RE - H1
Hoofdstuk 1: Wat is economie? Object, doel en methode van de economische wetenschap
Inleiding: Waarover gaat economie?
Waarom economie?
De economische wetenschap geeft inzicht in menselijk gedrag en in de maatschappelijke organisatie (humane wetenschap) vanuit een specifieke invalshoek.
Doelen:Betere beslissingen nemen in het dagelijks leven
Problemen van de wereld beter begrijpen
Beter beleid voeren
Waarom economie voor rechtenstudenten?
Het recht regelt niet alleen sociale relaties maar ook veel economische relaties. Als jurist moet je weten waarmee je bezig bent en inzicht hebben in economische variabelen.
Micro-economie en macro-economie
Micro-economie
Gaat na hoe individuele economische agenten (individuen, bedrijven) beslissingen nemen. Heeft vooral betrekking op het allocatie- en distributieprobleem.Macro-economie
Bestudeert vraagstukken die de economie als geheel beïnvloeden. Heeft vooral betrekking op het stabilisatieprobleem.
Het fundamenteel economisch probleem: veelvuldige behoeften versus schaarse middelen
Economisch probleem
Behoeften versus schaarse middelen → men moet kiezen.Economische goederen
Zijn nuttig, schaars (in tegenstelling tot vrije goederen) en alternatief aanwendbaar (verschillende toepassingen). Zowel materieel als immaterieel (goederen en diensten).Opportuniteitskost
= de waarde van het beste alternatief dat men opgeeft door een bepaalde keuze te maken.Definitie van economie (Tibor Scitovsky)
“… een sociale wetenschap die tot voorwerp heeft het beheer van schaarse middelen.”Drie beheersproblemen van beschikbare middelen
Allocatie (toewijzing): wat, hoeveel en hoe produceren
Distributie (verdeling): voor wie produceren
Volledige aanwending (stabilisatieprobleem)
Het productieproces
Productie
Alle activiteiten waardoor goederen en diensten tot stand worden gebracht (economische goederen of consumptiegoederen en kapitaalgoederen) en op gepaste tijd en plaats ter beschikking worden gesteld van consumenten, door inzet van schaarse middelen.Productiefactoren
Arbeid (L)
Natuur (N)
Kapitaal (K)
Ondernemersinitiatief (moeilijk meetbaar)
Productiefunctie
Een technische relatie tussen de hoeveelheid productiefactoren (inputs) en de maximale hoeveelheid economische goederen (output) die men daarmee kan produceren.
Formule: X = f(L, N, K)X = hoeveelheid output
L = hoeveelheid arbeid (labour)
N = hoeveelheid natuur
K = hoeveelheid kapitaal
f = een bepaalde functionele vorm
Marginaal product van arbeid
De verandering in het outputniveau ten gevolge van een kleine verandering in de inzet van arbeid.Afnemend marginaal product vs. constant marginaal product
Afnemend: elke extra eenheid arbeid levert minder extra output op.
Constant: elke extra eenheid arbeid levert evenveel extra output op.
De productiemogelijkhedencurve van een land
Definitie
Geeft alle combinaties van goederen en diensten die kunnen geproduceerd worden bij volledige aanwending van de beschikbare productiefactoren.Wat illustreert de curve?
Schaarste
Opportuniteitskost
Keuzeprobleem
Volledige aanwending van middelen
Allocatie van middelen
Economisch inefficiënt
Punten binnen de curve (niet alle middelen worden volledig gebruikt).Economisch niet haalbaar
Punten buiten de curve (onvoldoende middelen).Opportuniteitskost van een goed
De hoeveelheid van het andere goed die men moet opgeven om één extra eenheid van dat goed te produceren.Wanneer verschuift de curve naar buiten?
Bij een toename van productiefactoren of technologische vooruitgang (verruiming van productiemogelijkheden).
Centrale planning versus het marktmechanisme
Centrale planning (centraal geleide economie)
Een centraal orgaan (overheid) stelt een plan op: welke en hoeveel goederen geproduceerd worden en hoe. Bijvoorbeeld communisme.Markt (markteconomie)
Vrije prijsvorming brengt wensen van vragers en aanbieders samen en stuurt. Bijvoorbeeld kapitalisme.Onzichtbare hand (Adam Smith): het marktmechanisme stuurt individueel eigenbelang naar maatschappelijk voordeel.
Gemengde economie
Marktmechanisme met overheidscorrectie.
Methodologische aspecten van economische analyse
De economische wetenschap steunt op hypothesen:
Mensen reageren op prikkels (homo economicus)
Rationele beslissingen
Ceteris paribus redenering: alle overige omstandigheden blijven gelijk
Marginaal vs. totaal: kijken naar kleine veranderingen; wat erbij komt (bv. marginaal product)
Volledige lijst van kernbegrippen – Hoofdstuk 1: Wat is economie?
