Forensisch Onderzoek - NLT 4 havo
Vingersporenonderzoek (Handboek 1)
Achterlaten van vingerafdrukken: * Vingerafdrukken worden achtergelaten wanneer de huid van de vingertoppen (papillaire lijnen) in contact komt met een oppervlak. * Hierbij worden vetten, zweet en andere uitscheidingsproducten overgedragen op het object.
Zichtbaar maken van vingerafdrukken: * Vingerafdrukken kunnen zichtbaar worden gemaakt via diverse methoden, afhankelijk van de ondergrond. * Methoden omvatten het gebruik van dactyloscopisch poeder (zoals aluminiumpoeder of roetpoeder) voor gladde oppervlakken. * Chemische technieken zoals ninhydrine (reageert met aminozuren in zweet) of cyanoacrylaat (secondelijm-dampen) worden ingezet om latente sporen te fixeren en te contrasteren.
Classificatie en Hoofdpatronen: * Vingerafdrukken worden geclassificeerd op basis van globale patronen: de boog, de lus (links- of rechtsgaand) en de kring.
Typica (Dactyloscopische Punten): * Typica zijn de specifieke details binnen het patroon van de papillaire lijnen, zoals beginnende lijnen, eindigende lijnen, vertakkingen (bifurcaties), eilanden en puntjes. * Deze punten zijn uniek voor elk individu en cruciaal voor de interpretatie.
Identificatie: * Identificatie vindt plaats door het vergelijken van patronen van dactyloscopische punten tussen een gevonden spoor en een referentieafdruk. * Er moet een specifiek aantal overeenkomstige punten worden gevonden (afhankelijk van de wettelijke norm) om van een match te spreken.
Voetsporen en Grondonderzoek (Handboek 3)
Identificatie van Grond: * Er zijn vier grondeigenschappen die essentieel zijn voor de identificatie van grondmonsters: 1. Kleur. 2. Deeltjesgrootte (textuur). 3. Samenstelling (mineraalgehalte). 4. Chemische eigenschappen (zoals pH en geleidbaarheid).
Geleidbaarheid en Soortelijke Geleidbaarheid: * Geleidbaarheid (): Het vermogen van een materiaal om elektrische stroom door te laten. De eenheid is Siemens (). * Soortelijke Geleidbaarheid (): Een materiaalconstante die aangeeft hoe goed een stof stroom geleidt, onafhankelijk van de afmetingen. De eenheid is Siemens per meter (). * Berekeningen: Er kan gerekend worden met de relatie tussen geleidbaarheid, weerstand en de geometrie van het monster. * Beïnvloedende factoren: De soortelijke geleidbaarheid van grond wordt beïnvloed door het vochtgehalte, de concentratie opgeloste zouten (ionen) en de temperatuur.
Relatie pH van Grond: * De zuurgraad (pH) van de bodem wordt primair veroorzaakt door: 1. De aard van het moedermateriaal (het gesteente waaruit de grond is ontstaan). 2. Neerslag en biologische processen (zoals wortelactiviteit en rotting).
Grondsoorten: * Voorbeelden van waterabsorberende grond zijn klei en veen. * Gekleurde grondsoorten kunnen duiden op specifieke mineralen, zoals ijzeroxiden (rood/bruin).
Biometrie van de Looppas: * Er bestaat een directe relatie tussen de voetstapafstand (staplengte) en de loopsnelheid; naarmate de snelheid toeneemt, vergroot de staplengte.
Stofeigenschappen en Chemische Analyse (Handboek 4)
Zuivere Stoffen vs. Mengsels: * Een zuivere stof bestaat uit slechts één soort molecuul of atoom en heeft constante stofeigenschappen (zoals kookpunt). * Een mengsel bestaat uit verschillende stoffen die elk hun eigen eigenschappen behouden.
Scheidingsmethoden: * Methoden zoals filtratie, destillatie, extractie, indampen en adsorptie worden toegepast om mengsels te scheiden op basis van verschillen in stofeigenschappen (deeltjesgrootte, kookpunt, oplosbaarheid).
Waterstofbruggen (H-bruggen): * Een H-brug is een sterke intermoleculaire kracht tussen een waterstofatoom (gebonden aan , of ) en een elektronegatief atoom (, of ) van een ander molecuul. * Voorbeeld: De binding tussen watermoleculen ().
