Circuit 24: GRAMMAIRE

Le conditionnel Présent des verbes réguliers

(de voorwaardelijke wijs van de regelmatige werkwoorden)

In het Nederlands vertaal je het als bvb als ik zou willen, jullie zouden verkiezen, ….

Hoe vorm je Le Conditionnel Présent?

Bij regelmatige werkwoorden:

Infinitief + uitgangen -ais, -ais, -ait, -ions, -iez, -aient,

vb: je porterais, tu porterais, il porterait, nous porterions, vous porteriez, ils porteraient

(ik zou dragen, jij zou dragen, hij zou dragen, wij zouden dragen, jullie zouden dragen, zij zouden dragen)

Als de laatste letter van een infinitief een -e is, dan valt deze weg.

vb: perdre—> je perdre + ais → Je perdrais

Bij onregelmatige werkwoorden: (van buiten leren) de infinitief wordt anders

aller (gaan) —> ir + uitgangen vb J’irais (ik zou gaan)

avoir (hebben) —> aur + uitgangen vb tu aurais (jij zou hebben)

devoir (moeten) —> devr + uitgangen vb il devrait (hou zou moeten)

envoyer (verzenden, sturen) —> enverr + uitgangen vb nous enverrions (wij zouden versturen)

être (zijn) —> ser + uitgangen vb vous seriez (jullie zouden zijn)

faire (doen/maken)—> fer + uitgangen vb ils feraient (zij zouden doen)

falloir (nodig zijn) —> faudr + uitgangen vb je faudrais (ik zou moeten)

pleuvoir (regenen) —>pleuvr + uitgangen vb il pleuvrait (het zou regenen)

pouvoir (kunnen) —> pourr + uitgangen vb tu pourrais (jij zou kunnen)

recevoir (ontvangen) —> recevr + uitgangen vb nous recevrions (wij zouden ontvangen)

(re)tenir (ont-houden) —> (re)tiendr + uitgangen vb vous (re)tiendriez (jullie zouden houden)

(re)venir (terug-komen)—> (re)viendr + uitgangen vb ils (re)viendraient (zij zouden (terug)komen)

vouloir (willen) —> voudr + uitgangen vb: je voudrais (ik zou willen)

De beleefdheidsvorm

vb: Mag ik het zout hebben? letterlijk: Je peux avoir le sel? maar beleefder is: Je pourrais avoir le sel? (Zou ik het zout mogen hebben?)

Je gaat dan vooral de werkwoorden vouler, pouvoir, aimer, gebruiken

Je voudrais un jus bio, s’il vous plait (Ik zou graag een bio appelsiensap willen, aub)

J’aimerais avoir le menu, svp (Ik zou graag de menukaart willen, aub)

Voudriez vous passer de l’eau, svp (Zou je het water willen doorgeven, aub)

Conclusie: Je gebruikt de conditionel présent om over iets te praten waar je nog niet zeker van bent of om iets beleefd te vragen of te zeggen