Begrip | Betekenis |
|---|---|
Schaarste | Het fundamenteel economisch probleem: veelvuldige behoeften versus beperkte middelen, waardoor men moet kiezen. |
Economische (verbruik) goederen | Goederen die nuttig, schaars (in tegenstelling tot vrije goederen) en alternatief aanwendbaar zijn. Zowel materieel als immaterieel (goederen en diensten). |
Vrije goederen | Goederen die niet schaars zijn (bv. lucht); vormen geen economisch probleem. |
Opportuniteitskost | De waarde van het beste alternatief dat men opgeeft door een bepaalde keuze te maken. |
Allocatie | Het toewijzingsprobleem: wat, hoeveel en hoe produceren. |
Distributie | Het verdelingsprobleem: voor wie produceren. |
Volledige aanwending / stabilisatieprobleem | Het nastreven van volledige inzet van beschikbare middelen. |
Micro-economie | De tak van de economie die nagaat hoe individuen en bedrijven (individuele economische agenten) beslissingen nemen. Betreft vooral allocatie en distributie. |
Macro-economie | De tak van de economie die vraagstukken bestudeert die de economie als geheel beïnvloeden. Betreft vooral het stabilisatieprobleem. |
Productie | Alle activiteiten waardoor goederen en diensten tot stand worden gebracht (economische goederen of consumptiegoederen en kapitaalgoederen) en op gepaste tijd en plaats ter beschikking worden gesteld van consumenten, door inzet van schaarse middelen. |
Productiefactoren | De schaarse middelen die worden ingezet bij productie: arbeid (L), natuur (N), kapitaal (K) en ondernemersinitiatief. |
Arbeid (L) | Productiefactor: menselijke inspanning. |
Natuur (N) | Productiefactor: grond, grondstoffen, natuurlijke hulpbronnen. |
Kapitaal (K) | Productiefactor: machines, gebouwen, infrastructuur, gereedschap. |
Ondernemersinitiatief | Productiefactor (moeilijk meetbaar): het organiseren, combineren en risico nemen met de andere productiefactoren. |
Productiefunctie | Een technische relatie tussen de hoeveelheid productiefactoren (inputs) en de maximale hoeveelheid economische goederen (output) die men daarmee kan produceren. |
Marginaal product van arbeid | De verandering in het outputniveau ten gevolge van een kleine verandering in de inzet van arbeid. |
Afnemend marginaal product | Verschijnsel waarbij elke extra eenheid van een productiefactor (bv. arbeid) steeds minder extra output oplevert. |
Constant marginaal product | Verschijnsel waarbij elke extra eenheid van een productiefactor evenveel extra output oplevert. |
Productiemogelijkhedencurve | Geeft alle combinaties van goederen en diensten die kunnen geproduceerd worden bij volledige aanwending van de beschikbare productiefactoren. Illustreert schaarste, opportuniteitskost, keuzeprobleem, allocatie en volledige aanwending. |
Economisch inefficiënt | Situatie waarin niet alle beschikbare productiefactoren volledig worden aangewend (punten binnen (onder) de productiemogelijkhedencurve). |
Economisch niet haalbaar | Combinaties van goederen die met de beschikbare middelen niet kunnen worden geproduceerd (punten buiten (boven) de productiemogelijkhedencurve). |
Verschuiving van de productiemogelijkhedencurve naar buiten | De curve verschuift naar buiten (economische groei) wanneer een land zijn productiemogelijkheden verruimt. Dit kan door: toename van de beschikbare productiefactoren (meer arbeid, meer kapitaal, meer natuur) of door technologische vooruitgang (efficiënter produceren met dezelfde middelen). |
Centrale planning (centraal geleide economie) | Een centraal orgaan (overheid) stelt een plan op: welke en hoeveel goederen geproduceerd worden en hoe. Bijvoorbeeld communisme. |
Markteconomie | Vrije prijsvorming brengt wensen van vragers en aanbieders samen en stuurt de productie en verdeling. Bijvoorbeeld kapitalisme. |
Onzichtbare hand (Adam Smith) | Het idee dat het marktmechanisme individueel eigenbelang stuurt naar een maatschappelijk voordelig resultaat, zonder centrale planning. |
Gemengde economie | Een economisch systeem waarin het marktmechanisme wordt gecombineerd met overheidscorrectie. |
Homo economicus | Veronderstelling in de economie dat mensen rationeel handelen en reageren op prikkels. |
Ceteris paribus | Een redenering waarbij alle andere omstandigheden gelijk worden verondersteld om het effect van één verandering te isoleren. |
Marginale analyse | Het bestuderen van kleine veranderingen (wat erbij komt), in tegenstelling tot totale grootheden. Bijvoorbeeld: marginaal product in plaats van totaal product. |