1. Soorten reinigingsmiddelen

Wondreiniging
  • Verminderen biologische en bacteriële lading.

  • Verwijderen loszittend debris en vreemd materiaal.

  • Preventie van infectie.

Wondmanagement

De lokale wondbehandeling


DEEL 1: Reinigings-, anti-biofilm en ontsmettingsmiddelen

Inhoud
  1. Soorten reinigingsmiddelen

    • 1.1. Natriumchloride 0,9% (NaCl 0,9%)

    • 1.2. Steriel water

    • 1.3. Stads- of leidingwater

    • 1.4. Wondreiniger

  2. Anti-biofilm middelen

    • 2.1. Prontosan vloeistof

    • 2.2. Iso-Betadine Germicide zeep (PVP- I 7,5%)

  3. Ontsmettingsmiddelen

    • 3.1. Ontsmettingsmiddelen op basis van jodium

    • 3.2. Ontsmettingsmiddelen op basis van chloor

    • 3.3. Ontsmettingsmiddelen op basis van chloorhexidine

    • 3.4. Azijnzuur 0,5 tot 2%

    • 3.5. Af te raden ontsmettingsmiddelen


1.1. Natriumchloride 0,9% (NaCl 0,9%)
  • Steriel water en NaCl (zout) 0,9%: 1000ml H2O + 9g zout.

  • Isotone oplossing: idem zoutconcentratie als bloed.

  • Voordelen:

    • Niet pijnlijk of irriterend.

    • Niet cytotoxisch.

1.2. Steriel water
  • Oplossing van enkel water.

  • Hypotone oplossing: zoutconcentratie lager dan bloed of lagere osmotische waarde dan bloed.

1.3. Stads- of leidingwater
  • Niet steriel en voldoet aan bacteriologische kwaliteitseisen.

  • Geen regenwater of putwater gebruiken.

  • Enkele richtlijnen:

    • Enkel douchen, niet baden.

    • Indicatie:

    • Patiënten met normale weerstand.

    • Geen diepe wonden.

    • In thuissituatie.

    • Ziekenhuissetting:

    • Risico op pathogene en resistente kiemen.

    • Enkel leidingwater gebruiken met bacteriefilters.

    • Gebruik leidingwater:

    • Lauw water.

    • Pijnbeleving.

1.4. Wondreiniger
  • Kant-en-klare oplossing met spraykop.

  • Druk voldoende om het wondbed te reinigen, maar onvoldoende om de biofilm te verwijderen; mechanisch reinigen blijft belangrijk.

  • Bewaarmiddelen zorgen soms voor allergie: observeren.

  • Antisepticum in oplossing:

    • Zeer lage concentratie.

    • Voorkomen contaminatie oplossing.

    • Geen antiseptische werking t.h.v. wonde.


2. Anti-biofilm middelen

Biofilm
  • Bestaat uit verschillende micro-organismen die beschermd zitten in een schild van suikers en eiwitten (glycocalyx).

  • Stevig vastgehecht aan levende en niet-levende oppervlakten, hier dus het wondbed.

  • Minder gevoelig voor antiseptica en antibiotica.

  • Niet zichtbaar met blote oog.

  • 60-90% moeilijk helende wonden heeft een biofilm.

Werking anti-biofilm middelen
  • Surfactant (Surface Active Agent) of zeep eigenschappen.

  • Neemt oppervlaktespanning biofilm weg.

  • In combinatie met herhaaldelijk debrideren.

  • Antiseptica kunnen dieper doordringen in weefsel.

2.1. Prontosan vloeistof
  • Bevat betaïne (surfactant) en polyhexanide (0,1%) (antisepticum).

  • Polyhexanide verkort woord van Polyhexamethyleen biguanide (PHMB).

  • Indicatie:

    • Reinigen moeilijk helende en/of geïnfecteerde wond.

    • Behandeling biofilm.

    • Verwijderen fibrine en debris.

    • Geen antiseptische werking, werkt kiem-reducerend (niet kiemdodend) afhankelijk van de concentratie PHMB.

Hoe gebruiken?

  • Doordrenkte kompressen.

  • 10 tot 15 minuten wondcontacttijd.

  • Mechanisch reinigen.

  • Prontosan verzwakt biofilm maar neemt het niet weg.

2.2. Iso-Betadine Germicide zeep (PVP-I 7,5%)
  • Antiseptische zeep.

  • Behandeling huid- en slijmvliesaandoeningen:

    • Bacteriën.

    • Schimmels.

    • Virussen.

Hoe gebruiken?

  • Zeep aanbrengen; daarna bevochtigen en inmasseren.

  • Blijven wrijven tot schuim een lichte kleur heeft; afspoelen.


3. Ontsmettingsmiddelen

Soorten antiseptica
  • Waterige antiseptica: ontsmetten van wonde.

  • Alcoholische antiseptica: ontsmetten van intacte huid.

Werking antiseptica
  • Kiemdodend.

Aandachtspunten gebruik antiseptica
  • Reinig eerst de wonde.

  • Meng geen antiseptica.

  • Gebruik correcte concentratie.

  • Respecteer contacttijd.

  • Controleer houdbaarheidsdatum.

    • Alcoholische oplossingen: 1 maand NIET AANGEWEZEN BIJ WONDZORG.

    • Waterige oplossingen: 1 week.

