorraden uitgeput)

  • Geen primaire letsels op autopsie, enkel tetanische / hyalien schollige spierdegeneratie

2.11.3. Osteomalacie en rachitis

2.11.3.1. Definities

Beide termen slaan op onvoldoende mineralisatie been weefsel dat in fase osteoïd blijft steken = kwalitatief defect (<-> osteoporose = kwantitatief matrixdefect):

  • Rachitis: bij groeiende dieren

  • Osteomalacie: bij het volwassen dier

2.11.3.2. Etiologie en pathogenese

1. Vitamine D-tekort:

  • Onvoldoende vit D3 (cholecalciferol) in voeder

  • Gestoorde vit D3 resorptie in darm bij steatorrhee (vit D vetoplosbaar)

  • Onvoldoende aanmaak vit D in huid (door tekort aan UV-B)

  • =>Verminderde calciumresorptie thv darm →hypocalcemische rachitis / osteomalacie: geen compensatoire activatie osteoclasten omdat ook 25(OH)-vit. D3 ontbreekt→ nodig voor samenwerking met PTH!!!

2. Fosfaattekort: bij dieren die op fosfaatarme weides grazen (bemesten!) →hypofosfatemische rachitis / osteomalacie omdat Ca niet gebonden kan worden met fosfor tot hydroxy-apatiet (calciumfosfaat)

3. Extreem lage inname diëtair calcium: geen vorming Ca-fosfaat, zelden op zichzelf staand, verergert wel effect vit D-tekort

2.11.3.3. De letsels bij rachitis

  • Osteoïdzomen (randen niet-gemineraliseerd osteoïd) rondom spongiosa beenlamellen, en geleidelijk aan ook rondom periostale beenlamellen

  • Reeds gemineraliseerde lamellen niet ontkalkt, maar nieuw gevormd osteoïd niet gemineraliseerd

  • Kbcellen in groeischijven prolifereren normaal verder, ook in breedte →verdikte groeischijven

  • Groeischijf gedesorganiseerd

  • Botten minder mechanisch weerstandig →vervorming

  • Hypocalcemie (tetanie) en osteodystrophia fibrosa

2.11.3.4. De letsels bij osteomalacie

Gevolg van stoornissen in remodellering (turn over) bot

Beenbalkjes in spongiosa vervangen door osteoïd →eerst ontstaan er osteoïdzomen, daarna worden ganse beenbalkjes vervangen door osteoïd →bot week en indeukbaar →wervel compressie, fracturen, …

2.11.4. Osteodystrophia fibrosa

2.11.4.1. Definitie en voorkomen

Osteodystrophia fibrosa komt voor bij hyperparathyroïdie (verhoogde secretie parathormoon) →afbraak beenweefsel

Soorten hyperparathyroïdie:

  • 1. Primaire hyperparathyroïdie: functionele tumor (adenoma) of hyperplasie bijschildklier→ overstimulatie osteoclasten →beenafbraak →dehypercalcemie leidt tot hypofosfatemie door verhoogde fosfaatuitscheiding via nier (→nefro- of urolithiase)

  • 2. Secundaire hyperparathyroïdie: frequent! →hyperplasie

    • Bij onvoldoende Ca in bloed (neiging tot hypocalcemie en hyperfosfatemie), gepaard met voldoende vit D voorziening (samenwerking met PTH is dus ok)

2.11.4.2. Vormen van secundaire hyperparathyroïdie

  • Endogene vorm: chronische nierinsufficiëntie (osteorenaal syndroom) bij hond en kat

    • In aansluiting met interstitiële nefritis en pyelonefritis, en chronische nierinsufficiëntie

    • Actieve uitscheiding fosfor in beschadigde distale niertubuli is gestoord →tegelijk acidose

    • Ca2+ in hogere mate uitgescheiden (want Ca x P is constant)

    • =>Hypocalcemie en hyperfosfatemie: verergerd door onvoldoende aanmaak 1,25-dihydroxycholecalciferol in beschadigde nier (→slechte intestinale opname Ca) = RENALE SECUNDAIRE HYPERPARATHYROÏDIE (RSHP)

  • Exogene vorm: tekort aan Ca en overmaat aan P in voeding →hypocalcemie en hyperfosfatemie

    • Vleeseters die uitsluitend rood spiervlees te eten krijgen (all meat syndroom)

