Chromosomale Erfelijkheid - Interacties tussen Genen

Chromosomale Erfelijkheid

Moleculair

  • Het Kompas: Van generatie op generatie.
  • Voortplanting: Doorgeven van erfelijk materiaal door voortplanting.
  • Groei: Van kiemcel tot baby.
  • Factoren: Externe en interne factoren beïnvloeden de voortplanting.
  • Genexpressie: Veranderingen in genexpressie.
  • Biotechnologie: Kunstmatig doorgeven van genen.

Chromosomaal

  • Overerving: Chromosomaal doorgeven van erfelijk materiaal.
  • Kruisingen: Mono- en dihybride kruisingen.
  • Interactie: Interactie tussen genen.

Evolutionair

  • Veranderingen: Veranderingen in DNA en het ontstaan van soorten.
  • Argumenten: Argumenten voor evolutie.
  • Evolutietheorieën: Lamarckisme en Darwinisme.

Hoofdstuk 2: Interacties tussen Genen

  • Leerboek WACO 6 Biologie p. 77

2.1 Gekoppelde Genen

  • p. 77
2.1.1 Experimenten van Morgan
  • p. 77
2.1.2 Gekoppelde Genen en Crossing-over
  • p. 77
2.1.3 Gekoppelde Genen bij Mensen
  • p. 80

2.2 Geslachtsgebonden Overerving

  • p. 83
2.2.1 Geslachtsbepaling
  • p. 84
2.2.2 Geslachtsgebonden Overerving
  • p. 84

2.3 Cryptomerie

  • p. 85

2.4 Polygenie

  • p. 89

2.5 Pleiotropie

  • p. 90

2.6 Letale Allelen

  • p. 91

2 Interacties tussen genen

  • Leerboek p. 77

2.1 Gekoppelde Genen

2.1.1 Experimenten van Morgan
  • Thomas Hunt Morgan (1866-1945): Amerikaanse geneticus en embryoloog.
  • Chromosomen: Basis erfelijkheid, allelen lineair gerangschikt op chromosoom.
  • Kruisingsexperimenten: Met fruitvlieg (Drosophila melanogaster).
    • Eenvoudig te kweken.
    • Snelle ontwikkeling (± 10 dagen).
    • Veel nakomelingen.
    • ± 500 rassen.
    • Slechts 4 totaal verschillende chromosomenparen; 2n=82n = 8.
  • Leerboek p. 77
Experiment 1
  • P-generatie:
    • Grijs + lange vleugels: homozygoot (wildtype).
    • Zwart + korte vleugels: homozygoot.
  • F1-generatie:
    • 100% grijs + lange vleugels.
    • Dominant: grijs + lange vleugels.
    • Recessief: zwart + korte vleugels.
  • Leerboek p. 78
Experiment 2
  • F1-generatie:
    • Heterozygoot: grijs + lange vleugels.
  • Morgan verwacht: 9:3:3:1 verhouding.
  • F2-generatie:
    • Twee fenotypes met 3:1 verhouding.
    • De twee kenmerken gedragen zich als één kenmerk en liggen dus op hetzelfde chromosoom.
    • Dihybride kruisingen: beide kenmerken liggen op verschillende chromosomen.
  • Leerboek p. 78
Gekoppelde Genen
  • Genen die op hetzelfde chromosoom gelegen zijn en samen overerven, noem je gekoppelde genen.
  • Ze erven afhankelijk over, waardoor de onafhankelijkheidswet van Mendel in dit geval niet meer geldt.
  • Genen die op verschillende chromosomen gelegen zijn, zijn nooit gekoppeld. Deze genen erven wel onafhankelijk over.
  • Leerboek p. 79
Experiment 3 Terugkruising
  • F1-generatie:

    • Wijfje: heterozygoot grijs + lange vleugels.
    • Mannetje: homozygoot zwart + korte vleugels.
  • Leerboek p. 79

  • Morgan verwachtte:

    • 50% grijs + lange vleugels.
    • 50% zwart + korte vleugels.
  • Leerboek p. 79

  • Morgan verkreeg: Verschillende chromosomen hebben onderling genen uitgewisseld.

