leerdoelen

deel 1

Psychologisch onderzoek – de kern

Waarom doen we psychologisch onderzoek?

4 doelen (altijd onthouden):

  1. Beschrijven – wat gebeurt er?

  2. Verklaren – waarom gebeurt het?

  3. Voorspellen – wat zal gebeuren?

  4. Beïnvloeden – hoe kunnen we het veranderen?

In de zorg: stress meten → oorzaken begrijpen → risico inschatten → interventie (bv. mindfulness).


Stappen van wetenschappelijk onderzoek (logische volgorde)

  1. Observatie & onderzoeksvraag

    • Specifiek en toetsbaar

    • “Mindfulness helpt”

    • “Leidt 8 weken mindfulness tot lagere stress bij studenten verpleegkunde?”

  2. Literatuuronderzoek

    • Wat is al bekend?

    • Waar zitten hiaten?

  3. Hypothese

    • Concrete voorspelling

    • “Mindfulnessgroep scoort lager op stress dan controlegroep”

  4. Onderzoeksontwerp

    • Experimenteel onderzoek

    • Experimentele groep vs. controlegroep

    • Pretest + posttest

  5. Data verzamelen

    • Met betrouwbare meetinstrumenten (bv. PSS)

  6. Data-analyse

    • Statistiek (bv. t-toets)

    • Is het verschil significant?

  7. Conclusie & interpretatie

    • Hypothese bevestigd of niet?

    • Kritische reflectie (bv. Hawthorne-effect)

  8. Publicatie & peer review

    • Andere onderzoekers controleren en herhalen


Betrouwbaarheid vs. validiteit (klassieker op examen)

Betrouwbaarheid = herhaalbaar
  • Test-hertest: zelfde resultaat over tijd?

  • Interbeoordelaars: verschillende beoordelaars → zelfde score?

Betrouwbaar ≠ automatisch valide


Validiteit = meet je wat je wil meten?
1. Interne validiteit
  • Is mindfulness écht de oorzaak van stressdaling?

  • Bedreigingen:

    • Selectiebias

    • Maturatie

    • Testeffect

    • Uitval

  • Oplossingen:

    • Randomisatie

    • Controlegroep

    • Pretest–posttest

2. Inhoudsvaliditeit
  • Dekt de vragenlijst alle aspecten van stress?

3. Constructvaliditeit
  • Meet mindfulness → en leidt dat theoretisch tot minder stress?

  • Verwachte verbanden moeten kloppen

4. Externe validiteit
  • Mag je resultaten veralgemenen?

  • Naar andere studenten? Zorgverleners? Contexten?


Hawthorne-effect (belangrijk!)

  • Mensen gedragen zich anders omdat ze weten dat ze onderzocht worden

  • Niet per se door de interventie zelf


Beïnvloeding in psychologie

  • Doel is verbetering van welzijn en gedrag

  • In zorg: positief (stress verlagen, therapietrouw verhogen)

  • Niet te verwarren met manipulatie (reclame, propaganda)

deel 2

Module: Het zenuwstelsel en het brein

1. Werking van het zenuwstelsel

Centraal en perifeer zenuwstelsel

Het zenuwstelsel bestaat uit twee grote delen:

  • Centraal zenuwstelsel (CZS)
    Bestaat uit de hersenen en het ruggenmerg.
    → Verwerkt informatie, neemt beslissingen en stuurt het lichaam aan.

  • Perifeer zenuwstelsel (PZS)
    Bestaat uit alle zenuwen buiten het CZS.
    → Brengt informatie naar het CZS (sensorisch) en van het CZS naar spieren en organen (motorisch).

Het PZS wordt verder onderverdeeld in:

  • Somatisch zenuwstelsel (bewuste bewegingen)

  • Autonoom zenuwstelsel (onbewuste functies zoals hartslag en spijsvertering)


Sensorische input, integratie en motorische output

De werking van het zenuwstelsel verloopt in drie stappen:

  1. Sensorische input
    Zintuigen nemen prikkels waar (bijv. pijn, temperatuur, geluid).

  2. Integratie
    De hersenen verwerken en interpreteren deze informatie.
    Er wordt besloten wat er moet gebeuren.

  3. Motorische output
    Signalen worden gestuurd naar spieren of klieren om te reageren
    (bijv. hand terugtrekken bij pijn). →In de zorg is dit belangrijk bij het observeren van reflexen, pijnreacties en motorische beperkingen.