  • Noteer datum ingebruikname.

  • Gebruik uni-doses.

  • Let op incompatibiliteit met wondverbanden.

3.1. Ontsmettingsmiddelen o.b.v. jodium

Wat is het?

  • Polyvidonjodium, kortweg PVP-I.

  • Combinatie van jodium en drager.

  • Gecontroleerde afgifte van jodium.

  • Breed werkingsspectrum.

  • Producten: Iso-Betadine en Braunol.

Indicaties

  • Ontsmetting intacte huid, open wonden en slijmvliezen.

  • Eerste keuze.

Contra-indicaties

  • Zwangere vrouwen en borstvoeding.

  • Jonge kinderen.

  • Schildklieraandoeningen.

  • Allergie.

Aandachtspunten
  • Op intacte huid residuele werking 6-8 uur.

  • Bruine kleur = antimicrobiële werking.

  • Verkleuring van de huid, weg na reinigen.

  • Langdurig gebruik of grote oppervlakten gebruik: controle schildklierwaarden.

3.1. Activiteit afhankelijk van hoeveelheid vrij jodium
  • Pure vorm:

    • Vertraagde afgifte jodium moleculen van dragende structuur.

    • Langdurige contacttijd.

    • Ontsmetten van de wonde.

  • Verdund (1/10):

    • 10 ml Iso-Betadine + 90 ml NaCl 0,9%.

    • Versnelde afgifte jodium moleculen.

    • Korte, krachtige ontsmetting.

    • Wondspoeling.

3.2. Ontsmettingsmiddelen o.b.v. chloor

Wat is het?

  • Breed werkingsspectrum.

  • Gebruikt bij overgevoeligheid voor jodium.

  • Producten: Dakin Cooper, Microdermacyn, Actimaris.

Indicaties

  • Ontsmetting van open wonden en slijmvliezen.

  • Tweede keuze.

Contra-indicaties

  • Kan cytotoxisch zijn, afhankelijk van concentratie.

  • Raadpleeg bijsluiter, bijvoorbeeld Dakin Cooper niet bij brandwonden of oftalmologie.

Aandachtspunten
  • Weinig inactivatie door organisch materiaal.

  • Geen residuele werking.

  • Kan kledingstukken ontkleuren.

3.3. Ontsmettingsmiddelen o.b.v. chloorhexidine

Wat is het?

  • Zwak werkingsspectrum.

  • Werkzaam tegen bacteriën, niet tegen schimmels, virussen en sporen.

  • Producten: Hibitane 0,05%, Hibidil en Hacdil.

Indicaties

  • Ontsmetting van open wonden en slijmvliezen.

  • Derde keuze.

Contra-indicaties

  • Sommige patiënten reageren overgevoelig.

  • Toxisch voor ogen, middenoor en centrale zenuwstelsel.

  • Bij onjuist gebruik cytotoxisch.

Aandachtspunten
  • Weinig inactivatie door organisch materiaal.

  • Residuele werking op de huid.

  • Beperkte studies tonen mogelijkheid op kruisresistentie met AB: verder onderzoek nodig!

3.4. Azijnzuur 0,5 tot 2%

Wat is het?

  • Smal werkingsspectrum: enkel gram-negatieve bacteriën (pseudomonas) en schimmels.

  • Verlaagde pH.

Indicaties

  • Tweede keuze na PVP-I bij behandeling pseudomonas infectie.

  • Mag gebruikt worden bij zwangere vrouwen en kinderen.

Contra-indicaties

  • Branderig gevoel, pijn, irritatie en roodheid huid.

  • Mogelijke vertraging re-epithelisatie.

Aandachtspunten
  • Gedrenkte kompressen 20 minuten laten inweken.

  • 2-3 keer per dag gebruiken.

  • Vermijd contact met omliggende huid, gebruik barrièrespray.

3.5. Af te raden ontsmettingsmiddelen
  • Waterstofperoxide 3% of zuurstofwater

    • Wat is het?

    • Zwak antisepticum.

    • Cytotoxisch.

    • Korte werkingsduur.

    • Verantwoorde indicaties:

    • Bevuilde straatwonden.

    • Besmetting met anaerobe bacteriën.

    • Losweken van bloed door bruisend effect.

  • Eosine of mercurochroom

    • Geen antiseptische werking.

    • Uitdrogend effect.

    • Maskeert infectietekens door kleuring.

  • Alcoholische ontsmettingsstoffen

    • Nooit in open wonden.

    • Enkel ontsmetting intacte huid.

    • Preoperatieve huidontsmetting.

    • IV katheterzorg.

Werkingsspectrum

Basiswondzorg

Product

Gram + bacteriën

Gram - bacteriën

Schimmels

Virussen

Spores

Jodium

+++

+++

+++

+++

+++

Chloor

+++

++

++

+++

++

Chloorhexidine

+++

++

0

0

0

Azijnzuur

+++

0

0

++

0

Waterstofperoxide

+

+

0

0

0

+++ = hoog, ++ = matig, += laag, 0 = geen, GG = geen gegevens.
Bron: Wondmanagement: nieuwe inzichten in antiseptica (Téot et al. 2004)

Duurtijd van een antimicrobiële behandeling
  • Geen eenduidigheid in literatuur.

  • Periode van 2 weken en nadien her evaluatie.


