H1 Inleiding: planningssystemen

  1. Inleiding: planningsystemen
    1.1 Wat is ruimtelijke planning
    1.2 Verwante termen aan ruimtelijke planning
    1.3 Argumenten voor planning

    —1.3.1 Waarom ruimtelijke planning?
    —1.3.2 Planning in functie van publieke en gemeenschapsgoederen
    —1.3.3 Externaliteiten
    —1.3.4 Distributieve problemen
    —1.3.5 Verlagen van transactiekosten en bieden van rechtszekerheid
    1.4 Argumenten tegen planning
    —1.4.1 Kritiek op planning: de neoliberale kritiek
    —1.4.2 Kritiek op planning: de neomarxistische kritiek
    —1.4.3 Kritiek binnen planning
    1.5 Meer of minder planning?
    1.6 Voorbeeldvragen hoofdstuk 1

1. Inleiding: Planningssystemen

1.2.1 Wat is ruimtelijke planning?

  • Middeleeuwse steden in Europa ongepland maar met bouwreglementen voor (brand)veiligheid en leefbaarheid. En planning in functie van grote publieke werken (bv. verdedigingswerken of uitbreiding havenstructuur).

  • opkomst moderne ruimtelijke planning in Europa is de tweede helft van 19e E.

Definitie ruimtelijke planning volgens EU Compendium: “the methods used largely by the public sector to influence the future distribution of activities in space.”
Planning =

  • allocatievraagstuk: de vraag welke functie het best in de ruimte wordt gelokaliseerd.

    Bv.: waar best nieuw voetbalstadium?

  • distributievraagstuk: de verdeling van types activiteiten over een ruimte.
    Bv.: hoeveel voetbalstadions per bepaalde ruimte, in verhouding mat aanwezige bevolking.

De quote vereist verduidelijking:

  • ‘publieke sector’ = publieke besturen/overheid. > in dialoog gaan met private actoren om het ruimtelijke beleid vorm te geven.

    In praktijk: ruimtelijk beleid komt tot stand in complexe netwerken ((semi)publiek-private organisaties en actoren)

  • ‘toekomstige verdeling van activiteiten’ = toekomst staat vaak centraal (15-20 jaar).

    • toekomst gericht: Lange tijdshorizon heeft te maken met de veranderbaarheid van de ruimte. Ruimtelijke structuren veranderen langzaam en ruimtelijke processen vragen veel tijd.

    • maar ook heden: ruimtelijk management en beheer

  • ‘activiteiten in de ruimte’ = de vorm(1) van activiteiten als de verschillende soorten van functies(2). De vorm heeft betrekking op de ruimtelijke verschijningsvorm van de bebouwde omgeving.

1.2 Verwante termen aan ruimtelijke planning

Ruimtelijke ordening:

  1. de feitelijke toestand, als gevolg van maatschappelijke processen

  2. het beleidsdomein dat zich bezighoudt met ruimtelijke planning.
    Dus ook vergunnen, handhaven en monitoring.

Stedenbouw: domein gericht op het ontwerp en fysiek-ruimtelijke ontwikkeling van de stad, stadsdelen of andere nederzettingen.
Wordt ook verwezen naar de (stedelijke) diensten verantwoordelijk voor het ruimtelijke beleid van een stad.

Stadsontwikkeling: multidisciplinair en streeft naar integratie tussen verschillende domeinen. Dus ruimer dan stedenbouw.
Slaat op geïntegreerde sociaal-ruimtelijke ontwikkelingen van stadsdelen, steden of andere nederzettingen.

Planologie: wetenschappelijke reflectie rond planning.
> discipline die zich in de 20e E heeft ontwikkeld en heeft wortels in:

  • architectuur en stedenbouw,

  • sociale en politieke wetenschappen,

  • sociale geografie

  • exacte wetenschappen

Omgevingsbeleid: groeiende integratie tussen ruimtelijke planning en milieubeleid.
Ook andere “ruimtelijke” beleidsdomeinen zoals het beleid inzake monumenten en landschappen > ruimere omgevingsbeleid.

