Volledig Overzicht Klinisch Onderzoek voor Skillslab 1 en 2

Doelstellingen van het Klinisch Onderzoek

Het klinisch onderzoek is een fundamenteel onderdeel van de diergeneeskunde en dient als didactisch materiaal voor de stations klinisch onderzoek in Skillslab 1 en 2. De beoogde leerdoelen zijn als volgt:

  • Kennis van de onderdelen: De student moet alle verschillende fasen en onderdelen van het klinisch onderzoek uit het hoofd kennen.
  • Anatomische terminologie: Structuren moeten op een wetenschappelijk correcte wijze benoemd worden. Hierbij is het essentieel om termen te gebruiken zoals:
    • Dorsaal: Aan de rugzijde.
    • Ventraal: Aan de buikzijde.
    • Craniaal: Richting de schedel/kop.
    • Caudaal: Richting de staart.
    • Palmair: Aan de onderzijde van de voorpoot (de palm).
    • Plantair: Aan de onderzijde van de achterpoot (de zool).
  • Integratie van klinische functie: Het vermogen om organen en hun klinische functies anatomisch te lokaliseren op het levende dier.
  • Kennis van normaalwaarden: De student dient de fysiologische referentiewaarden per diersoort te kennen, waaronder:
    • Ademhalingsfrequentie.
    • Hartfrequentie.
    • Lichaamstemperatuur.
  • Driedimensionaal beeldvorming: Het omzetten van theoretische kennis uit cursussen naar een ruimtelijk inzicht op het dier zelf.

Belang van Systematiek en Praktijkervaring

Het klinisch onderzoek is een kunst die eigen gemaakt moet worden door herhaling en oefening.

  • Differentiële diagnostiek van geluiden: Tijdens de auscultatie van het hart hoort men vaak ook de longen, darmen en (bij herkauwers) de pens. Het is cruciaal deze geluiden van elkaar te differentiëren. Dit kan door gelijktijdig de flank te observeren voor de ademhaling of de hongergroef voor de pensbewegingen.
  • Oefenen op gezonde dieren: Door systematisch gezonde dieren te onderzoeken, leert de student het normale beeld kennen, waardoor pathologische afwijkingen in de toekomst sneller herkend worden.
  • Systematische volgorde: Het strikt naleven van de volgorde van de stappen (zoals onderricht aan de Universiteit Antwerpen en Universiteit Gent) is van groot belang. In het begin van de carrière moet dit rigide gebeuren; met ervaring zullen de stappen vloeiender in elkaar overgaan.
  • Voorkomen van professionele fouten: Een gebrekkig algemeen onderzoek kan leiden tot het missen van de primaire oorzaak.
    • Voorbeeld: Een koe met ernstige mastitis (uierontsteking) kan zwaar ademen. Zonder volledig onderzoek zou men onterecht een longontsteking kunnen behandelen. Het missen van de primaire oorzaak is een professionele fout en kan leiden tot schadeclaims van de eigenaar.

Fixatie en Veiligheid (Go No-Go)

Voordat enig onderzoek of handeling start, moet het dier correct gefixeerd worden.

  • Veiligheid: Correcte fixatie waarborgt de veiligheid van zowel mens als dier. Dit is een grondbeginsel van de diergeneeskunde.
  • Go No-Go principe: Het niet correct kunnen fixeren van een dier betekent dat verdere handelingen, zoals het aanleggen van een verband of het geven van een injectie, niet uitgevoerd mogen worden.
  • Examenconsequenties: Indien een student tijdens een stationsproef niet slaagt in een correcte fixatie, wordt hij/zij verzocht de stal te verlaten en de proef tijdens de tweede zittingsperiode te hernemen.

De Structuur van het Klinisch Onderzoek

Het onderzoek is opgebouwd uit de volgende opeenvolgende fasen:

  1. Signalement: Identificatie van het dier.
  2. Anamnese: De voorgeschiedenis afgenomen bij de eigenaar.
  3. Algemene indruk: Observatie van een afstand.
  4. Algemeen onderzoek: De 6 vaste parameters.
  5. Specifiek onderzoek: Diepgaand onderzoek van verdachte organen (bijv. rectaal onderzoek, mankheidsonderzoek).
  6. Differentiaal diagnose (DDX): Een lijst met mogelijke aandoeningen.
  7. Diagnose: De uiteindelijke conclusie na integratie van alle informatie.
  8. Behandeling en Prognose: Het plan van aanpak en de verwachting van de uitkomst.

Het Signalement (G R Hocat)

Het signalement helpt bij het uitsluiten of opnemen van pathologieën in de DDX. Het geheugensteuntje hiervoor is G R Hocat:

  • G: Geslacht (bijv. een reu krijgt nooit pyometra; vrouwelijke dieren hebben vaker blaasstenen, mannelijke dieren vaker urethrastenen).
  • R: Ras (bijv. Belgisch Witblauw heeft vaker last van dystocie dan een Holstein; een Shar-Pei is gevoelig voor omgevingsallergieën, een Duitse Dog vaker voor dieetallergieën).
  • H: Hoogte.
  • O: Ouderdom.
  • C: Couleur (Kleur).
  • A: Aftekeningen.
  • T: Tijd (datum en handtekening).

De Anamnese en Algemene Indruk

Anamnese

De anamnese wordt afgenomen bij de eigenaar via communicatievaardigheden (Skillslab 2). Het is essentieel om open vragen te stellen, aangezien eigenaren vaak zelf al diagnoses hebben gezocht op internet. De dierenarts moet eigen objectieve conclusies trekken.