DEEL 2: Verbandkeuze

Inhoud
  1. Het ideale verband

  2. Soorten verbanden

    • 2.1. Passieve wondverbanden

      • a. Gaaskompres

      • b. Absorberend verband

      • c. Superabsorbers

      • d. Wondrandbeschermers

      • e. Vetgaas

      • f. Niet-inklevend siliconenverband

      • g. Niet-inklevend verband met plastic antikleeflaag

    • 2.2. Actieve wondverbanden

      • 2.2.1. Niet-medicamenteuze actieve wondverbanden

      • a. Polyurethaanfilms

      • b. Hydrogels

      • c. Enzymatisch debriderende producten

      • d. Hydrocolloïdalen

      • e. Schuimverbanden

      • f. Vezelverbanden

      • g. Alginaten

      • 2.2.2. Niet-medicamenteuze actieve antimicrobiële verbanden

      • a. Honingverbanden

      • b. Enzyme-alginogel

      • 2.2.3. Medicamenteuze wondverbanden

      • a. Verbanden met jodium

      • b. Verbanden met zilver

  3. Terugbetaling van actieve verbanden

  4. Verbandfixatie


Inleiding
  • Doel wondverband: optimale omgeving creëren voor wondheling.

  • Verbandkeuze: één klein onderdeel van behandelplan, belangrijkste is behandeling van de oorzaak.

  • Factoren verbandkeuze:

    • Wondgerelateerde factoren.

    • Productgerelateerde factoren.

    • Patiëntgerelateerde factoren.

    • Kostprijs.

1. Het ideale verband
  • Verbandkeuze op basis van TIME-CDST:

    • Kenmerken ter optimalisatie wondgenezing:

    • T: granulatieve bevorderen.

    • I: infectie bestrijden indien nodig.

    • M: optimale vochtbalans.

    • E: epithelialisatie bevorderen.

  • Kenmerken om comfort te verhogen.

  • Kenmerken om uitvoering wondzorg te vergemakkelijken.

2. Soorten verbanden

Primaire en secundaire verbanden

  • Primaire wondverbanden:

    • Rechtstreeks in contact met het wondbed.

  • Secundaire wondverbanden:

    • Boven op het primaire verband.

    • Doel: fixatie primair verband, absorptie exsudaat.

Actieve en passieve verbanden

  • Actieve verbanden:

    • Actieve werking in het wondbed.

    • Bevorderen en behoud van optimaal vochtig wondmilieu.

  • Passieve verbanden:

    • Wonde afdekken.

    • Niet-inklevende eigenschappen of absorptie exsudaat.

2.1 Passieve wondverbanden

a. Gaaskompres

  • Reinigen en afdekken van droge, zuivere wonden.

  • Soorten:

    • Katoenen gaaskompres.

    • Non-woven of viscose kompressen: voorkeur!

  • Zowel steriel als niet steriel verpakt.

  • Veel afmetingen.

  • Beperkt absorptievermogen.

  • Doorlaatbaar voor bacteriën en water.

b. Absorberend verband

  • Gewatteerd gaaskompres met absorptiekern van watten of cellulose.

  • Afdekken van matig tot sterk exsuderende wonden.

  • Geen antiseptische werking, vormt barrière voor bacteriën van buitenaf.

  • Mag niet verknipt worden.

c. Superabsorbers

  • Technologie incontinentiemateriaal.

  • Absorptie van grote hoeveelheden exsudaat.

  • Opbouw verband:

    • Vochtdoorlatende wondcontactlaag.

    • Distributielaag.

    • Superabsorberende laag.

    • Buitenste laag luchtdoorlatend, niet doorlaatbaar voor vocht.

  • Mag niet verknipt worden.

  • Vervangen bij verzadiging.

  • Voorbeelden: Curea®, Mextra®, Vliwasorb®.

d. Wondrandbeschermers

  • Barrièremiddelen: film, crème of pasta.

  • Doel: bescherming wondrand tegen maceratie, irritatie of frictie.

  • Soorten:

    • Dimeticone, semipermeabele filmlaag.

    • Bevat geen alcohol, mag op beschadigde huid.

    • Transparant, observatie mogelijk.

    • Frequentie: om de 24 tot 48 uur.

    • Voorbeelden: Cavilon® spray, Cutimed® Protect.

e. Vetgaas

  • Wat is het?

    • Katoenen gaaskompres geïmpregneerd met vaseline of paraffine.

    • Voorkomt dat zalf geabsorbeerd wordt in bedekkend verband.

    • Vaak gebruikt als secundair verband.

  • Aandachtspunten:

    • Mag verknipt worden.

    • Niet dubbel leggen zodat wondvocht er nog doorheen kan stromen.

  • Voorbeelden: Jelonet®, Cutticel® Classic, Adaptic®.

f. Niet-inklevend siliconenverband

  • Wat is het?

    • Ondergrond polyamide met laagje silicone.

    • Niet-inklevende eigenschappen.

    • Hechten aan droge wondomgeving, niet aan natte open wond.

    • Wijdmazige structuur, permeabel.

    • Drainage exsudaat naar secundair verband.

  • Indicaties:

    • Inkleving voorkomen.

    • Skin tears categorie 1 en 2 fixatie huidflap.

    • Fixatie blaardak.