1.3 Argumenten voor planning

1.3.1 Waarom ruimtelijke planning?

Planning heeft maatschappelijke functie. Volgens EU Compendium zijn er 3 argumenten waarom planning een noodzakelijke overheidstaak is:

  1. meer rationele organisatie van het landgebruik te verkrijgen

    • bv.: bedrijven niet te dicht bij woonwijken

    • bv.: scholen in nabijheid van woonkernen

  2. de vraag naar ontwikkeling af te kunnen wegen t.o.v. de noodzaak om de natuurlijke omgeving te beschermen.

    • afweging tussen harde sectoren (wonen, werken, ontspanning) en zachte sectoren

    • afweging tussen verschillende ruimteclaims op eenzelfde gebied

  3. sociale en economische doelstellingen om aan planning te doen

In de geschiedenis verschillende motieven om aan planning te doen:

  • Militaire doelstellingen: aanleg verdedigingswerken, bv stadsmuren van middeleeuwse steden waren bepalend voor de ontwikkeling van steden in Europa.
    Duur > omtrek beperkt > ruimte binnen muren beperkt.
    → Ruimtelijke organisatie van middeleeuwse Europese steden hing sterk samen met militaire doelstellingen.

  • Economische doelstellingen: economie te stimuleren door een planmatige ontwikkeling van ruimte. Bv.: streekontwikkeling: via de uitbouw van infrastructuren en industrieterreinen de economie te stimuleren.

  • Sociale doelstellingen: ruimtelijke organisatie door sociale doelstellingen te bereiken. Bv.: naoorlogse ruimtelijk beleid in teken van huisvestingspolitiek. Belgische overheid ondersteunde aankoop woning met premies en subsidies + garandeerde beschikbaarheid met een overvloed aan juridische bebouwbare bouwgronden.

  • Ecologische doelstellingen: de inrichting van de ruimte heeft effect op o.a.:

    • het behoud van natuurlijke habitats en de biodiversiteit,

    • energieconsumptie en de uitstoot van broeikasgassen,

    • en het behoud van ruimte voor de voedselproductie.

  • Esthetische doelstellingen: ruimtelijke planning heeft het doel om bij te dragen aan de esthetische beleving van (stads)landschap.
    > Eerste Belgische wet omtrent ruimtelijke ordening (29 maart 1962): de doelstelling om ‘s lands natuurschoon ongeschonden te bewaren.
    Er is meer belang voor inpassing van nieuwe bouwprojecten in reeds bestaande bebouwde structuur > belangrijk voor beoordeling van vergunningen.

→ uit motieven volgt dat ruimtelijke planning in principe een algemeen maatschappelijk belang dient. Planning moet een gemeenschap als geheel verbeteren.

Het “algemeen belang” is geen eenduidig concept, verschillende planningsbenaderingen geven er een andere aanvulling aan. Niet iedereen is overtuigd of het algemeen belang door overheidsplanning is gediend.

Maatschappelijk doel wet op de stedenbouw 1962:
‘Art1. De ruimtelijke ordening van het land, de streken, gewesten en gemeenten wordt vastgesteld in plannen. Die ordening wordt ontworpen zowel uit economisch, sociaal en esthetisch oogpunt als met het doel 's lands natuurschoon ongeschonden te bewaren’

Maatschappelijk doel volgens de Vlaamse codex:
Art 1.1.4 Codex
“De ruimtelijke ordening is gericht op een duurzame ruimtelijke ontwikkeling
waarbij de ruimte beheerd wordt ten behoeve van de huidige generatie, zonder
dat de behoeften van de toekomstige generaties in het gedrang gebracht worden.
Daarbij worden de ruimtelijke behoeften van de verschillende maatschappelijke
activiteiten gelijktijdig tegen elkaar afgewogen. Er wordt rekening gehouden met
de ruimtelijke draagkracht, de gevolgen voor het leefmilieu en de culturele,
economische, esthetische en sociale gevolgen. Op deze manier wordt gestreefd
naar ruimtelijke kwaliteit”.