Rol van neuronen, gliacellen en neurotransmitters
  • Neuronen (zenuwcellen)
    Geven elektrische en chemische signalen door.

  • Gliacellen
    Ondersteunen neuronen: bescherming, voeding, isolatie (myeline).

  • Neurotransmitters
    Chemische boodschappers die signalen overbrengen tussen neuronen
    (bijv. dopamine, serotonine, acetylcholine). →Verstoring hierin kan leiden tot neurologische of psychiatrische aandoeningen.


2. Anatomie en functies van het brein

Drie hoofdstructuren van de hersenen
  1. Hersenstam

    • Regelt vitale functies: ademhaling, hartslag, bewustzijn

    • Essentieel voor overleving

  2. Limbisch systeem

    • Betrokken bij emoties, motivatie en geheugen

    • Speelt een rol bij stress, angst en stemming

  3. Cortex (hersenschors)

    • Verantwoordelijk voor denken, waarneming, taal en bewust handelen


Functies van de hersenkwabben
  • Frontale kwab

    • Plannen, beslissingen, impulscontrole

    • Persoonlijkheid en sociaal gedrag

    • Motorische functies

  • Pariëtale kwab

    • Gevoelswaarneming (tast, pijn, temperatuur)

    • Ruimtelijk inzicht

  • Occipitale kwab

    • Zien en visuele verwerking

  • Temporale kwab

    • Gehoor

    • Taalbegrip

    • Geheugen →Kennis hiervan helpt bij het herkennen van symptomen bij hersenletsel.


3. Hersennetwerken en neuroplasticiteit

Hersennetwerken

Hersengebieden werken niet geïsoleerd, maar in netwerken.
Verschillende gebieden communiceren continu om functies mogelijk te maken zoals:

  • Bewegen

  • Spreken

  • Emoties reguleren

  • Aandacht en geheugen →Schade aan één gebied kan het hele netwerk beïnvloeden.


Neuroplasticiteit

Neuroplasticiteit is het vermogen van de hersenen om zich aan te passen:

  • Nieuwe verbindingen aan te maken

  • Functies (gedeeltelijk) over te nemen na schade

  • Te leren door ervaring en herhaling. Dit is de basis voor revalidatie, herstel en leren, vooral na een CVA of trauma.


4. Hersenschade en gedrag

Niet-aangeboren hersenletsel (NAH)

NAH ontstaat na de geboorte, bijvoorbeeld door:

  • CVA (beroerte)

  • Traumatisch hersenletsel

  • Zuurstoftekort

  • Hersentumor of infectie

Mogelijke symptomen:

  • Cognitieve problemen (geheugen, aandacht)

  • Emotionele veranderingen

  • Gedragsveranderingen

  • Motorische beperkingen

  • Vermoeidheid


Gedrag koppelen aan hersengebieden
  • Frontale schade → impulsief gedrag, ontremming, weinig ziekte-inzicht

  • Temporale schade → geheugen- en taalproblemen

  • Pariëtale schade → problemen met lichaamsbesef of oriëntatie

  • Limbisch systeem → emotionele instabiliteit


5. Implicaties voor verpleegkundige zorg

Als verpleegkundige is het belangrijk om:

  • Gedrag te begrijpen vanuit hersenwerking, niet als “onwil”

  • Structuur en voorspelbaarheid te bieden

  • Geduld en duidelijke communicatie te gebruiken

  • Familie en naasten te informeren en begeleiden

  • Observaties te rapporteren en interdisciplinair samen te werken


deel 3

1. Waarneming als actief en cognitief proces

Waarneming is geen passief registreren van prikkels, maar een actief en cognitief proces. Dit betekent dat de hersenen voortdurend bezig zijn met:

  • Selecteren van zintuiglijke prikkels (niet alles wordt waargenomen)

  • Organiseren van deze prikkels tot een geheel

  • Interpreteren van wat deze prikkels betekenen →In de zorg zie je dit bijvoorbeeld wanneer je als verpleegkundige uit meerdere geluiden, beelden en signalen (monitor, patiënt, omgeving) relevante informatie filtert om een klinische inschatting te maken.