    • Interface bij negatieve druktherapie.

  • Contra-indicaties:

    • Geïnfecteerde wonden.

    • Skin tears categorie 3.

  • Aandachtspunten:

    • Goed contact met wondbed.

    • Voldoende overlap intacte huid.

    • Niet in meerdere lagen aanbrengen.

    • Verwijder in juiste richting bij skin tears.

    • Secundair verband noodzakelijk.

  • Voorbeelden: Mepitel® One, Cutticel® Contact, Adaptic® Touch.

g. Niet-inklevend verband met plastic antikleeflaag

  • Opbouw verband:

    • Niet-verklevende microgeperforeerde wondcontactlaag (polyestervlies).

    • Glanzende zijde in contact met wondbed.

    • Absorberende laag.

    • Beperkte absorptiecapaciteit.

  • Afgeraden bij moeilijk helende wonden.

    • Maceratie door beperkte absorptiecapaciteit.

    • Verhoogt het risico op infectie.

  • Voorbeelden: Melolin®, Stellaline®.

2.2 Actieve wondverbanden

Soorten actieve wondverbanden

  • Niet-medicamenteuze actieve wondverbanden:

    • T: Ondersteunen debridement.

    • I: Geen actieve antiseptische werking.

    • I: Aantal micro-organismen verminderen door fixatie kiemen in het verband.

  • Niet-medicamenteuze actieve antimicrobiële wondverbanden:

    • T: Ondersteunen debridement.

    • I: Bevatten geen farmaceutische bestanddelen, verminderen bacteriële belasting door actieve bestanddelen, maar hebben wel een antiseptische werking.

  • Medicamenteuze wondverbanden:

    • I: Bevatten farmaceutische bestanddelen zoals zilver en jodium, hebben antiseptische werking – bactericide. CAVE resistentie.

  • Raadpleeg bijsluiter.

  • Eindelijk reinigen, niet systematisch ontsmetten.

  • Indien nodig barrièreproduct gebruiken.

  • Zorg voor goed contact met het wondbed, niet als secundair verband gebruiken.

  • Dagelijkse observatie van verband, ook als geen verbandwissel nodig is.

  • Geen actieve verbanden combineren, keep it simple!

2.2.1. Niet-medicamenteuze actieve wondverbanden

a. Polyurethaanfilms

  • Wat is het?

    • Dunne, elastische, zelfklevende wondfolies.

    • Doorzichtig: observatie mogelijk door het verband.

    • Soorten:

    • In steriele en niet-steriele vorm.

    • Wondfolie, bijv. Opsite® en Tegaderm®.

    • Wondfolie met siliconenlaag, bijv. Mepitel® Film.

    • Polyurethaan in spray vorm, bijv. Opsite® spray.

  • TIME:

    • I: Geen antimicrobiële werking, barrière tegen micro-organismen van buitenaf.

    • M: Vochtige wondheling, geen absorptievermogen.

  • Indicaties:

    • Gesloten chirurgische wonden met weinig exsudaat.

    • Secundair verband.

    • Bescherming van de huid tegen exsudaat (negatieve druk therapie).

  • Contra-indicaties:

    • Matig tot sterk exsuderende wonden.

    • Gevoelige huid (skin tears).

    • Geen preventie voor decubitus.

  • Aandachtspunten:

    • Voor het aanbrengen goed drogen.

    • Breng de folie aan zonder spanning.

    • Om te verwijderen: trek aan de folie evenwijdig met de huid.

b. Hydrogels

  • Wat is het?

    • Water gebonden door bindmiddel.

    • Niet cytotoxisch.

  • TIME:

    • T: Debriderende werking.

    • I: Geen antiseptische werking.

    • M: Vochtige wondheling.

    • E: Cave maceratie.

  • Indicaties:

    • Granulerende, fibrineuze en necrotische wonden.

    • Weinig tot matig exsuderende wonden.

    • Radiotherapie (radiodermatitis).

    • Eerstegraadsbrandwonden.

  • Contra-indicaties:

    • Sterk exsuderende wonden.

    • Geïnfecteerde wonden.

  • Aandachtspunten:

    • Aanbrengen in voldoende dikke laag (5 mm).

    • Dagelijkse verbandwissel.

    • Altijd secundair verband nodig.

    • Gebruik indien nodig wondrandbescherming.

  • Voorbeelden: Nu-gel®, Intrasite® gel, Purilon® gel, Flamigel®, …

c. Enzymatisch debriderende producten

  • Wat is het?

    • Enzyme collagenase: afbraak collageenvezels, loslaten necrose.

    • Tasten granulatieweefsel niet aan.

  • TIME:

    • T: Sterk debriderend.

    • I: Geen antiseptische werking.

    • M: Vochtige wondheling, beperkt absorptievermogen.

    • E: Indien nodig wondrandbescherming aanbrengen.

  • Indicaties:

    • Fibrineuze en necrotiserende wonden.

  • Contra-indicaties:

    • Wonden zonder fibrine of necrose.

    • Geïnfecteerde wonden.

  • Aandachtspunten:

    • Vervang dagelijks het verband en reinig grondig.

    • Combineer niet met andere producten – heffen de werking van het enzyme op.

  • Voorbeelden: Iruxol®, Hyalo4® Start (bevat ook hyaluronzuur).

d. Hydrocolloïdalen

  • Wat is het?