Marktagrumenten:

  1. Undersupply van publieke en gemeenschappelijke goederen

  2. Externaliteiten op de grondmarkt

  3. Distributieve problemen

  4. Hoge transactiekosten

1.3.2 Planning in functie van publieke en gemeenschapsgoederen in de gebouwde ruimte

Volgens Klosterman wordt planning in verband gebracht met ontwikkelen en beschermen van publieke en gemeenschapsgoederen.
In economische literatuur: belangrijk onderscheid tussen 4 types van goederen op basis van twee dimensies.

  • 1e dimensie (horizontale as figuur): in welke mate goederen kunnen worden afgeschermd van derden, of in welke mate er eigendomsrechten bestaan op de goederen.

  • 2e as: in welke mate de consumptie van het goed, de hoeveelheid van het goed vermindert.
    Rival goods zijn schaars en eindig, non-rival goods zijn niet eindig.

Op basis hiervan 4 types:

  1. private goods: toewijsbare eigendomsrechten en zijn schaars.
    Bv.: private woning: bezig van woning garandeert het woonrecht van de eigenaar en wordt beschermd tegen indringers.

  2. common goods: geen toewijsbare eigendomsrechten en zijn schaars.
    Bv.: gemeenschappelijke stadstuinen.
    Deze goederen stellen een specifiek probleem dat vaak leidt tot '“tragedy of the commons”: geen bewijsbaar eigendomsrechten > iedereen consumeert > samenleving van ‘free riders’ > overexploitatie (bv.: overbegrazing).
    Door free ridership = individuele belang spoort niet met het collectieve belang.

  3. Club goods: Niet schaars, wel toewijsbare eigendomsrechten.
    Bv.: pretpark: lidmaatschap kopen, totaal aantal gebruikers is beperkt, toch non-rival good.

  4. Public goods: Geen eigendomsrechten en niet schaars.
    Bv.: schone lucht of publieke ruimte

Ruimtelijke publieke en gemeenschapsgoederen zijn essentieel voor de samenleving. Zonder overheidsplanning zouden deze goederen niet worden geproduceerd of in stand gehouden.
Stadsbewoners zullen van individueel perspectief zoveel mogelijk beschikbare gronden bebouwen, en zullen geen ruimte open houden voor collectieve doeleinden.
Sociale coördinatie (met of zonder formele overheid) is nodig voor:

  • publieke ruimte tot stand te laten komen

  • gemeenschapsgoederen: free ridership van individuen tegengaan.

→ volgens planners best via overheid. Sociale coördinatie kan ook spontaan ontstaan in uitzonderlijke gevallen.

1.3.3 Externaliteiten

Externaliteiten (economisch concept) = kosten of baten die teweeg worden gebracht bij een derde partij door de economische activiteit.
Is verwant aan onderproductie van publieke goederen.

Bv.: Uitstoot van vervuilende substanties bij productieprocessen van bedrijven. Uitstoot leidt tot slechtere luchtkwaliteit en dus gezondheidsproblemen.

Ruimtelijke externaliteiten zijn bijzondere vorm van externaliteiten.
Bv.: hoogbouw > schaduw > vermindering van de waarde van naburige woning.
Bv.: park > verhoging van de waarde van omliggende woningen.
→ via planningsvoorschriften kan de overheid vooral negatieve externaliteiten proberen verminderen.
Ruimtelijke planning speelt een belangrijke rol in het mediëren van deze ruimtelijke externaliteiten.

1.3.4 Distributieve problemen

Verdelingsvraagstukken of distributie van functies en ruimtelijke ontwikkelingen in de ruimte.

Mattheuseffect van marktwerking: “zij die hebben zullen krijgen”.
Bv.: steden die reeds goed uitgebouwd zijn groeien beter dan kleine steden > ongelijke regionale ontwikkeling

Ruimtelijke verdringing van zwakke economische functies door sterke economische functies.