2. Verschil tussen sensatie en perceptie

  • Sensatie (gewaarwording)
    Dit is het fysiologische proces waarbij zintuigen (ogen, oren, huid, neus, tong) prikkels opvangen.
    Voorbeeld: Het oog registreert licht, het oor registreert geluidsgolven.

  • Perceptie (interpretatie)
    Dit is het psychologische proces waarbij de hersenen betekenis geven aan die prikkels.
    Voorbeeld: Je herkent het geluid als een alarm van een infuuspomp. →Twee mensen kunnen dezelfde sensatie ervaren, maar deze anders interpreteren (bijvoorbeeld pijnbeleving).


3. Aandacht bij waarneming en beïnvloedende factoren

Aandacht bepaalt welke prikkels bewust worden waargenomen. Omdat er te veel prikkels tegelijk zijn, werkt ons brein met selectieve aandacht.

Interne factoren (vanuit de persoon):
  • Motivatie

  • Verwachtingen

  • Emoties (stress, angst)

  • Ervaring en voorkennis

  • Vermoeidheid of ziekte

Externe factoren (vanuit de omgeving):
  • Intensiteit (hard geluid, fel licht)

  • Beweging

  • Contrast

  • Nieuwheid

  • HerhalingIn een drukke verpleegafdeling kan stress of vermoeidheid de aandacht verminderen, wat invloed heeft op observatie en veiligheid.


4. Rol van associatiegebieden in de hersenen

Na verwerking in de primaire zintuiglijke gebieden wordt informatie doorgestuurd naar associatiegebieden in de hersenen.

Deze gebieden:

  • Koppelen waarneming aan betekenis

  • Verbinden prikkels met herinneringen

  • Integreren emoties (via o.a. het limbisch systeem)

  • Helpen bij besluitvorming en interpretatie →Bijvoorbeeld: een bepaalde geur kan een herinnering of emotionele reactie oproepen bij een patiënt, wat invloed heeft op gedrag of welzijn.


5. Gestaltprincipes en structurering van waarneming

De Gestaltpsychologie beschrijft hoe mensen losse prikkels automatisch organiseren tot een samenhangend geheel.

Belangrijke Gestaltprincipes:

  • Nabijheid: elementen dicht bij elkaar horen bij elkaar

  • Overeenkomst: gelijkaardige elementen worden gegroepeerd

  • Continuïteit: we zien lijnen en patronen als doorlopend

  • Geslotenheid: we vullen ontbrekende delen automatisch aan

  • Figuur-achtergrond: onderscheid tussen wat opvalt en wat achtergrond is →In de zorg helpt dit bijvoorbeeld bij het snel herkennen van patronen in vitale parameters of patiëntgedrag.


deel 4

Module: Leren in de zorg

1. Begrip van leren in de zorg

Wat is leren?

Leren is een proces waarbij gedrag en/of kennis duurzaam veranderen door ervaring.
Het gaat niet alleen om schoolse kennis, maar ook om:

  • vaardigheden (bv. wondzorg)

  • attitudes (bv. empathische communicatie)

  • copingstrategieën (bv. omgaan met angst)

Voorbeelden uit de verpleegkundige praktijk:

  • Een patiënt leert zelf insuline spuiten

  • Een student leert omgaan met agressie

  • Een zorgverlener leert signalen van delier sneller herkennen


Aangeboren vs. aangeleerd gedrag
  • Aangeboren gedrag

    • Is genetisch bepaald

    • Aanwezig vanaf de geboorte

    • Voorbeeld: reflexen, zuigreflex, pijnreactie

  • Aangeleerd gedrag

    • Ontstaat door ervaring en omgeving

    • Voorbeeld patiënt: vermijdingsgedrag na pijnlijke behandeling

    • Voorbeeld zorgverlener: routinematig handhygiëne toepassen →In de zorg is het belangrijk dit onderscheid te maken om gedrag realistisch te kunnen beïnvloeden.