  • Leerboek p. 80

2.1.2 Gekoppelde Genen en Crossing-over

  • Crossing-over: Tijdens meiose (profase I) vorming van voortplantingscellen.
  • Leerboek p. 80
  • Fruitvliegjes: enkel crossing-over bij de vorming van eicellen.
  • Recombinante chromosomen: chromosomen met uitgewisselde genen.
  • Leerboek p. 80
Experiment 3 Verklaring:
  • Vreemde verhouding 9:9:41:41.

  • 18% recombinanten: organismen die recombinante chromosomen bezitten.

  • De kans dat recombinatie plaatsvindt.

  • Leerboek p. 81

  • Hoe verder de genen uit elkaar liggen op een chromosoom, hoe groter de kans op recombinante chromosomen.

  • Recombinatiefrequentie = totaal aantal recombinantentotaal aantal nakomelingen100\frac{totaal \ aantal \ recombinanten}{totaal \ aantal \ nakomelingen} \cdot 100

  • In dit voorbeeld: 0,18 of 18%.

  • Leerboek p. 81 + 82

  • Recombinatiefrequentie:

    • Afhankelijk van de afstand tussen twee genen op één chromosoom.
    • Eenheid: centiMorgan (cM).
    • Voorbeeld van Morgan:
      • Kleur lichaam: 48,5 cM
      • Lengte vleugels: 66,5 cM
      • Recombinatiefrequentie = 66,5 cM – 48,5 cM = 18%
    • Genkoppelingskaart
    • Crossing-over levert enkel bij volledig heterozygote individuen recombinanten op (geen effect bij LLGg).
  • Leerboek p. 82

  • Genkoppelingskaart/ gene mapping

  • Opmerking: Als RF van 2 genen > 50% → genen op verschillende chromosomen (voeg extra gen toe)

  • Leerboek p. 82

  • Genen, RF:

    • A - B: 15%
    • B - C: 45%
    • B - D: 40%
    • A - D: 25%
    • C - D: 5%
  • Leerboek p. 82

2.1.3 Gekoppelde Genen bij Mensen

  • HLA-genen

    • Aanmaak van humane leukocytenantigenen (HLA).
    • HLA zijn glycoproteïnen op het celmembraan.
    • Alle cellen behalve rode bloedcellen.
    • Ieder individu:
      • Eigen HLA-type.
      • Unieke HLA-proteïnen.
      • ‘Barcode’: lichaamseigen of lichaamsvreemd.
      • Afweerreactie bij lichaamsvreemde cellen.
  • Leerboek p. 83

  • Transplantatie

    • HLA-compatibiliteit
    • Donor gelijkaardig HLA-type aan de acceptor.
    • Complexe variant van het ABO-bloedgroepsysteem.
    • HLA-systeem: zes genen op chromosoom 6:
      • HLA-A-genen
      • HLA-B-genen
      • HLA-C-genen
      • HLA-DQ-genen
      • HLA-DR-genen
      • HLA-DP-genen
  • Leerboek p. 83

  • Voorbeeld

    • Jaëla zou als donor kunnen optreden voor Jack en omgekeerd.
    • Eeneiige tweeling: 100% kans HLA-compatibiliteit.
    • Broers en zussen: 25% kans HLA-compatibiliteit.
    • In werkelijkheid nog complexer.
    • Door recombinaties.
    • Voorbeeld heeft slechts drie van de zes HLA-genen vermeld.
  • Leerboek p. 84

2.2 Geslachtsgebonden Overerving

2.2.1 Geslachtsbepaling
  • 23ste chromosomenpaar, de geslachtschromosomen of heterosomen.
    • Man: XY.
    • Vrouw: XX.
    • Y chromosoom is korter dan het X chromosoom.
  • Leerboek p. 84
  • Kruising tussen man en vrouw.
    • Theoretisch: 50% kans op een jongen of een meisje.
    • Werkelijkheid: iets grotere kans op een jongen.
  • Leerboek p. 85
2.2.2 Geslachtsgebonden Overerving
  • Autosomale overerving: erfelijke kenmerken liggen op een van de 22 paar autosomen.