    • Zelfklevende plaat, pasta of poeder.

    • Vormt een gel in contact met wondvocht (witte verkleuring).

  • TIME:

    • T: Stimuleert granulatie, heel beperkt debridement.

    • I: Geen antiseptische werking.

    • M: Vochtige wondheling, zeer beperkt absorptievermogen.

    • E: Gebruikt als wondrandbescherming (stoma of negatieve druktherapie).

  • Indicaties:

    • Epitheliserende, granulerende of licht fibrineuze wonden.

    • In plaatvorm enkel oppervlakkige wonden, pasta kan ook in diepe wonden.

    • Weinig exsuderende wonden.

  • Contra-indicaties:

    • Sterk exsuderende wonden.

    • Geïnfecteerde wonden.

    • Best niet gebruiken op een stuit (krult op en geeft dan extra druk).

  • Aandachtspunten:

    • Droog de wondomgeving goed voor het aanbrengen van de plaat.

    • Druk de plaat goed aan: lichaamswarmte versterkt de kleefkracht.

    • Geen eindverband nodig, niet fixeren met polyurethaanfilm (dat verhindert verdamping).

    • Debriderende werking pas na 48 uur, verband moet minimum 72 uur ter plaatse blijven.

  • Voorbeelden: Comfeel®, Duoderm®, Suprasorb® H.

e. Schuimverbanden

  • Wat is het?

    • Vochtabsorberende verbanden.

    • Lagen van het verband:

    • Niet-inklevende wondcontactlaag (soms op basis van siliconen).

    • Opencellig schuim: grote opnamacapaciteit en fixatie exsudaat.

    • Polyurethaanlaag: hydrofoob aan de buitenzijde, laat wel verdamping toe.

    • Verschillende maten en vormen, adhesive en non-adhesive, met of zonder border.

  • TIME:

    • T: Stimuleert granulatie, beperkt debridement.

    • I: Geen antiseptische werking.

    • M: Vochtige wondheling, zeer goed absorptievermogen.

    • E: Siliconen rand beschermt wondomgeving.

  • Indicaties:

    • Epitheliserende, granulerende wonden of beperkt fibrineus beslag.

    • Oppervlakkige wonden.

    • Matig tot sterk exsuderende wonden.

  • Contra-indicaties:

    • Afwezigheid van exsudaat.

    • Necrose.

  • Aandachtspunten:

    • Zorg voor goed contact met het wondbed.

    • Zorg voor voldoende overlap met gezonde huid.

    • Met border geen aparte fixatie nodig.

    • Zonder border apart fixeren, niet afplakken met polyurethaanfolie (dat verhindert verdamping).

    • Vervangen bij verzadiging (na 3 tot 5 dagen).

    • Niet combineren met chlooroplossingen of zuurstofwater.

  • Voorbeelden: Mepilex®, Allevyn®, Biatain® Foam, …

f. Vezelverbanden

  • Wat is het?

    • Steriel non-woven verband dat in contact met exsudaat een compacte gellaag vormt die debridement bevordert.

    • Vochtregulerende werking – risico op een te nat of te droog wondmilieu verkleint.

    • Verticale werking – voorkomt verweking wondranden.

    • Debris en bacteriën worden ingekapseld in de compacte gellaag – bevordert infectiebestrijding.

    • Eenvoudig aan te brengen.

    • Kan tot 7 dagen ter plaatse blijven.

    • Gemakkelijk in zijn geheel te verwijderen.

    • In kompres- en wiekvorm, al dan niet geïmpregneerd met zilver (Ag).

  • TIME:

    • T: Stimuleert granulatie, debriderende werking.

    • M: Vochtige wondheling, goed absorptievermogen.

  • Indicaties:

    • Epitheliserende, granulerende wonden of wonden met matig fibrineus beslag.

    • Oppervlakkige wonden, diepe/ondermijnde wonden met vastmazig wiekverband.

    • Matig tot sterk exsuderende wonden.

    • Gecontamineerde/gekoloniseerde wonden.

  • Contra-indicaties:

    • Afwezigheid van exsudaat.

    • Droge necrotische wonden.

  • Aandachtspunten:

    • Voldoende overlap (min. 5 cm) met gezonde huid.

    • Steeds in combinatie met secundair absorberend verband.

    • Indien verband ingedroogd, fysiologische oplossing gebruiken om te bevochtigen.

    • Vervang bij volledige verzadiging van verband (lekkage).

  • Voorbeelden: Aquacell®, Exufiber®, Durafiber®, Suprasorb® Liquacell.

g. Alginaten

  • Wat is het?

    • Verband vervaardigd op basis van zeewier (calcium-natriumalginaatvezel).

    • In contact met wondvocht – zachte gel die debris en bacteriën insluit.

    • Debriderende werking en goede absorptie.

    • Hemostatische of bloedstelpende werking (uitwisseling Ca+-ionen).

    • Beschikbaar als kompressen en wieken, al dan niet met zilver (Ag) geïmpregneerd.

  • TIME:

    • T: Granulatie stimulerend, debriderende werking.

    • M: Vochtige wondheling, goed absorptievermogen.

  • Indicaties:

    • Epitheliserende, granulerende wonden of wonden met matig fibrineus beslag.