Eigenschappen van Water: * Water heeft een ongewoon hoog kookpunt door de aanwezigheid van vele sterke waterstofbruggen die verbroken moeten worden om de vloeistof te doen verdampen. * Oplosbaarheid: Stoffen lossen wel op in water als ze zelf ook H-bruggen kunnen vormen of als het polaire stoffen/zouten zijn die interactie aangaan met de dipoolmoleculen van water.
Hydratatie van Zouten: * Wanneer een zout oplost in water, worden de ionen omringd door watermoleculen. Dit proces wordt hydratatie genoemd.
Identificatie en Onderzoek: * Stoffen worden geïdentificeerd op basis van unieke stofeigenschappen (dichtheid, smeltpunt, kleur). * Het opzetten van onderzoek vereist een hypothese, een controle-experiment en een systematische uitvoering.
Chromatografie (Handboek 5)
Aanhechting van Inkt: * Inkt hecht zich aan papier door middel van adsorptie aan de cellulosevezels en door absorptie in de poriën van het papier.
Papierchromatografie: * Dit is een scheidingsmethode gebaseerd op het verschil in aanhechtingsvermogen aan de stationaire fase en de oplosbaarheid in de mobiele fase.
Fasen: * Mobiele Fase: De vloeistof die langs het papier omhoog trekt (bijv. de loopvloeistof zoals water of ethanol). * Stationaire Fase: Het materiaal dat stilstaat (bijv. het papier zelf).
Loopvloeistof (Eluent): * De vloeistof die wordt gebruikt om de componenten mee te voeren. Voorbeeld: Een mengsel van water en alcohol.
-waarde (Retentiefactor): * De -waarde is de verhouding tussen de afstand die een specifieke stof heeft afgelegd en de afstand die het vloeistoffront heeft afgelegd. * * Factoren: De -waarde wordt beïnvloed door de soort loopvloeistof, de temperatuur en het type papier.
Ballistiek (Handboek 6)
Ontsteking van een Patroon: * Door de slag van de slagpin op het slaghoedje vindt een chemische reactie plaats die het buskruit in de huls doet ontbranden.
Forensische Koppeling: * Een kogel kan aan een vuurwapen worden gekoppeld via krasjes (trekken en velden) die ontstaan tijdens de doorgang door de loop. * Een huls kan worden gekoppeld via afdrukken van de slagpin, de afsluiter of de uitwerper.
Energie en Arbeid: * Kinetische Energie (): De energie van een bewegend voorwerp. * Buskruit: De verbrandingswaarde van buskruit bepaalt hoeveel chemische energie wordt omgezet in warmte en kinetische energie van de kogel. * Wet van Arbeid en Energie: De netto-arbeid () verricht op de kogel is gelijk aan de verandering in kinetische energie ().
Luchtwrijving: * De formule voor luchtwrijvingskracht is:
Inslag en Vervorming: * De inslagdiepte () is gerelateerd aan de kinetische energie en de weerstand van het materiaal. * Vervormingsenergie: De energie die nodig is om een projectiel of doeloppervlak te vervormen. * Vervormingsconstante (): Een maat voor hoe gemakkelijk een projectiel vervormt.
Bloedonderzoek (Handboek 7)
Luminolreactie: * Luminol reageert met waterstofperoxide () in aanwezigheid van een katalysator. Bij bloedonderzoek dient het ijzer () in het hemoglobine als katalysator. * Deze reactie is luminescent: er komt blauw licht vrij zonder dat er warmte ontstaat.
Geschiktheid: * Luminol is uiterst gevoelig en kan zelfs zeer kleine, onzichtbare of schoongemaakte bloedsporen detecteren.
Storingen: * Storende stoffen: Stoffen zoals bleekmiddelen, bepaalde plantaardige enzymen (peroxidasen) of metalen (koper) kunnen een vals-positief resultaat geven. * Preventie: Door het toevoegen van specifieke chemicaliën of het uitvoeren van vervolgtesten kan men onderscheid maken tussen echt bloed en storingen.
Belangrijke Formules voor Berekeningen
Kinetische Energie: *
Arbeid: *
Arbeid en Energie: *
Luchtwrijving: *
Kinetische Energie bij Inslag: * * Hierbij is de initiële vervormingsenergie, de vervormingsconstante en de inslagdiepte of vervorming.