  • onderaanbod van zwakke functies

  • verarming van diversiteit van functies

DUS zonder overheid: ongelijke ruimtelijke groei. Verstedelijkte gebieden groeien sneller door schaal en synergievoordelen.
→ leidt tot regionale ongelijkheid waarbij grote verschillen ontstaan tussen rijkere verstedelijkte gebieden en armere gebieden.
→ regionale ongelijkheid vormt vaak een bedreiging voor de stabiliteit van een land of continent.

In België: grootste groei en bevolking:

  • Vlaamse ruit: Brussel, Antwerpen, Gent en Leuven

  • Waalse driehoek: Brussel, Charleroi en Bergen

Meer perifere provincies zoals Limburg, Luxemburg en West-Vlaanderen hebben een minder sterke groei.

Europese schaal: kerngebied tussen Londen, Parijs, Vlaanderen, het Rurh gebied en de deltametropool in NL → grootste bijdrage in economische groei.

Kleiner schaalniveau: door marktwerking zullen bepaalde functies verdwijnen uit gebieden met hoge grondprijzen.
Bv.: in centrum van grote steden zijn er nauwelijks producerende bedrijven, meestal verdreven door commerciële, residentiele functies of kantoren.

Vele concepten binnen de ruimtelijke planning zijn daarom gericht op een meer evenredige verdeling van functies en verstedelijking over de ruimte.

1.3.5 Verlagen van de transactiekosten en het bieden van rechtszekerheid

Rechtszekerheid en de transactiekosten op de grondmarkt.
Transactiekosten = kosten die nodig zijn om tot een transactie te komen.

Toegepast op de grondmarkt: kosten verbonden aan het verwerven van gronden (zoekproces, onderhandelingen en onderzoek naar ontwikkelingsmogelijkheden + belastingen en diensten notaris).

Indien de markt niet is gereguleerd treedt er een grote mate van onzekerheid op en dus ook grote transactiekosten.
Prijs van vastgoed hangt sterk samen met ontwikkelingsmogelijkheden. Grond voor een meergezinswoning is duurder dan een eengezinswoning.
Ontwikkelingsmogelijkheden onzeker? Veel moeilijker om een grondtransactie te komen. Als overheid gronden zoneert via bestemmingsplannen wordt deze onzekerheid gereduceerd. Grond kopen in een woonzone = bouwvergunning kunnen verkrijgen.

Een gereguleerde markt vermindert het risico bij markttransacties.
Hoe groter onzekerheden i.v.m. rechten van de koper, hoe hoger de transactiekosten.
E. Alexander: er ligt een belangrijke rol van planning in het verlagen van de transactiekosten op de vastgoedmarkt.

1.4 Argumenten tegen planning

Overheid heeft duidelijke argumenten om aan ruimtelijke planning te doen.

Kritiek:

  • op planning: gericht op de activiteit van planning door de overheid

  • binnen planning: gericht op methoden die gebruikt worden om aan planning te doen

1.4.1 Kritiek op planning: de neoliberale kritiek

Overheidsplanning is aanslag op de vrijheden van individuen.

Hayek: over alle vormen van overheidsinterventie.
Adam Smith: in een neoliberale visie is ingrijpen op de grondmarkt niet nodig, omdat de marktwerking zelf tot de meest optimale ordening komt.
→ Zelfregulerend effect van een markt waar iedereen eigenbelang nastreeft > collectief welvaart creëert.