    • Oppervlakkige wonden, diepe/ondermijnde wonden met vastmazig wiekverband.

    • Matig tot sterk exsuderende wonden.

    • Gecontamineerde/gekoloniseerde wonden.

    • Diffuse bloedingen (donorsites, oncologische ulcera, skin tears categorie 3,…).

  • Contra-indicaties:

    • Geen of weinig exsudaat.

    • Droge necrotische wonden.

  • Aandachtspunten:

    • Zorg voor beetje overlap met gezonde huid – zeker bij donorsites.

    • Bevochtig bij weinig exsuderende wonden met NaCl 0,9%.

    • Vervang bij volledige verzadiging.

    • Bedek met secundair verband en fixeer (bijv. met absorberend verband).

    • Bij donorsites mag het alginaatna enkele dagen afgeplakt worden met polyurethaanfilmverband (zal meer geleren en makkelijker te verwijderen).

    • Bij diepe of ondermijnde wonden – alginaatwiek.

    • Kan groenverkleuring en muffe geur vertonen.

  • Voorbeelden: Kaltostat®, Biatain®, Alginaat, Tegaderm® Alginate, Suprasorb® A, Algisite®.

2.2.2. Niet-medicamenteuze actieve antimicrobiële wondverbanden

a. Honingverbanden

  • Wat is het?

    • Verbanden die honing bevatten vermengd met een zalfbasis.

    • Autolytisch debriderende eigenschap – osmotische werking (hoge concentratie suiker).

    • Absorberen overtollig wondvocht en neutraliseren geur.

    • Bevorderen granulatie en epithelialisatie in de wond.

    • Antibacteriële werking.

    • Enzymatische werking.

    • Anti-inflammatoire werking.

    • Beschikbaar in vele vormen: zalf, gel, verbandgaas, alginaat met honing, wiek,…

  • TIME:

    • T: Granulatie stimulerend, debriderende werking.

    • I: Antimicrobiële werking (osmotische en enzymatische activiteit) en vermogen om micro-organismen te absorberen.

    • M: Vochtige wondheling wordt gecreëerd, absorptievermogen afhankelijk van het honingverband.

  • Indicaties:

    • Epitheliserende, granulerende wonden of wonden met fibrineus beslag of beperkte (natte) necrose.

    • Oppervlakkige of diepe wonden.

    • Weinig, matig tot veel exsudaat.

    • Gecontamineerde/gekoloniseerde wonden.

    • Geïnfecteerde wonden (lokale infectie) onder medisch toezicht.

  • Contra-indicaties:

    • Zeer droge of sterk necrotische wonden.

    • Overgevoeligheid of allergie voor honing.

    • Geïnfecteerde wonden (uitbreidende en systemische infecties).

  • Aandachtspunten:

    • Verbandwissel: afhankelijk van het gebruikte honingverband (meestal dagelijks of om de 2 dagen).

    • Verwijder goed de resterende zalfresten.

    • Kan direct op wondbed aangebracht worden in een dunne laag (2 mm).

    • Kan branderig aanvoelen, afhankelijk van de concentratie honing.

    • Secundair absorberend verband aanbrengen.

b. Enzyme-alginogel

  • Wat is het?

    • Wondgel op basis van vloeibare alginaten met een antimicrobiële werking via antimicrobieel enzymcomplex.

    • Houdt de wonde vochtig en zorgt voor voortdurende wondreiniging en debriderende werking.

    • Antimicrobiële bescherming.

    • Veilig voor huidcellen en beschermt wondranden.

    • Beschikbaar in 2 concentraties: Flaminal® Hydro en Flaminal Forte®.

  • TIME:

    • T: Granulatie stimulerend, continue debriderende werking.

    • I: Behoudt antibacterieel evenwicht (enzymcomplex).

    • M: Vochtige wondheling wordt gecreëerd, absorptievermogen afhankelijk van percentage alginaten.

    • E: Alginaten beschermen wondranden tegen maceratie.

  • Indicaties:

    • Epitheliserende, granulerende wonden of wonden met fibrineus beslag of beperkte (natte) necrose.

    • Oppervlakkige of diepe wonden.

    • Weinig tot matig exsuderende wonden: Flaminal® Hydro.

    • Matig tot sterk exsuderende wonden: Flaminal® Forte.

    • Gecontamineerde/gekoloniseerde wonden.

    • Geïnfecteerde wonden (lokale infectie) onder medisch toezicht.

    • Brandwonden, radiodermatitis.

  • Contra-indicaties:

    • Zeer droge wonden.

    • Geïnfecteerde wonden (uitgebreide of systemische infectie).

  • Aandachtspunten:

    • Verbandwissel dagelijks of om de 2 dagen.

    • In combinatie met vetgaas of direct op wondbed – voldoende dik (4-5 cm).

    • Kan 1ste half uur branderig gevoel geven door osmotisch effect (pijnmedicatie).

    • Secundair verband – goed absorberend.

    • Indien in caviteiten of ondermijnde wonden – drager gebruiken, bijv. gaaswiek.

    • Indien gel te snel lopend: wonde te vochtig – eventueel omschakelen van Flaminal® Hydro naar Flaminal® Forte.

    • Indien droge alginaatschilfers in of rond de wonde: wonde is te droog – omschakelen van Flaminal® Forte naar Flaminal® Hydro.