2. Klassieke conditionering

Hoe werkt klassieke conditionering?

Bij klassieke conditionering leert iemand een automatische reactie koppelen aan een nieuwe prikkel.

Begrippen:

  • OS (Ongeconditioneerde Stimulus): prikkel die automatisch een reactie oproept

  • OR (Ongeconditioneerde Respons): automatische reactie

  • NS (Neutrale Stimulus): prikkel zonder automatische reactie

  • CS (Geconditioneerde Stimulus): NS die door leren reactie oproept

  • CR (Geconditioneerde Respons): aangeleerde reactie


Klinisch voorbeeld: angst voor naalden
  • OS: pijn van de injectie

  • OR: angst/pijnreactie

  • NS: zicht van de naald

  • Na herhaalde koppeling →

  • CS: zicht van de naald

  • CR: angst, zweten, verhoogde hartslag


Leerprocessen bij klassieke conditionering
  • Generalisatie
    Angst breidt zich uit (alle witte jassen veroorzaken angst)

  • Discriminatie
    Alleen angst bij specifieke prikkels (alleen bij chemozaal)

  • Extinctie (uitdoving)
    Angst neemt af wanneer de CS niet meer gevolgd wordt door pijn

  • Spontaan herstel
    Angst keert tijdelijk terug na een pauze →Bij chemo-patiënten (bv. mevr. Janssens) kan misselijkheid al optreden bij het zien van het ziekenhuis.


Rol van verwachtingen en aandacht
  • Verwachtingen versterken geconditioneerde reacties

  • Gerichte aandacht voor negatieve prikkels verhoogt angst

  • Positieve uitleg en afleiding kunnen conditionering verminderen


3. Operante conditionering

Wat is operante conditionering?

Bij operante conditionering wordt gedrag beïnvloed door de gevolgen ervan.

  • Bekrachtiging → gedrag neemt toe

  • Straf → gedrag neemt af


Bekrachtiging en straf
  • Positieve bekrachtiging
    Beloning toevoegen (compliment, extra autonomie)

  • Negatieve bekrachtiging
    Onaangename prikkel wegnemen (pijn vermindert na correcte houding)

  • Straf
    Ongewenst gedrag ontmoedigen (in zorg beperkt toepasbaar) →In de zorg ligt de nadruk op bekrachtiging, niet op straf.


Bekrachtigingsschema’s in de zorg
  • Continue bekrachtiging
    Bij aanleren van nieuw gedrag (bv. revalidatie-oefeningen)

  • Intermitterende bekrachtiging
    Bij volhouden van gedrag (bv. medicatietrouw)


Strategieën in zorgsituaties
  • Gewenst gedrag versterken:

    • Complimenten bij participatie

    • Betrekken bij zorgbeslissingen

  • Ongewenst gedrag verminderen:

    • Aandacht wegnemen bij zorgafhankelijk gedrag

    • Structuur en duidelijke afspraken


4. Leren door observatie (Bandura)

Wat is observationeel leren?

Mensen leren door anderen te observeren, zonder zelf alles uit te proberen. →In de zorg leren patiënten, studenten en collega’s continu van elkaar.


Vier stappen van Bandura
  1. Aandacht – observeren van het rolmodel

  2. Retentie – onthouden wat men zag

  3. Reproductie – gedrag zelf uitvoeren

  4. Motivatie – reden hebben om het gedrag te tonen

Voorbeeld: injectietechniek bij stagiairs

  • Observeren van verpleegkundige

  • Uitleg en herhaling

  • Zelf oefenen onder supervisie

  • Positieve feedback


Reflectie: eigen voorbeeldfunctie

Als verpleegkundige ben je een rolmodel:

  • Communicatie

  • Stresshantering

  • Omgaan met patiënten en collega’s →Jouw gedrag beïnvloedt de houding, veiligheid en leercultuur binnen het team.


deel 5

Module: Persoonlijkheid, Emoties en Motivatie in de zorg

1. Persoonlijkheid

Wat is persoonlijkheid?