Uitgangspunt:

  • enkel individuen en bedrijven hebben kennis over eigen behoeften

  • enkel individu heeft zicht op meest optimale inzet van productiemiddelen

Ordening komt van stand via een prijsmechanisme, binnen een zuiver competitieve “perfecte” markt, met:

  1. groot aantal kopers en verkopers die identieke goederen verhandelen
    → tegen monopoliseren

  2. kopers en verkopers beschikken over perfecte informatie voor een rationele marktkeuze

  3. consumenten hebben eigen preferenties die niet afhankelijk zijn van andere consumenten

  4. individuen streven naar winstmaximalisatie

  5. er is een perfecte bewegingsvrijheid voor productiemiddelen, arbeid en consumptie

Met deze geïdealiseerde voorwaarden leidt marktwerking tot pareto-efficientie: situatie waar een enkel individu zijn of haar positie nog kan verbeteren, zonder de positie van een ander individu te verslechteren.
→ een situatie waarbij het individueel belang van alle deelnemers van de samenleving is gemaximaliseerd.

Overheden storen wanneer zij de markt planmatig proberen regelen. Ze hebben nooit perfecte kennis van individuele belangen en behoeften, dus komen ze nooit tot een efficiënte aanwending van productiemiddelen. Gevolg: overproductie, onderproductie of verspilling van productiemiddelen.
Wel: specifieke rol om imperfecte markten weer perfect te maken. De nadruk ligt op garantie van competitie tussen bedrijven en individuen (bv verbod monopolies), maar ook in de bescherming van eigendomsrecht van individuen.

Wat betekent dit voor ruimtelijke planning?
Terughoudend om vanuit overheid bestemmingen en voorschriften op te leggen voor het gebruik van gronden
→ Grond is belangrijk productiemiddel, en bestemming en gebruik zou moeten bepaald worden door marktwerking.

Als overheid wel een planmatige bestemming van gronden doet: risico op welvaartsverlies.
→ tekort aan bouwgronden > hogere grondprijzen > bevolking groot deel van inkomen moet spenderen aan wonen en dus minder aan andere consumptiegoederen.
Bv.: overheden leggen bepaalde dichtheden op, die hoger of lager dan de door de markt gewenste dichtheden → vastgoedproducten zullen ontstaan die niet optimaal zijn voor de consumenten.

Tegelijk zal het neoliberale gedachtengoed de nadruk leggen op maximale bescherming van eigendom (grondeigendom). Men wijst overheidsinmenging op gebruik van eigendom af.
Onderproductie van publieke of gemeenschapsgoederen worden niet opgelost via centrale planning. Wel via het privatiseren van deze goederen + toekennen eigendomsrechten.
Bv.: markt van emissierechten ontwikkeld om problematiek van CO2 uitstoot aan te pakken.
→ binnen ruimtelijke planning: stemmen om een markt te maken van ontwikkelingsrechten (verhandelbare ontwikkelingsrechten) als oplossing voor het vrijwaren van de open ruimte. Of bv grote natuurparken betalend te maken (verschuiving van public good naar club good).

KORT:

  • Centrale planning door de overheid verhindert lokaal initiatief en zet een rem op economische groei

  • Marktwerking leidt tot de meest efficiënte allocatie door een evenwicht in vraag en aanbod

  • Centrale planning beschikt nooit over voldoende informatie om de juiste beslissing te nemen en kan nooit tot een juist optimum komen

1.4.2 Kritiek op planning: neomarxistische kritiek

Theorieën gebaseerd op de sociale theorie van Karl Marx.

David Harvey: gebouwde omgeving is een domein van klassenstrijd tussen arbeiders en kapitalisten en grondeigenaars.

  • kapitalisten: investeringen met hun kapitaal in gebouwde ruimte die verhuurd/gekocht wordt door arbeidersklasse

    Meerwaarde transactie > kapitaal groeit > breiden investeringen uit

    → zo groot mogelijke meerwaarde uit vastgoed

  • arbeidersklasse: wil toegang tot betaalbaar wonen

Leidt tot een inherent klassenconflict in de samenleving.

Harvey: rol van de staat in een kapitalistisch systeem om deze inherente (van nature) conflicten en tegenstellingen te overbruggen zodat de bestaande sociale orde en machtsverhoudingen kunnen blijven bestaan.
→ mogelijkheid om bv conflict tussen arbeid en kapitaal rond huisvesting te temperen, bestaat erin om stock aan beschikbare bouwgronden te vergroten om zo de vastgoedprijzen te drukken.
> overheidsinvestering nodig om nieuwe infrastructuren die nieuwe gronden kunnen omsluiten.