    • Paarden die enkel granen eten (zemelen erg fosforrijk →molenaarsziekte)

    • = NUTRITIONELE SECUNDAIRE HYPERPARATHYROÏDIE (NSHP)

2.11.4.3. Letsels bij secundaire hyperparathyroïdie

  • Hypocalcemie

  • Fibreuze vervangweefsel is ruimte-innemend

  • Bij langdurig bestaan osteodystrophia fibrosa vermindert beenafbraak geleidelijk en komt er opnieuw meer beenvorming voor te wijten aan verhoogde secretie van calcitonine

Ontkalken bot -> hypocalcemie normaliseren ->constant onttrekken = brozer worden skelet = niet krachtig ->vervangingsweefsel aanmaken om compenseren aan sterkte: fibreus bw aangezet maar nooit zo sterk als normaal bot dus veel meer nodig ->krachtigste spier: kauwspier, als kaakbot ontkalkt dan is er extra plaats

2.11.5. Fluorosis

  • Bij licht verhoogde fluoropname is er toenemende vorming hydroxy-apatietkristallen: gewenst ter preventie tandcariës

  • Bij opname grote hoeveelheden fluor gedurende langere tijd en in gemakkelijk resorbeerbare vorm wordt hydroxy-apatiet vervangen door fluoro-apatiet:

    • Thv tanden interferentie met opbouw glazuur (kinderen!)

    • Fluoro-apatiet heel moeilijk afgebroken door osteoclasten

    • Fluor stimuleert nieuwbeenvorming door activatie osteoblasten

    • =>Osteosclerose met periostale en endostale nieuwbeenvorming (typisch lomp, verdikt uitzicht pijpbeenderen)

2.11.6. Hypervitaminose D en metastatische verkalkingen

  • Bij langdurige overdosering vit D →hypercalcemie met metastatische verkalkingen (= extra-skeletale kalkneerslagen)

  • Initieel toegenomen beenafbraak (synergisme parathormoon met gestegen gehalte 25-hydroxychole calciferol) →hypercalcemie

  • Toenemende hypercalcemie →remming parathormoon secretie en stimulatie calcitoninesecretie

  • Calcitonine →toename beenvorming (vnl toename aantal beenbalkjes in spongieus been = osteosclerose)

Calcifylaxie = lokale of gegeneraliseerde neerslag Ca in weefsels dieren die behandeld werden met ‘calcium sensitizer’, zijnde parathormoon of vit D

  • Product dat calciumneerslag uitlokt (sensitizer): FeCl2 of Fe-dextraan

  • Vb: biggen die ijzerinjecties krijgen ter preventie biggenanemie en simultaan ook vit D krijgen om problemen met beenwerk voorkomen

2.11.7. Dystrofische verkalkingen

Regressieve veranderingen (degeneratie of ontsteking) in cellen en interstitium→ necrose→ dystrofische verkalkingen zonder stoornissen in calciumhomeostase (normocalcemie)

Necrosehaard = alkalisch milieu waarin calciumzouten gemakkelijk neerslaan

Intracellulaire dystrofische verkalkingen: vnl in hyalien gedegenereerde hart- en skeletspiervezels, en in necrotische niertubulus epitheelcellen (hoog metabool actieve cellen necrosegevoelig)

Extracellulaire dystrofische verkalkingen: vnl bij ontstekingen met uitgebreide exsudatie (= uittreden eiwitrijk vocht uit vaten) en necrosehaarden (typisch bij tumoren, verkaasde tuberculosehaarden, …)

Calcinosis circumscripta = kalkjicht: extracellulaire kalkneerslag die ontstaat na toename proteoglycanen in dermale en hypodermale bw (wellicht na traumatische beschadiging)

  • Hond: voetzolen, elleboog (ligger, maar dan verkalkt), hak, tong

  • Paard: ledematen

  • Kalkneerslag lokt vreemd voorwerpreactie uit →granuloomvorming: calcinogranuloma

2.11.8. Jicht

2.11.8.1. Definitie

Jicht bestaat uit extracellulaire neerslagen zouten van urinezuur

  • Komt vnl voor bij vogels en reptielen, maar ook bij mens

  • Oorsprong urinezuur: bij afbraak nucleïnezuren (versleten cellen, uitstoting kernen RBC’s, hongeren) worden pyrimidinebasen volledig afgebroken→ in lever omgezet tot xanthine en vervolgens tot urinezuur

