h3
3.1 Constructs en Operationele Definities
Basisbegrippen
Variabelen: Kenmerken of voorwaarden die variëren of verschillende waarden hebben voor verschillende individuen. In een onderzoek moeten variabelen zodanig worden gedefinieerd dat ze meetbaar zijn.
Construct: Een hypothetische eigenschap of mechanisme (zoals intelligentie, motivatie of angst) in theorieën die gebruikt wordt om gedrag uit te leggen en te voorspellen. Constructs zijn niet direct waarneembaar; ze zijn 'interveniërende variabelen'.
De Noodzaak van Operationele Definities
Definitie: Een procedure die wordt gebruikt om variabelen indirect te meten door middel van waarneembare uitkomsten.
Doel: Het omzetten van een abstract concept naar een concrete, meetbare indicator zodat andere onderzoekers het experiment kunnen repliceren.
Beperkingen:
Exclusiviteit: Een operationele definitie kan belangrijke componenten van een construct uitsluiten (bijv. een IQ-test meet geen creativiteit, wat sommigen wel als deel van intelligentie zien).
Inclusiviteit: Ze kunnen extra elementen opnemen die niet relevant zijn (bijv. een test voor rekenvaardigheid kan onbedoeld ook de leesvaardigheid meten).
3.2 Validiteit en Betrouwbaarheid van Metingen
Validiteit (Geldigheid)
De mate waarin de meetprocedure werkelijk het construct meet dat het beoogt te meten.
Face Validity: Lijkt de test op het eerste gezicht te meten wat het moet meten? (Subjectief).
Concurrent Validity: De resultaten van een nieuwe meting komen overeen met die van een bekende, gevalideerde meting.
Predictive Validity: De mate waarin metingen toekomstig gedrag accuraat voorspellen.
Construct Validity: De mate waarin de meting zich gedraagt volgens de theoretische verwachtingen van het construct. Dit omvat:
Convergente Validiteit: Sterke correlatie tussen twee verschillende methoden om hetzelfde construct te meten.
Divergente Validiteit: Geen of lage correlatie met metingen van andere, niet-gerelateerde constructen.
Betrouwbaarheid (Consistentie)
De mate van stabiliteit of consistentie van de meetresultaten. Een meting kan betrouwbaar zijn zonder valide te zijn (bijv. een weegschaal die steevast kg te veel aangeeft).
Test-retest Betrouwbaarheid: De correlatie tussen scores bij herhaalde metingen over tijd.
Inter-beoordelaar Betrouwbaarheid: De mate van overeenstemming tussen verschillende observatoren.
Interne Consistentie (Split-half): De mate waarin verschillende items binnen één test hetzelfde meten.
Meetfout: De formule voor een geobserveerde score is: . Hoe kleiner de fout, hoe hoger de betrouwbaarheid.
3.3 Schalen van Meting
De keuze voor een schaal bepaalt welke statistische analyses mogelijk zijn.
Nominaal: Classificatie in categorieën zonder numerieke waarde (bijv. oogkleur, politieke voorkeur). Verschillen zijn kwalitatief.
Ordinaal: Categorieën met een logische volgorde of rangschikking (bijv. opleidingsniveau, top lijst). De afstand tussen de rangen is onbekend.
Interval: Gelijke afstanden tussen waarden, maar geen absoluut nulpunt (bijv. temperatuur in Celsius of Fahrenheit). Een score van betekent niet de afwezigheid van de variabele.
Ratio: Gelijke afstanden en een absoluut nulpunt (bijv. gewicht, reactietijd in seconden). Verhoudingen zijn betekenisvol ( kg is twee keer zo zwaar als kg).
3.4 Modaliteiten van Meting
Zelfrapportage: Directe informatie van de proefpersoon.
Voordeel: De persoon is de beste bron voor innerlijke ervaringen.
Nadeel: Gevoelig voor sociale wenselijkheid en gebrek aan zelfinzicht.
Fysiologische Metingen: Gebruik van apparatuur om biologische reacties vast te leggen (bijv. MRI, huidgeleiding).
Voordeel: Zeer objectief en moeilijk te vervalsen.
Nadeel: Vaak duur en kan kunstmatigheid creëren (lab-setting).
Gedragsmetingen: Observatie van uiterlijk gedrag.
Voordeel: Meet wat mensen daadwerkelijk doen.
Nadeel: Gedrag kan tijdelijk zijn of veranderen door observatie (reactiviteit).
3.5 Bedreigingen voor Metingen
Schaalbeperkingen
Plafond Effect: De taak is te makkelijk, waardoor bijna iedereen de maximale score haalt en verschillen tussen groepen onzichtbaar blijven.
Vloer Effect: De taak is te moeilijk, waardoor bijna iedereen de laagste score haalt.
Artefacten
Een artefact is een niet-natuurlijk kenmerk dat de resultaten vertekent.
Experimentator Bias: Onbedoelde invloed van de onderzoeker op de resultaten (bijv. door lichaamstaal). Kan worden voorkomen via een dubbelblind design.
Reactiviteit: Deelnemers veranderen hun gedrag omdat ze weten dat ze worden geobserveerd (bijv. het Hawthorne-effect).
Vraagkenmerken (Demand Characteristics): Aanwijzingen in het onderzoek die de deelnemer doen vermoeden wat de hypothese is, waardoor ze zich gaan gedragen naar de verwachting.