Persoonlijkheid is het relatief stabiele patroon van:

  • denken

  • voelen

  • gedragen

dat ontstaat door een samenspel van temperament, ervaringen, opvoeding en omgeving.


2. Psychoanalytische benadering (Freud)

De drie structuren van de persoonlijkheid
  • Id

    • Aangeboren

    • Onbewuste driften en verlangens

    • Werkt volgens het lustprincipe

  • Ego

    • Ontwikkelt zich door contact met de realiteit

    • Bemiddelt tussen id, superego en werkelijkheid

    • Werkt volgens het realiteitsprincipe

  • Superego

    • Normen, waarden en geweten

    • Ontstaat door opvoeding en sociale regels →In de zorg kan innerlijke spanning leiden tot stress of moeilijk gedrag.


Afweermechanismen

Afweermechanismen zijn onbewuste strategieën om angst of innerlijk conflict te verminderen.

Veelvoorkomende afweermechanismen in de zorg:

  • Ontkenning: patiënt wil diagnose niet accepteren

  • Rationalisatie: “Het valt wel mee, iedereen heeft dit”

  • Projectie: boosheid toeschrijven aan zorgverleners

  • Verdringing: traumatische ervaring vergeten

  • Sublimatie: spanning omzetten in sociaal aanvaard gedrag →Herkennen helpt om niet confronterend maar begripvol te reageren.


3. Humanistische benadering (Rogers)

Actuele zelf vs. ideale zelf
  • Actuele zelf: hoe iemand zichzelf ervaart

  • Ideale zelf: hoe iemand graag zou zijn

Incongruentie

Wanneer het actuele zelf te ver afwijkt van het ideale zelf ontstaat psychisch ongemak, zoals:

  • onzekerheid

  • faalangst

  • stress


Drie basisvoorwaarden van cliëntgerichte zorg
  1. Empathie – je inleven in de beleving van de patiënt

  2. Echtheid (congruentie) – oprechte, eerlijke houding

  3. Onvoorwaardelijke waardering – respect zonder oordeel →Deze vormen de basis van verpleegkundige communicatie en therapeutische relaties.


4. Trekken en temperament

Temperament, trekken en persoonlijkheid
  • Temperament

    • Aangeboren

    • Biologisch bepaald

    • Emotionele en gedragsmatige reactiviteit

  • Persoonlijkheidstrekken

    • Relatief stabiele gedragsneigingen

    • Ontstaan door interactie tussen temperament en omgeving

  • Persoonlijkheid

    • Het geheel van trekken, waarden en gedrag


Temperamentmodellen

Buss & Plomin

  • Emotionaliteit

  • Activiteit

  • Sociabiliteit

Rothbart

  • Reactiviteit

  • Zelfregulatie

  • Aandacht en emotieregulatie →Temperament vormt de basis voor latere persoonlijkheidstrekken.


Big Five persoonlijkheidsdimensies
  1. Openheid

  2. Zorgvuldigheid (Consciëntieusheid)

  3. Extraversie

  4. Vriendelijkheid (Aangenaamheid)

  5. Neuroticisme →Helpt gedrag van patiënten en collega’s te begrijpen.


5. Emoties

Componenten van emoties
  1. Gevoel (subjectieve ervaring)

  2. Cognitie (interpretatie)

  3. Fysiologie (lichaamsreacties)

  4. Expressie (gezicht, houding)

  5. Actietendens (neiging tot handelen)


Basisemoties (Ekman)
  • Blijdschap

  • Verdriet

  • Angst

  • Boosheid

  • Walging

  • Verrassing => Non-verbale signalen zijn cruciaal in observatie en communicatie.


Emotietheorieën
  • James-Lange: eerst lichamelijke reactie, dan emotie

  • Cannon-Bard: emotie en lichamelijke reactie tegelijk

  • Schachter-Singer: emotie = arousal + cognitieve interpretatie

  • LeDoux: snelle emotionele route (amygdala)


Invloed van emoties op gedrag
  • Beïnvloeden besluitvorming

  • Sturen motivatie en coping

  • Hebben effect op therapietrouw


6. Motivatie

Wat is motivatie?

Motivatie is de drijvende kracht achter gedrag.