  • Bij vogels en reptielen, maar ook mens is voornaamste eindproduct nucleïnezuurmetabolisme het urinezuur →actieve secretie in niertubuli

  • Bij zoogdieren (andere dan primaten) wordt urinezuur door uricase in peroxysomen hepatocyten omgezet tot allantoïne en uitgescheiden

2.11.8.2. Pathogenese

Vogels en reptielen: stijging urinezuurconcentratie in bloed (verhoogde afbraak nucleïnezuren (hongeren, eiwitkatabolisme, tumoren met veel celverval) of nierfalen)→ uraten kunnen niet in suspensie gehouden worden →geen nierexcretie

Pasgeboren biggen: afbreken kernen RBC’s en onvoldoende uitrijping uricase (+ vasten en/of dehydratatie) →urinezuur in niertubuli overschrijdt oplosbaarheidsproduct →witte radiaire streping in niermerg = urinezuurinfarct

=>Urinezuur gaat neerslaan (niet bij vogels want die houden dat nattig)

2.11.8.3. Vormen

1. Acute vorm = visceraal jicht

  • Typisch bij vogels en reptielen

  • Massale witte uraatneerslagen op serosae (peritoneum en pericard) en onder kapsel versch organen zoals lever en milt

2. Periarticulaire jicht

  • Uraatneerslag in bw rond gewrichtskapsels en subcutaan →inductie vreemd voorwerp reactie met reuzecellen →granulomen worden jichttophi genoemd

  • Bij mens en besproken zoogdieren ook neerslagen in kb oor en gewrichten: kb necroseert en uraat bedekt gewrichtoppervlak →gewrichtsontsteking: arthritis urica

2.11.9. Concrementvorming

2.11.9.1. Definitie

  • Concrementen ontstaan in holle organen en in afvoergangen secretie- en excretie-organen <=> opname stenen (varken, kip)

  • Gevormd door neerslaan minerale zouten met binding aan organisch materiaal

  • Oorzaak: overschrijden oplosbaarheidsproduct oiv dehydratatie, pH wijziging, onvoldoende secretie colloïden die stoffen suspenderen

  • Vorming gebeurt in concentrische lagen rondom microconcrement, epitheelcellen, exsudaat of stase van secreten, deels afh beschikbare ruimte

  • Solitair of multipel: vaak facetstenen die afgeplat zijn aan hun raakvlakken

  • Concrementen gaan druk uitoefenen op omgevende weefsel →drukatrofie, druknecrose of divertikelvorming

2.11.9.2. Echte concrementen

1. Urolithiasis

  • Urolithiasis = concrementen (steen = calculus) in urinewegen

  • Meest voorkomend van alle concrementen

  • Meestal in urineblaas, bij mannelijke dieren ook in urethra

  • Soms in nierbekken of ureters →hydronephros (cortexatrofie)

  • Kleine stenen met urine uitgedreven worden: bij mannelijke dieren blijven ze dikwijls steken op vernauwingen urethra (typisch thv os penis of omslag urethra bij reu)

  • Concrementen verstoren urine-afvloei →postrenale uremie: ureum diffunderen naar weefsels en maag-darmkanaal waar urease bezittende bacteriën aanwezig zijn →ureum gesplitst in ammoniak en CO2 → Krebs cyclus →DOOD

2. Cholelithiasis = concrementvorming in galwegen, vnl in galblaas

  • Galstenen zelden bij dieren itt mens, wel galgruis bij hond (galblaasmucocoele)

  • Bestaan uit calciumcarbonaat, cholesterol, galzuren of galpigmenten

  • Rund: chronische cholangitis door Fasciola hepatica

3. Sialolithiasis = meestal multipele concrementen in afvoergangen speekselklieren

  • Ophoping speeksel = sialocoele →druknecrose

  • Ranula = sublinguale speekselophoping in ductus mandibularis

  • Ook in afvoergangen pancreas

  • Ingedikt secreet waarin calciumcarbonaat neergeslagen →witte facetstenen

4. Enterolithen = darmstenen in dikke darm paard die zich in lagen ontwikkelen rondom nidus (steentje of stukje ijzer)

  • Magnesium-ammoniumfosfaat (struviet)

  • Bij te fosforrijke en calciumarme voeding (cfr. molenaarsziekte)

