Parcours 3A woordenschat + taaltips

le kot

het kot

les kots

de koten

l'étudiant en kot

de kotstudent

les cokoteurs

de kotgenoten

le cokoteur

de kotgenoot

être en kot

op kot zitten

il était en kot

hij zat op kot

il a été en kot

hij heeft op kot gezeten

le navetteur

de pendelaar

les navetteurs

de pendelaars

l'étudiant navetteur

de pendelstudent

faire la navette

pendelen

je faisais la navette

ik pendelde

il a fait la navette

hij heeft gependeld

le trajet

het traject

l'essence

de benzine

les transports en commun

het openbaar vervoer

faire la fête

fuiven

il a fait la fête

hij heeft gefuifd

elle faisait beaucoup la fête

ze fuifde veel

sécher les cours

spijbelen

il séchait les cours

hij spijbelde

il a séché les cours

hij heeft gespijbeld

être responsable de

verantwoordelijk zijn voor

la responsabilité

de verantwoordelijkheid

les responsabilités

de verantwoordelijkheden

être indépendant

zelfstandig zijn

le job d'étudiant

de studentenjob

gagner en travaillant

verdienen

il gagnait beaucoup d'argent

hij verdiende veel geld

elle a gagné beaucoup d'argent

ze heeft veel geld verdiend

épargner

sparen

il épargait

hij spaarde

il a épargné

hij heeft gespaard

dépenser

spenderen/uitgeven

il dépensait

hij spendeerde / hij gaf uit

il a dépensé

hij heeft gespendeerd / hij heeft uitgegeven

sortir

uitgaan

je sortais souvent avec des amis

ik ging vaak met vrienden uit

il est beaucoup sorti

hij is veel uitgegaan

la cuisine

de keuken

cuisiner

koken

il cuisinait

hij kookte

il a cuisiné

hij heeft gekookt

faire les courses

boodschappen doen

il faisait les courses

hij deed boodschappen

il a fait les courses

hij heeft boodschappen gedaan

ranger

opruimen

il rangeait

hij ruimde op

il a rangé son kot

hij heeft zijn kot opgeruimd

en désordre

rommelig

nettoyer

poetsen / schoonmaken

il nettoyait son kot

hij poetste zijn kot / hij maakte zijn kot schoon

il a nettoyé sa chambre

hij heeft zijn kamer gepoetst / hij heeft zijn kamer schoongemaakt

faire la vaisselle

afwassen / de afwas doen

il faisait la vaisselle

hij waste af / hij deed de afwas

il a fait la vaisselle

hij heeft afgewassen / hij heeft de afwas gedaan

faire la lessive

de was doen

il faisait la lessive

hij deed de was

il a fait la lessive

hij heeft de was gedaan

le loyer

de huur

les loyers

de huren

louer

huren

il louait

hij huurde

il a loué

hij heeft gehuurd

le budget

het budget

les budgets

de budgetten

s'élever à

bedragen

le budget s'élevait à

het budget bedroeg

le budget s'est élevé à

het budget heeft bedragen

le montant

het bedrag

les frais

de kosten

cher

duur

bon marché

goedkoop

Je pense que faire la navette est mieux.

Ik denk dat pendelen beter is.

Personnellement je pense qu'être en kot est mieux que de faire la navette.

Persoonlijk denk ik dat op kot zitten beter is dan pendelen.

Je crois qu'un kot est mieux.

Ik geloof dat een kot beter is.

Je trouve qu'être en kot est une mauvaise idée.

Ik vind dat op kot zitten een slecht idee is.

Je dirais que faire la navette est le meilleur choix.

Ik zou zeggen dat pendelen de beste keuze is.

Je suis d'avis qu'être en kot est trop cher.

Ik ben van mening dat op kot zitten te duur is.

Je suis convaincu que mon choix est le bon.

Ik ben ervan overtuigd dat mijn keuze de goede is.

Selon moi un kot est la meilleure idée.

Volgens mij is een kot het beste idée.

En ce qui me concerne, je préfère faire la navette.

Wat mij betreft, ik verkies pendelen.

En ce qui me concerne, faire la navette est un meilleur choix.

Wat mij betreft, is pendelen een betere keuze.