    • Kleur van zalf kan veranderen (heeft geen invloed op kwaliteit).

    • Door opname van fibrine en necrose in zalf kan exsudaat soms verward worden met etter – geur en infectietekens kunnen een differentiatie geven tussen wondvocht en etter.

  • CAVE: Meng Flaminal® niet met iso-Betadine® Gel – alginaat gaat sneller verzadigd geraken en minder vocht kunnen opnemen; beïnvloeding antibacteriële werking is niet duidelijk.

2.2.3. Medicamenteuze wondverbanden

a. Verbanden met jodium

  • Wat is het?

    • Chemisch element met antiseptische eigenschap.

    • Gebruikt om wonden te desinfecteren en infecties te voorkomen.

    • Werkzaam tegen gram-negatieve en gram-positieve bacteriën, schimmels, sporen, protozoa en virussen.

    • Effectief in bestrijding MRSA, pseudomonas, …

    • Kan schadelijk zijn voor gezond weefsel – langdurig gebruik kan leiden tot irritatie en vertraging genezingsproces.

    • Verschillende vormen: zalf, gel, in zalfgaas- of tulleverband, vloeibaar of in poedervorm.

  • TIME:

    • T: Bruine verkleuring wondomgeving – op zich geen probleem.

    • I: Breedspectrumwerking.

    • I: Bij exsudatieve en meer gecontamineerde wonden zal het vlugger uitgewerkt zijn – witte verkleuring.

  • Indicaties:

    • Geïnfecteerde wonden (lokale, uitbreidende en systemische infecties).

    • Oppervlakkige en diepe wonden (wiekverbanden).

    • Droge wonden tot wonden met veel exsudaat.

    • Om een droge necrose uit te drogen kunnen tulleverbanden gebruikt worden.

  • Contra-indicaties:

    • Afgeraden bij zwangere vrouwen of vrouwen die borstvoeding geven en voor gebruik bij prematuren, neonati, jonge kinderen (<30 maanden).

    • Niet aangewezen bij zorgvragers met schildklieraandoeningen of bij allergie voor één van de stoffen in het geneesmiddel.

  • Aandachtspunten:

    • Dagelijks verbandwissel of frequentie afhankelijk van mate van infectietekens – bruine kleur is indicator van een nog actieve werking.

    • Lokale infectie of preventief bij duidelijk gedefinieerde doelgroepen, bijv. diabetes: 1x/dag.

    • Bij uitbreidende of systemische infecties: 2 tot 3 x/dag.

    • Kan verkleuring van huid of wonde geven – bij reiniging kleurresten verwijderen.

    • Bij fistels, ondermijning of tunnelvorming – kan gel op wiek aangebracht worden.

  • Combineer geen iso-Betadine® en iso-Betadine® Tulle met elkaar – indien nodig kan gel en vetverband gebruikt worden (goedkoper).

    • Bij langdurig gebruik en/of grote wondbedoppervlak kan absorptie van jodium optreden (opvolging schildklierwaarden).

    • Niet combineren met andere antiseptica.

    • Niet combineren met zilververbanden – kan blijvende zwarte verkleuring geven op de huid.

  • Voorbeelden: iso-Betadine®, Braunol®, Inadine® en Iodosorb®.

b. Verbanden met zilver

  • Wat is het?

    • Wondverbanden met zilver geïmpregneerd.

    • Antimicrobiële werking, breedspectrum.

    • Vaak gebruikt bij wonden met hoog infectierisico of wonden die al geïnfecteerd zijn.

    • Verschillende vormen: zilver geïmpregneerd gaas, schuimverbanden, hydrofibers, alginaten en zalven.

  • TIME:

    • T: Afhankelijk van het soort verband.

    • I: Breedspectrum, geur reducerend.

    • M: Afhankelijk van het soort verband.

  • Indicaties:

    • Geïnfecteerde wonden (lokale, uitbreidende en systemische infectie).

    • Afhankelijk van soort verband.

    • Oppervlakkige en diepe wonden.

    • Droge wonden tot wonden met veel exsudaat.

    • Geïnfecteerde wonden bij zorgvrager met overgevoeligheid voor jodiumproducten.

  • Contra-indicaties:

    • Zorgvrager overgevoelig voor zilver of verbandmateriaal waarin zilver geïmpregneerd is.

    • In geval van MRI of bestraling.

  • Aandachtspunten:

    • Verbandwissel afhankelijk van werkingsduur van verband en infectiegraad (3 tot 7 dagen actief).

    • Goede evaluatie hoe lang het nodig is – indien infectie onder controle, vervangen door verband zonder Ag.

    • Voorzichtig gebruiken – langdurig of overmatig gebruik leidt tot zilverophoping in het lichaam.

    • Bijsluiter controleren of verband al dan niet op maat geknipt mag worden.

    • Kunnen een donkere verkleuring in het wondbed geven en exsudaat een donker aspect geven.

    • Niet combineren met producten op oliebasis.

    • Voorbeelden: Mepilex® Ag, Biatain® Ag, Aquacel® Ag, Tegaderm® Alginaat Ag, Acticoat®, en als zalf Flammazine®.

3. Terugbetaling actieve verbanden
  • KB – tegemoetkoming meeste producten in chronische wondzorg.

  • Wanneer?