Algemene Indruk

Dit is een vaak onderschat maar cruciaal onderdeel.

  • Afstand bewaren: Observeer het dier eerst van een afstand zonder het gedrag te verstoren door uw aanwezigheid.
  • Rondom bekijken: Let op symmetrie en bekijk het dier ook van de achterzijde.
  • Communicatie: Praat rustig met de eigenaar tijdens de observatie. Dit bespaart tijd en het lawaai waarschuwt het dier voor uw aanwezigheid, wat schrikreacties voorkomt.
  • Aandachtspunten:
    • Gedrag en houding (bang vs. enthousiast).
    • Body Condition Score (BCS): De methode van bepaling verschilt per diersoort (rund vs. paard vs. hond vs. lama).
    • Vachtconditie en ogen.
    • Abnormale geluiden en uiterlijke kenmerken (bulten, wonden).
    • Lichaamsbouw (bijv. een afhoudend kruis bij een merrie kan wijzen op pneumovagina).
    • Gait/Looptempo (manken of specifieke beenmijding).

Het Algemeen Klinisch Onderzoek (De 6 Parameters)

Het algemeen onderzoek moet bij elke diersoort systematisch worden uitgevoerd, bijv. van voor naar achter aan de linkerzijde en terug naar voren aan de rechterzijde.

  1. Temperatuur: Wordt als eerste gedaan omdat stress de temperatuur snel doet stijgen. Rectaal meten, diep tegen de mucosa aan. Let op reacties zoals 'weight shifting' op de achterbenen (teken van nervositeit/gevaar voor trappen).
  2. Slijmvliezen (Mucosae): Te beoordelen op drie aspecten:
    • Kleur: Dient lichtroze te zijn.
    • Vulling: Capillaire Vullingstijd (CRT) moet <2seconden< 2\,\text{seconden} zijn. Men drukt op de mucosa tot deze wit is en meet de tijd tot de kleur terugkeert.
    • Plakkerigheid: Een indicatie voor hydratatie; te voelen op het tandvlees.
    • Locaties: Mond, oogmucose (derde ooglid), rectum of vagina (indien niet gepigmenteerd).
  3. Turgor: De elasticiteit van de huid als maatstaf voor hydratatie. Meet een huidplooi op een plek waar de huid strak staat (hals bij grote huisdieren, op de ribben bij honden). Het 'tentje' moet direct verdwijnen bij loslaten.
  4. Ademhaling: Frequentie meten gedurende 30seconden×230\,\text{seconden} \times 2 voor de waarde per minuut. Observeren via neusgaten of flank.
  5. Pols:
    • Paard: Arteria facialis (tussen de kaaktakken, voelt als een losse spaghetti-structuur).
    • Hond/Kat: Arteria femoralis.
    • Beoordeel slagkracht en symmetrie (belangrijk bij emboliën).
  6. Lymfeknopen: De palpatiemogelijkheid hangt af van diersoort, vetmassa en spiermassa. Bij ziekte zijn ze duidelijker aanwezig. Ze horen los te liggen en onder de vingers door te schuiven.

Auscultatietechnieken

De Stethoscoop
  • Plaatsing: De oordopjes moeten in de richting van de gehoorgang (richting de hersenen) wijzen om de gehoorgang goed af te sluiten.
  • Diafragma: Moet openstaan voor gebruik. Bij specifieke percussie moet de juiste zijde geselecteerd zijn.
Longauscultatie
  • Ruitvorm: Ausculteer op verschillende plaatsen: craniaal, caudaal, dorsaal en ventraal, plus in het midden.
  • Verschil velden: Er is een verschil tussen het anatomische longveld en het ausculteerbare longveld. De scapula en rugbespiering maken delen van de anatomische long onbereikbaar voor auscultatie.
Hartauscultatie
  • Locatie: Meestal de 4e4^e, 5e5^e en 6e6^e intercostaalruimte.
  • Punctum Maximum: Het punt met de luidste hartslag, vaak te vinden achter het olecranon, diep in de oksel. Dit varieert per individu en diersoort.
  • Ribben tellen: Om de locatie te bepalen, telt men de ribben van achteren naar voren (het totaal aantal ribben per soort moet bekend zijn).

Specifiek Onderzoek bij Herkauwers en Paarden

Rund-specifiek
  • Pensonderzoek: Beluisteren aan de linkerzijde tussen de ribben. Gebruik een vuist in de hongergroeve (gelegen achter de laatste rib, onder de lumbale uitsteeksels) om beweging te voelen.
  • Uieronderzoek: Altijd aan de linkerzijde palperen.
    • Methode 1: Met het gezicht naar de kop, bekken tegen het achterbeen, rustig van de flank naar de uier.
    • Methode 2: Met het gezicht naar het achterbeen (gevaarlijker voor trappen).
Paard-specifiek
  • Caecum (Blindedarmer): Kan onderzocht worden via percussie (bekloppen) tijdens een specifiek onderzoek van het abdomen.

Conclusie en Lymfeknopen

De belangrijkste lymfeknopen om te kennen zijn:

  • Lnn. mandibulares: In de schaarstreek/kaakstreek.
  • Lnn. retrofaryngeales: Achter de kaakronding aan de oorbasis.
  • Lnn. subiliaci (Lieslymfeknoop): In de flank bij runderen.
  • Lnn. poplitei: In de knieholte bij de hond.

Het bachelor-eindniveau vereist dat de student het algemeen klinisch onderzoek beheerst, de juiste conclusies trekt en alle fysiologische normaalwaarden per diersoort paraat heeft.