Nederlands C1
Precisie: Concreet of Abstract?
Precisie in boodschapoverdracht is cruciaal.
Concreet formuleren vermindert de interpretatieruimte voor de ontvanger.
Duidelijkheid staat voorop bij concrete formulering.
Variatie in woordgebruik is essentieel om ruis en saaiheid te voorkomen.
Voorbeelden:
Voorbeeld A (Concreet):
"Gisteren zijn we naar een pretpark geweest. We hebben 7 attracties gedaan. We waren om 10.30u in het park en bleven er tot 17u. Vanmorgen hebben we een gletsjerwandeling gemaakt en een grot bezocht met rotstekeningen van 5.000 jaar oud. Omdat het zonnig was en ongeveer 25 graden, konden we 's middags nog even zwemmen in de oceaan. Morgen hebben we een excursie in het wildpark. We hebben er veel zin in om olifanten, buffels en leeuwen te zien in de graslandschappen. Voor morgen voorspelt men 27 graden."
Voorbeeld B (Abstract):
"We hebben het hier heel erg leuk en het weer is prachtig."
C.1 Gebruik Sprekende Woorden
Vermijd loperwoorden of passe-partoutwoorden om een tekst duidelijker en prettiger leesbaar te maken.
Loperwoorden passen in veel contexten, maar zeggen weinig concreets.
Voorbeeld: "probleem" is een vaag woord dat in veel situaties gebruikt kan worden.
Synoniemen
Alternatieve manieren om iets te zeggen:
Zeggen: praten, fluisteren, schreeuwen, roepen, vertellen, meedelen, uiten, spreken, uitdrukken, opmerken, beweren, aankondigen
Lopen: wandelen, rennen, joggen, dribbelen, schuifelen, ijsberen, kuieren, marcheren, slenteren, stappen, stiefelen, (weg)benen
Kijken: zien, blikken, gluren, kijkje nemen, gadeslaan, koekeloeren, loeren, staren, spieden, turen, bestuderen, onderzoeken
Lachen: grinniken, glimlachen, giechelen, schateren, brullen, gieren, geinen, bulken, proesten, lol hebben, schik hebben, ginnegappen
Eten: opeten, vreten, kanen, bikken, verorberen, schransen, voeden, bunkeren, dineren, lunchen, ontbijten, nassen
Leuk: prima, gezellig, fijn, plezierig, grappig, geinig, dolletjes, prettig, tof, gaaf, cool, aangenaam,
Verdrietig: droevig, sip, somber, treurig, triest, bedroefd, bedrukt, naar, in de put, miserabel, ongelukkig, neerslachtig
Goed: prima, geweldig, uitstekend, fantastisch, super, klasse, foutloos, correct, oké, perfect, gaaf, best,
Groot: lang, reusachtig, enorm, flink, machtig, ruim, stevig, fors, aanzienlijk, hevig, omvangrijk, hoog
Klein: mini, beperkt, summier, nipt, bescheiden, gering, miezerig, nietig, pover, schamel, miniem, laag
Mooi: prachtig, knap, aantrekkelijk, fijn, gaaf, prima, uitstekend, fraai, netjes, keurig, bevallig, geweldig
Blij: vrolijk, opgelucht, opgewekt, aangenaam, vreugdevol, gelukkig, prima, verheugd, opgetogen, genietend, jolig, monter
Boos: kwaad, woedend, ziedend, geïrriteerd, nijdig, prikkelbaar, gebeten, grimmig, nors, onvriendelijk, giftig, chagrijnig
Vervelend: stom, naar, irritant, saai, flauw, klierig, beroerd, klote, vreselijk, lastig, onprettig, geestdodend
Raar: gek, vreemd, eigenaardig, excentriek, dwaas, ongewoon, wonderlijk, typisch, mal, halfgaar, zot, maf