  • Intrinsiek: vanuit interesse of plezier

  • Extrinsiek: vanuit beloning of druk


Behoeftentheorieën
Maslow
  • Fysiologisch

  • Veiligheid

  • Sociaal

  • Waardering

  • Zelfontplooiing → Basisbehoeften moeten eerst vervuld zijn voor hogere motivatie.


Alderfer (ERG)
  • Existence

  • Relatedness

  • Growth


McClelland
  • Prestatie

  • Macht

  • Affiliatie


7. Zelfdeterminatietheorie (ZDT)

Drie basisbehoeften
  1. Autonomie – keuzevrijheid

  2. Competentie – gevoel van kunnen

  3. Verbondenheid – zich gesteund voelen →Verpleegkundig gedrag kan motivatie versterken door:

  • Keuzes aan te bieden

  • Positieve feedback

  • Relatiegericht werken


8. Cognitieve motivatietheorieën

Attributietheorie (Weiner)

Mensen verklaren succes/falen via:

  • Intern vs. extern

  • Stabiel vs. instabiel

  • Controleerbaar vs. niet-controleerbaar → Attributies beïnvloeden motivatie en volhouden.


Verwachtingstheorie (Vroom)

Motivatie =
Verwachting × Instrumentaliteit × Valentie →Patiënten zijn gemotiveerder als ze:

  • geloven dat inspanning helpt

  • resultaat zinvol vinden

  • het doel waarderen

deel 6

Wat is sociale psychologie?

→ Bestudeert hoe mensen denken, voelen en zich gedragen door de aanwezigheid van anderen
→ In de wachtzaal beïnvloeden patiënten elkaar én jouw aanwezigheid hun gedrag.


Sociale relaties & netwerk (wachtzaal)

  • Centrale zone: partner/familie (bv. koppel zestigers)

  • Tussenzone: collega’s, zorgverleners

  • Perifere zone: onbekenden in de wachtzaal

Functies van sociale relaties:

  • Emotionele steun (hand op knie)

  • Veiligheid

  • Informatie

  • Waardering → positief zelfbeeld


Waarneming van anderen (eerste indruk!)

We vormen snel en automatisch een beeld op basis van:

  • Kleding

  • Houding

  • Gedrag

  • Context

Voorbeelden uit de wachtzaal
  1. Man in pak, tablet, horloge
    → mogelijk gestrest, controlebehoefte, werkgericht

  2. Dertiger in short, te laat
    → risico op etikettering (“ongeïnteresseerd”)

  3. Koppel zestigers
    sociale steun, mogelijk angst of verdriet

Let op:

  • Halo-effect: één positieve indruk → alles positief

  • Horn-effect: één negatieve indruk → alles negatief


Valkuilen in de zorg

  • Etiketteren: “lastige patiënt”

  • Stereotypering: “ouderen en technologie”

  • Fundamentele attributiefout:
    → gedrag toeschrijven aan persoon i.p.v. situatie
    (bv. te laat = onverschillig, terwijl patiënt angstig kan zijn)

= Altijd context meenemen!


Wij-zij denken

  • Wij-groep: zorgverleners

  • Zij-groep: patiënten →Risico: minder begrip, afstand→ Belangrijk: empathie en gelijkwaardigheid


Zelfbeeld & zelfwaarneming

  • Zelfbeeld ontstaat door:

    • Reacties van anderen (looking-glass self)

    • Sociale vergelijking →Hoe jij reageert aan het onthaal beïnvloedt zelfvertrouwen en gedrag van patiënten.


Groepen (wachtzaal = tijdelijke groep)

Kenmerken:

  • Geen directe interactie

  • Wel gedeelde situatie → beïnvloeding mogelijk

Effecten:

  • Emoties werken aanstekelijk

  • Onrust verspreidt zich snel →Rustige, duidelijke communicatie = essentieel.


Wat is belangrijk voor jou als verpleegkundig student? Bewust zijn -- van eigen vooroordelen
- Gedrag niet meteen interpreteren als “onwil”
- Letten op non-verbaal gedrag
- Sociale steun herkennen en versterken
- Rust, structuur en veiligheid uitstralen