  • Geslachtsgebonden overerving: erfelijke kenmerken liggen op een van de geslachtschromosomen.

  • Leerboek p. 85

  • X-gebonden genen met recessieve allelen

    • X-gebonden recessieve aandoening:
      • Voorbeelden:
        • Daltonisme of kleurenblindheid
        • Hemofilie of bloederziekte
        • Spierdystrofie van Duchenne
      • Komen opvallend meer voor bij mannen dan bij vrouwen.
      • Vrouwen hebben twee allelen per eigenschap.
      • Mannen hebben één allel per eigenschap.
  • Leerboek WACO 5 Biologie p. 86

  • X-gebonden genen met recessieve allelen

    • Daltonisme
      • Man
        • genotype: XdYX^dY fenotype: heeft de aandoening
        • genotype: XDYX^DY fenotype: heeft de aandoening niet
      • Vrouw
        • genotype: XdXdX^dX^d fenotype: heeft de aandoening
        • genotype: XDXDX^DX^D fenotype: heeft de aandoening niet
        • genotype: XDXdX^DX^d fenotype: heeft de aandoening niet (draagster)
  • Leerboek p. 86 + 87

  • X-gebonden genen met recessieve allelen

    • Een man zal de X-gebonden recessieve aandoening altijd erven via het X-chromosoom van zijn moeder.
    • Zoon II6
      • Vader is gezond.
      • Moeder is gezond maar wel draagster van het gen.
      • Zoon 50% kans op de aandoening.
      • Kinderen III5 tem 7
        • Zoon 50% kans op de aandoening want zijn moeder is drager van het gen.
        • Dochter 50% kans op de aandoening want de vader heeft de aandoening en de moeder is drager van het gen.
  • Leerboek p. 87

  • Y-gebonden genen

    • Y-chromosoom: 70 tot 200 genen.
    • X-chromosoom: rond de 1000 genen.
    • Geslachtsbepalend gen: SRY-gen.
    • Aanwezigheid van het gen: geslachtsklieren → teelballen.
    • Afwezigheid van het gen: geslachtsklieren → eierstokken.
    • Typische genotype
      • Man XY
      • Vrouw XX
    • Uitzonderingen
      • XX-mannen
      • XY-vrouwen
  • Leerboek p. 88

  • Uitzonderingen:

    • XX-mannen.
      • Syndroom van De la Chapelle
        • Door crossing-over SRY-gen op X-chromosoom.
        • Recombinante zaadcel versmelt met eicel.
        • Kind: XX met mannelijke kenmerken.
        • Onvruchtbaar.
        • 1/100 000
  • Leerboek p. 88

  • Uitzonderingen:

    • XY-vrouwen.
      • Syndroom van Swyer
        • SRY-gen ontbreekt of
        • Y-chromosoom is gemuteerd.
        • Kind: XY
        • Kind wordt als vrouw opgevoed.
        • Vanaf puberteit: Y wordt ontdekt.
        • Baarmoeder, eierstokken en eileider is niet functioneel.
        • Onvruchtbaar.
        • 1/80 000
  • Leerboek p. 88

  • Noteer alle genotypes bij de personen (kleurenblind: b; normaal zien: B). Kleurenblindheid is een X-gebonden recessieve aandoening. Als je het genotype niet kan bepalen, plaats je een ‘.’ of een “?”.