Ruimtelijke planners vormen een onderdeel van het staatsapparaat dat gericht is om de inherente conflicten en machtsverhoudingen in de samenleving te kunnen behouden, door ingrepen die conflicten bemiddelen of mediëren.

“planner’s task is to contribute to the processes of social reproduction and in so doing the planner is equipped with powers vis‐à‐vis the production, maintenance and management of the built environment that permit him or her to intervene in order to stabilize, to create conditions for “balanced growth”, to contain civil strife and factional struggles by repression, co‐optation or integration.” (Harvey)

→ planning behoudt en reproduceert de ongelijkheid die het gevolg is van een kapitalistisch systeem i.p.v. bij te dragen tot een rechtvaardige verdeling van productiemiddelen.
Planners zijn handpoppen in functie van het kapitaal, die de scherpe kanten van het kapitalisme en de inherente tegenstellingen ervan moeten remediëren.

KORT:

  • Bestendigt machtsongelijkheid

  • Is instrument om ingebakken tegenstelling van het kapitalisme te remediëren

1.4.3 Kritiek binnen planning

Kritiek: stelt de basis waarop planningsbeslissingen worden genomen in vraag: de legitimiteit van planningsbeslissingen.

Planning gaat over publieke aangelegenheden DUS moet gemotiveerd worden in functie van het algemeen belang.
Discussie rond: wat is algemeen belang? Hoe kan het algemeen belang bereikt worden?

2e helft 20e E: planning op basis van rationele en wetenschappelijke argumenten. Algemeen belang best gediend met wetenschappelijke “waarheid”.
Rationeel Comprehensief Model (RCM) van planning steunt sterk op surveys, modellen en prognoses en kent sterke middelenrationaliteit.
→ overheidsplanners (gegeven problemen en doelstellingen volgens overheid) moeten zoeken naar de meest optimale ruimtelijke beleid om die doelstellingen te bereiken.
→ ontwerpen moeten op efficiënte manier voldoen aan de eisen van verkozen politici. Hun wetenschappelijke kennis gaat vooral over mogelijke (ontwerp)strategieën en instrumenten om de effecten van deze strategieën in kaart te brengen en te beoordelen.

Rationeel comprehensief model is nog steeds belangrijk bij grote planningsbeslissingen.
Grote projecten > mogelijke kosten baten analyses voor verschillende ontwerpscenario’s > voorrang scenario’s hoogste netto baten.

Ook bij milieueffectenrapportage volgt stramien RCM: effecten van verschillende alternatieven worden vergeleken > overheid kiest alternatief met minst schadelijke effecten voor mens en milieu.

‘60: kritiek op RCM:
Lindblom:

  • onrealistische assumpties over wetenschappelijke mogelijkheden

  • geen met gelimiteerde tijd en budget van planningsprocessen.

  • niet mogelijk alle alternatieven grondig te onderzoeken.

Oplossing: incrementeel te werk gaan: planningssystemen mogen max marginaal afwijken van bestaande toestand + constant worden bijgestuurd.
Graduele aanpak i.p.v. één alomvattend plan. Beleidsinitiatieven moeten constant worden bijgestuurd in gewenste richting.

Lindblom is ook tegen grote surveys om (ruimtelijke) behoeften in kaart te brengen. Planning is “ploeteren in de modder” en niet onrealistische utopische ideeën trachten te implementeren.

Lindblom later: planningsproces is onderhandeling waar verschillende belangengroepen tot een oplossing moeten komen.
Partisan mutual adjustment: geen centrale planning nodig in functie van algemeen belang.
→ Wanneer belangengroepen de mogelijkheid krijgen om inspraak te hebben in beleid, en akkoord is nodig, kan door onderhandeling een oplossing gevonden worden die het algemeen belang weerspiegelt.