    • Recht op terugbetaling bij moeilijk helende wonden (> 6 weken) EN als zorgvrager ten minste 1 van de volgende ziektebeelden heeft:

    • Arterieel ulcus.

    • Veneus ulcus.

    • Diabetisch ulcus.

    • Drukulcus graad II, III of IV.

    • Neuropathisch ulcus (bij niet-diabetici).

    • Ulcera t.g.v. vasculitis.

    • Oncologische wonden.

    • Postchirurgische wonden.

    • Brandwonden.

    • Andere: via de dermatoloog.

  • Tegemoetkoming van actieve verbandmiddelen ingeschreven op lijst van terugbetaalbare actieve verbandmiddelen (zie website RIZIV).

  • Voorschrift nodig.

  • Aanvraagformulier indienen.

  • Goedkeuring van adviserend arts, drie maanden geldig.

  • Kan drie keer verlengd worden.

  • Automatisch korting in apotheek.

4. Verbandfixatie
  • Belangrijk aspect van wondverzorging om verband op zijn plaats te houden en wonde goed te laten genezen.

  • Slechte fixatie kan leiden tot:

    • Verlies van bescherming.

    • Besmettingsgevaar.

    • Irritatie van de huid.

    • Belemmering van bloedcirculatie.

    • Verhoogde pijn en ongemak.

    • Vertraagde wondgenezing.

    • Tijdrovend, extra stress veroorzakend, verspilling verbandmateriaal.

4.a Hechtpleisters
  • Indien nodig hypoallergene hechtpleisters.

  • Aan randen van verband bevestigen en stevig op de huid.

  • Voorbeelden: Micropore®.

4.b Volvlak-fixatiepleisters
  • Speciale fixatiepleisters om verband op plaats te houden.

  • Sterk hechtend oppervlak.

  • Voorbeelden: Mefix®, Hypafix®.

4.c Zwachtels of windels
  • Fixeer windels zodat bij mobilisatie ze niet loskomen of afzakken.

  • Best niet-insnoerende windelen op onderste ledematen (vasculair lijden).

  • Fixeer indien nodig met extra kleefverband op de huid om afzakken te voorkomen.

  • Voorbeelden: Peha® Haft (niet te hard aanspannen en controleren op mobilisatie).

4.d Elastisch netverband
  • Makkelijk om over verband te schuiven – kan ook als extra fixatie van windel.

  • Niet te strak – bloedcirculatie.

  • Kunnen aan elkaar gemaakt worden.

  • Kunnen ingeknipt worden (bijv. aangezicht).

  • Voorbeelden: Surgifix®, Elastofix®.

4.e Buisverbanden
  • Niet-knellende elastische verbanden – rekken in lengte en breedte.

  • Als fixatie of huidbescherming (bijv. onderkous).

  • Verschillende maten – kan op maat geknipt worden.

  • Volledige bewegingsvrijheid – mag niet afsnoeren.

  • Kan gewassen worden.

  • Voorbeelden: Tubifast® en Tubigrip®.

4.f Netbroekje

  • Verbanden t.h.v. genitaliën of stuit.

  • Kledingstukken als extra fixatie.

  • Soms kledingstukken zoals bh of onderbroek als extra fixatie.

4.g Kniptechnieken

  • Goede kniptechnieken helpen om een optimale fixatie te creëren.


MARSI

Medical adhesive-related skin injury
  • Huidbeschadiging gerelateerd aan het gebruik van medische hechtproducten of apparaten, zoals tape, wondverbanden, stoma producten, elektroden, medicatiepleisters en wondsluitstrips.

MARSI categorieën
  • Mechanische schade

    • Huidstripping: verwijdering van een of meer lagen van de epidermis.

    • Schade is vaak oppervlakkig en onregelmatig van vorm.

    • De huid kan glanzend zijn.

    • Open zweren kunnen gepaard gaan met roodheid en blaarvorming.

  • Huidbeschadiging die volledige diepte van de huid aantast

    • Blaren.

    • Stripping letsels: huid wordt weggetrokken en de lagen van de huid scheiden zich.

  • Mechanische schade

  • Irritatie-contact dermatitis

  • Maceratie onder een niet-geven hechtmiddel.

Risicofactoren
  • Intrinsieke risicofactoren:

    • Extremen van leeftijd.

    • Dehydratatie.

    • Ondervoeding.

    • Dermatologische aandoeningen.

    • Onderliggende medische aandoeningen die invloed kunnen hebben op de huid.

    • Diabetes.

    • Infectie.

    • Renale insufficiëntie.

    • Immunosuppressie.

    • Chronische veneuze insufficiëntie.

  • Extrinsieke risicofactoren:

    • Droge huid.

    • Prolonged blootstelling aan vocht.

    • Bepaalde medicijnen.

    • Stralingstherapie.

    • Photodamage.

Preventie MARSI
  • Huidbeoordeling alvorens medical adhesive aan te brengen.

  • Denk aan het gebruik van huidbarrièreproducten.

  • Kies de beste soort medical adhesive rekening houdend met de patiënt.

  • Gebruik kleefpleister verwijderaars.

  • Herbeoordeel de huid zolang als een medical adhesive nodig is.

  • Correcte techniek bij aanbrengen en verwijderen van medical adhesive.

  • Opleiden zorgpersoneel.

  • Informeren van patiënten en mantelzorgers.