5. Corpora amylacea

  • Microconcrementen bestaande uit ingedikt secreet waarin calcium zouten zijn neergeslagen

  • In de follikels van de schildklier en in de melkklier

2.11.9.3. Pseudoconcrementen

Pseudoconcrementen ontstaan eveneens in holle organen en afvoerwegen excretie- en secretie-organen

  • Bestaan uit organisch materiaal, ingedikt exsudaat of necrotisch weefsel

  • Door dystrofische verkalking ontstaat er harde massa

  • SOORTEN:

    • Etterstenen bij luchtzakontsteking bij paard

    • Bronchiolithen bij chronische, etterige bronchitis of bronchiectasie (= uitzetten bronchen)

    • Tonsillairstenen: (verkalkt) necrotisch epitheel en etterproppen in tonsillaire crypten

    • Preputiaalstenen bij verkalking smegma bij hengst

    • Flebolithen (veneus) en arteriolithen na verkalking thrombi

    • Zootrichobezoare: aaneengeklitte haarballen in maag

    • Fyto(tricho)bezoare: vezelige voedselpartikels ammoniumfosfaat neergeslagen

    • Conglobaten: vaste aggregaten moeilijk verteerbaar voeder

    • Coprolithen: vaste massa’s faeces waarin magnesium in maagdarmkanaal in dikke darm kat en hond in aansluiting met coprostase (te zwakke peristaltiek) en dehydratatie

2.12. Stoornissen in de keratinestofwisseling

2.12.1. Inleiding

Verhoorning van epithelia: bij mechanische belasting

Stoornissen in de verhoorning: dyskeratose

2.12.2. Hyperkeratose

  • 1. Retentie: onvoldoende afschilfering str. dysjunctum = retentiehyperkeratose, bv. bij onvoldoende afslijten van hoeven of klauwen (stalklauwen)

  • 2. Proliferatie: hyperkeratose door toegenomen hoornvorming = proliferatiehyperkeratose, typisch bij langdurige, recidiverende en sterke mechanische belasting dermis→ verworven, lokaal omschreven proliferatiehyperkeratose als aanpassingsfenomeen

    • Eelt aan voetzolen bij mens en mestkuiken

    • Callositas / callus (ligger) thv. beenuitsteeksel

  • 3. Carentie: verworven, metabool geïnduceerde, systemische proliferatiehyperkeratose bij hypovitaminose A →verhoorning afvoergangen speekselklieren en trachea bij vogels = metaplasie!

  • 4. Directe inwerking chemische stoffen: voedingsgemedieerde proliferatiehyperkeratose pensmucosa bij kalf door inwerking VZ in melkstolsels (bij pensdrinkers)

  • 5. Hormonaal: inwerking oestrogeen op vaginale mucosa geeft verhoorning→ oestrusdetectie

  • 6. Neurogeen: in chronische stadium hondenziekte (Paramyxovirus– Canine distemper virus – ziekte van Carré) komt er bij hond, fret en nerts verdikking voor van voetzolen (“hard pad disease”) en neusspiegel

  • 7. Congenitaal: ichthyosis congenita = aangeboren schubbenhuid bij kalf→ huid -onbehaard, erg dik en scheurt open →letaal

2.12.3. Parakeratose

Parakeratose = in kwantiteit toegenomen, maar kwalitatief minderwaardige verhoorning

  • Letsels:

    • Gestoorde vorming tonofibrillen →desmosomen zwak →holtes tussen cellen die zich kunnen vullen met vocht = intercellulair oedeem →cyste

    • Gestoorde vorming keratohyaliene korrels

    • Gestoorde differentiatie versch epidermislagen →nog kernen in str. corneum

  • Oorzaken:

    • Tekort aan zink in dieet, zinkmalabsorptiesyndroom bij kalf en bep hondenrassen

    • Te hoge calciumgehaltes in dieet gespeende biggen→ antagonisme met zink

    • Chronische thalliumvergiftiging bij hond en kat (letsels =)

    • Chronische dermatitis (t.g.v. systemische ziekten?)

2.12.4. Leukoplakie

Leukoplakia = witte, licht verheven plekken (hyper- en para keratose) in mucosa:

  • In voorste deel maag-darmkanaal bij paard en in preputium varken

  • Hyperplasie basale epitheelcellagen en hyperkeratose

  • Bij mens soms als precancereus beschouwd (bv vagina-/cervixwand)