Lindblom’s model wordt bv gebruikt in sociale onderhandelingen: vakbonden en werkgeversorganisaties samen aan tafel voor oplossingen rond sociale kwesties voor werknemers. De akkoorden weerspiegelen het belang van werknemers en werkgevers dus algemeen belang.

Ideeën over partisan mutual adjustment kaderen brede stroming binnen politieke wetenschappen als “pluralisme”. Die stroming gaat ervanuit dat politieke kwesties worden opgelost door onderhandelingsprocessen tussen belangengroepen.

Theorieën van Lindblom relevant voor Europese planning: pertinent (zeer beslist) voor Angelsaksische context, werking van democratie heeft die meer gebaseerd is op pluralisme. In meeste Europese landen geldt systeem van representatieve democratie: onderhandelingen worden gevoerd door verkozen politici.
→ argumenten worden later uitgewerkt in collaboratieve of communicatieve planning. Ook al komt dit voort uit communicatieve rationaliteit.

Innes en Healey: legitimiteit van planningsbeslissingen moet steunen op consensus tussen een veelheid van actoren over wat het publieke belang is.
→ wordt bereikt via argumenten en tegenargumenten (wetenschappelijke, emotionele en ethische).

Overtuiging communicatieve planners: uiteindelijk leidt uitvoerige argumentatie tot een situatie waarbij alle actoren eenzelfde waarheidsopvatting delen over wat het publieke belang is.
Bv.: ideale inrichting van plein.
→ uiteindelijke consensus tot er geen punten van kritiek zijn door alle betrokken actoren.

Communicatieve planning vindt wortels in bredere politieke wetenschappelijke benaderingen die als deliberatieve democratie wordt omschreven.

Binnen planning veel denkrichtingen over legitimiteit van planningsbeslissingen binnen democratische systemen. Kritieken vormen sterke aansluiting met theorieën uit politieke wetenschappen, en zo ook Angelsaksische literatuur.

Europa 2e helft 20e E: planning sterk gedomineerd door ideeën uit modernisme: CIAM en tuinstedenbeweging.
→ geen democraten en discussie rond legitimatie van ideeën grotendeels afwezig. Expertise was voldoende legitiem om besluiten te nemen in algemeen belang.
Technocratische opvatting: enkel zichzelf en peers verantwoording verschuldigd.
→ discussie omtrent ideale stad: gestoeld op persoonlijke opinies of veronderstellingen over utopieën.
Geen empirisch (waarnemingen) onderzoek naar werkelijke functioneren van steden.

Kritiek op modernistische stadsplanning:

Jane Jacobs: the death and life of Great American Cities:

  • stedenbouw is pseudowetenschap: met principes die ver staan ban hoe steden effectief functioneren.

  • wat zelfverklaarde experten beweren zoals principes van functiescheiding, werking van parken, etc. blijkt in werkelijkheid niet zo te werken.

  • haar inzichten groeien uit tot “new urbanism”

  • haar aanval bracht de kennisbasis, en dus ook de vermeende legitimiteit van de architecten en stedenbouwkundigen in diskrediet.

1.5 Meer of minder planning

Rol en functie van planning binnen maatschappij = dynamisch.

Vandaag debat over hoever de politiek moet ingrijpen op de grondmarkt.

  • liberale politici: recht op vrij initiatief en verdedigen nadruk op rechtszekerheid

  • linkse politici: grondmarkt meer aan banden te leggen in functie van algemeen belang

In Vlaanderen is strijd sterk aanwezig: invoer Ruimtelijk Structuurplan (RSV) door vele liberale politici ervaren als aanslag op individuele vrijheid.
→ discussie rond meer of minder planning is cyclisch: periodes van laissez-faire > periodes van verstrenging > repeat.
Laissez-faire beleid leidt vaak tot allerhande maatschappelijke problemen waardoor er op kort termijn een draagvlak ontstaat om terug te verstrengen.