Biologie H1.3 Plantaardige en dierlijke cellen

Microscoop gebruiken en daarmee delen van organismen bestuderen

Bij een lichtmicroscoop valt licht van onder een preparaat.

  • De vergroting van een lichtmicroscoop is de vergroting van het oculair x de vergroting van het objectief.

Bij een elektronenmicroscoop wordt gebruikgemaakt van een elektronenbundel en het beeld verschijnt op een computerscherm. De beelden worden vaak ingekleurd.

  • Met TEM (transmissie-elektronenmicroscoop) is geen diepte te zien.

  • Met een SEM (rasterelektronenmicroscoop) is wel diepte te zien.

Delen en functies van dierlijke en plantaardige cellen

Binas tabel 79B en 79C plantaardige en dierlijke cellen

  • Celwand: tussencelstof om de cel heen.

    Een celwand behoort niet tot de cel en zorgt voor stevigheid

  • Celmembraan: scheidt het inwendige van de cel, het cytoplasma, van het milieu buiten de cel.

  • Cytoplasma bestaat uit grondplasma (water en opgeloste stoffen) met daarin allerlei organellen.

  • Grondplasma bestaat uit water met opgeloste stoffen.

  • De celkern is omgeven met het kenrnmembraan en bevat kernplasma.

  • Vacuole: blaasje in het cytoplasma dat is omgeven door een vacuolemembraan en gevuld met vacuolevocht.

    Speelt een belangrijke rol bij de stevigheid van de cel en kan kleurstoffen bevatten.

  • Plastiden:

  • Chloroplasten (bevatten chlorofyl)

  • Chromoplasten (bevatten kleurstoffen),

  • Leukoplasten dienen om stoffen zoals zetmeel, vet en eiwit op te slaan.

  • Sommige plastiden kunnen overgaan in andere plastiden.

Dierlijke cellen bevateten geen grote centrale vacuole en geen plastiden en om dierlijke cellen ligt geen celwand.