  • Leerboek p. 88

2.3 Cryptomerie

  • Cryptomerie en epistasie = de overerving waarbij de uitdrukking van een bepaald gen door een ander gen wordt beïnvloed

    • Voorbeeld cryptomerie:
      • R-White hoenders onderling kruisen: witte nakomelingen
        • genotype: CCrr
      • Witte zijdehoender onderling kruisen: witte nakomelingen
        • genotype: ccRR
      • R-White hoender met witte zijde hoender: gekleurde nakomelingen
        • genotype CcRr combinatie C en R allelen geeft gekleurde hoenders
  • Leerboek p. 89

  • Voorbeeld cryptomerie: onderlinge kruising F1-generatie

    • F2-generatie:
      • 9/16 gekleurd
      • 7/16 wit
      • Het dominante allel C zal voor kleur zorgen, mits ook het dominante allel R aanwezig is.
  • Leerboek p. 89

  • Cryptomerie en epistasie

    • Voorbeeld epistasie:
      • Het gen voor afzetting is bepalend voor het fenotype
  • Leerboek p. 89

2.4 Polygenie

  • Polygenie = één fenotype ontstaat door de samenwerking van twee of meerdere genen die op aparte chromosomen liggen

    • Voorbeelden zoals huidskleur, oogkleur, haarkleur en lichaamslengte
  • Leerboek p. 90

  • Polygenie = één fenotype ontstaat door de samenwerking van twee of meerdere genen die op aparte chromosomen liggen

    • Voorbeeld oogkleur
      • Twee genen
      • Hoeveelheid melanine bepaalt de oogkleur
        • Donkerbruin: veel pigment
        • Blauw: weinig pigment
        • Bruin: tussenin
      • Hoe meer dominante allelen, hoe donkerder de oogkleur
  • Leerboek p. 90

  • Polygenie kruising 1

    • P-generatie:
      • Vader met zwarte ogen: AABB
      • Moeder met blauwe ogen: aabb
    • F1-generatie:
      • Allemaal lichtbruine ogen: AaBb
  • Leerboek p. 90

  • Polygenie kruising 2

    • F1-generatie:
      • Allemaal lichtbruine ogen: AaBb
    • F2-generatie:
      • Terug alle oogkleuren komen voor
      • Opmerking: Het is complexer dan we denken
  • Leerboek p. 91

2.5 Pleiotropie

  • Pleiotropie = één gen leidt tot de expressie van meerdere kenmerken

    • Voorbeeld 1: gen vleugelontwikkeling bij het fruitvliegje
      • B: normaal ontwikkeld fruitvliegjes
      • Indien homozygoot recessief voor het gen A: rudimentaire vleugels + minder aantal eitjes in de eierstokken + andere plaatsing van de haartjes op het borststuk + verkorte levenscyclus
  • Leerboek p. 91 + 92

  • Voorbeeld 2: gen pigmentatie bij katten

    • Kat met witte vacht en blauwe ogen
      • Geen pigmentatie
      • 40% doof
    • Kat met witte vacht en blauw en geel oog
      • Doof aan de kant met het blauwe oog
  • Leerboek p. 92

  • Voorbeeld 3: gen voor de aanmaak fenylalaninehydroxylase bij de mens

    • Bij mutatie in dat gen → fenylketonurie
      • Aangeboren stofwisselingsziekte
      • Hersenschade door een overschot aan fenylalanine in het bloed
      • Huidproblemen door het gewijzigde tyrosine-metabolisme
      • Aanwezigheid van fenylketon in de urine
    • Syndroom: het geheel van symptomen die samen wijzen op een bepaalde ziektetoestand
  • Leerboek p. 92

2.6 Letale Allelen

  • = allelen die in een homozygoot / heterozygoot genotype geen levensvatbaar individu opleveren
    • Vachtkleur muizen
      • Kleur bepaald door 1 gen
      • Geel dominant
        • G: gele haarkleur
        • g: normale haarkleur
  • Leerboek p. 92

JUIST/FOUT?

  • Het overerven van oogkleur bij de mens is een voorbeeld van pleiotropie.
    • Antwoord: Fout: Het overerven van oogkleur bij de mens is een voorbeeld van polygenie.
  • Een man zal de X-gebonden recessieve aandoening steeds erven via het X-chromosoom van zijn moeder.
    • Antwoord: Juist
  • Gekoppelde genen zijn genen die op verschillende chromosomen gelegen zijn en onafhankelijk overerven.
    • Antwoord: Fout: Genen die op hetzelfde chromosoom gelegen zijn en samen overerven, noem je gekoppelde genen.