Begrippen
2.1
beurs = gebouw waar in aandelen wordt gehandeld
beurskrach = sterke en snelle daling van de aandelenkoersen op de beurs
consumptiemaatschappij = samenleving waarin veel consumptiegoederen worden gekoch
economische crisis (depressie) = lange tijd van economische achteruitgang en werkloosheid
interbellum = periode tussen de twee wereldoorlogen
keerpunt = belangrijke snelle verandering
krediet = lening
lopende band = productiesysteem waarbij werknemers handelingen verrichten aan voorbijkomende producten
subsidie = financiële steun van de overheid
2.2
collectivisatie = samenvoeging van privéboerderijen in gemeenschappelijke landbouwbedrijven
fascisme = antidemocratische, gewelddadige, extreem nationalistische en totalitaire politieke beweging
indoctrineren = systematisch opdringen van ideeën
kolchoz = groot landbouwbedrijf waarop boeren samenwerkten
persoonsverheerlijking = uitbundig prijzen van een persoon
planeconomie = economie waarbij de overheid voorschrijft wat moet worden geproduceerd
stalinisme = variant van het communisme met extreme onderdrukking en extreme verering van een politiek leider
totalitair = als de overheid volledig heerst over de samenleving
veteraan = oud-soldaat
welzijn = als het goed gaat met iemand
2.3
absolute meerderheid = meerderheid van meer dan de helft
inflatie = waardevermindering van geld
intimideren = bang maken
links = (in de politiek) vooruitstrevend
nationaalsocialisme = antidemocratische, totalitaire, gewelddadige, extreem nationalistische en racistische politieke beweging
nazi = afkorting van nationaalsocialist
oorlogsindustrie = industrie die wapens en andere militaire producten maakt
rassenleer = onjuiste theorie over verschillen tussen 'mensenrassen'
rechts = (in de politiek) conservatief, voor sterke leiders
regime = ondemocratische regering
2.4
aanpassingspolitiek = aanpassing van overheidsuitgaven aan dalende inkomsten
beleid = manier waarop iets wordt geregeld
gouden standaard = vaste verhouding van de waarde van een munt ten opzichte van goud
levensbeschouwing = geheel van ideeën over wat belangrijk is in het leven
omroep 1 = alle radiobedrijven (later ook televisie), 2 een omroepvereniging
stempelen = systeem met stempelkaarten van werklozen
uitkering = geld dat iemand krijgt
verzuiling = sociale verdeling in levensbeschouwelijke groepen