Een Kerk in lekenhanden? (c. 300-1000)
Inleiding
Sterke verstrengeling tussen seculiere/wereldlijke en religieuze sfeer in de ‘pregregoriaanse Kerk’.
Christelijk koningschap: inmenging in kerkelijke aangelegenheden.
Benoemingen van bisschoppen, abten, pastoors.
Organisatie van concilies.
Kerkelijke leiders uitoefenen heerlijke macht en politieke invloed uit.
Beheer over bezittingen van bisdommen en abdijen.
Rol in koninklijk bestuur, als adviseurs, inspecteurs, en ideologen.
Vraagstuk: was de Kerk in lekenhanden voor de gregoriaanse Kerkhervorming (elfde eeuw)?
De Kerk op alle niveaus gedomineerd door seculiere machthebbers.
Inhoudstafel
De kerkelijke hiërarchie
1.1. Hoge wijdingen
1.2. Lage wijdingen
1.3. Hiërarchische ladder
1.4. Status en levenswijzeBisschoppen: herders en heren
2.1. Pastoraal gezag
2.2. Heerlijke macht
2.3. De opmars van het pausdom
2.4. Relaties met lekenLekenspiritualiteit en volksgeloof, capita selecta
Eigen kerken en parochies
Inkomsten
De clerus (geestelijkheid)
Seculiere clerus:
Bisschoppen, priesters, (sub)diakens, clerici met lagere wijdingen.
Kanunniken/kanunnikessen.
Leven volgens canoniek recht.
Pastorale taken:
Misvieringen en toedienen van sacramenten.
Organiseren van liefdadigheid.
Intens contact met leken.
Reguliere clerus (Hoofdstuk 7, Capita Selecta):
Abten, abdissen, monniken, nonnen (kloosterzusters).
Gemeenschapsleven in kloosters volgens een kloosterregel.
Geloften bij intrede: ascese, meditatie, zelfheiliging, seksuele onthouding, gebed voor weldoeners.
Contact met de buitenwereld/leken is strikt beperkt.
Onderscheid niet altijd even scherp:
Hecht contact tussen seculiere en reguliere clerus.
Monniken konden klerikale wijding ontvangen (bijv. priesterwijding):
Rol in kerstening en pastoraal.
Bisschoppen en andere seculiere geestelijken trekken zich terug in klooster.
'Conversio' aan het einde van hun leven.
De kerkelijke hiërarchie
Vanaf circa 300 kristalliseren er vaste structuren en hiërarchie binnen de clerus.
Hogere wijdingen (ordines):
Bisschoppen leiden kerkgemeenschappen (vanaf circa 150).
Superviseert klerikaal ‘personeel’, waakt over discipline en orthodoxie.
Priesters hebben pastorale taken en geven geloofsonderricht aan leken (vanaf 4e eeuw).
Diakens assisteren bisschoppen/priesters in liturgie en bestuur.
Later ook subdiakens.
Lagere wijdingen:
Tegen de 8e eeuw: acoliet, lector, exorcist, ostiarius (poortwachter).
Ceremoniële, assisterende rol in kerkdiensten.
Intrede in de clerus gebeurt op jonge leeftijd (oblaten).
Kruinschering, dragen lange gewaden.
‘Cursus honorum’ (doorlopen van wijdingen) wordt vaak niet gerespecteerd.
Voorbeeld: Bisschop Ambrosius van Milaan (r. 374-397) in één week na doopsel.
Vergelijking: Veelheid aan wijdingen in de vroege middeleeuwen versus huidige Katholieke Kerk met slechts drie wijdingen: bisschop, priester, diaken (inzake acoliet en lector).
Status en levenswijze van de clerus:
Bijzondere status vanaf de laatantieke periode.
Eigen rechtsstelsel: canoniek recht uitgevaardigd op kerkvergaderingen (concilies, synodes).
Privilegium fori: enkel verschijnen voor kerkelijke rechtbanken, niet voor seculiere rechtbanken.
Privilegium immunitatis: vrijstelling van verplichtingen ten opzichte van seculier gezag (militaire diensten, fiscale lasten).
Priesterwijding door bisschop met uitreiking van de stola (c. 970, Biblioteca Casantense, Rome).
Bijzondere regels omtrent seksualiteit:
Nadruk op kuisheid in plaats van celibaat (verbod op huwelijk).
Realiteit: priesters en bisschoppen zijn vaak gehuwd en hebben kinderen vóór hun wijding.
Huwelijk als bescherming tegen ‘losbandigheid.’
Voorbeeld uit concilie van Tours (567):
“Een bisschop die een echtgenote of zuster heeft moet zijn huis en kerk besturen op een zodanige wijze dat er geen verdenking is van ongepastheid of onfatsoen.”
Seksuele onthouding wordt benadrukt vanaf de 4e eeuw, maar niet afgedwongen, eerder verwacht.
Invloed van opkomend monachisme: seksualiteit wordt beschouwd als onzuiverheid.
Assistentie door echtgenotes en kinderen:
Helpen in beheer van lokale kerken en bisdommen.
Vroomheid en liefdadigheid van adellijke echtgenotes van Gallische bisschoppen (6de - 7de E).
Vrouwen kunnen rol spelen in liturgie als diakones (tot de Karolingische periode).
Priesterambt wordt vaak als familiegoed doorgegeven van vader op zoon.
Voorbeeld: Uit het concilie van Parijs (829):
“In bepaalde streken naderen vrouwen, in tegenspraak tot de goddelijke wet en canonieke wetgeving, tot bij het altaar.”
Enkele clerici leven in gemeenschapsverband:
Vanaf de Karolingische periode vormen kanunniken (canonici) een kapittel, verbonden aan lokale kerken of kathedralen, onder leiding van een proost.
Hoofdverantwoordelijkheid: koorgebed volgens de zeven canonieke getijden.
Ook eventueel pastorale taken zoals in een hospitaal of school.
Betaald uit inkomsten van de kerk: prebenden.
Meer bewegingsvrijheid en een comfortabeler leven dan monniken (wat betreft voeding, kleding, geen geloften, behoud van privébezit).
Eigen ‘regel’ ingesteld, bijv. Regel van Aken sinds 816 (Lodewijk de Vrome).
Bisschoppen: herders en heren
Sleutelfiguren in de vroegmiddeleeuwse Kerk:
Unieke combinatie van religieuze en wereldlijke macht.
Pastoraal gezag:
Functie als opzichter (episkopos) over orthodoxie en discipline in de clerus.
Bisschoppen moeten kerken van hun diocesen bezoeken en toezien op de uitvoering van liturgische taken door clerici.
Onderwijs aan het volk over dwalingen van afgoderij en andere misdaden.
Biedt ook uitleg over geloof, inclusief de verrijzenis van de doden en de Dag des Oordeels (bron: Tweede concilie van Braga, 572, canon 1).
Heerlijke macht:
Drie bepalende factoren:
Persoonlijke middelen en netwerk als aristocraat.
Bezittingen verbonden aan zijn bisdom (grootgrondbezit).
Juridische, militaire en fiscale rechten in bisschopssteden en de omliggende gebieden, via eigen toekenning of door vorstelijke goedkeuring (prinsbisschop).
Voorbeeld: Koning Dagobert I verleent investituur aan bisschop Audomarus (r. 639-667).
Relaties van het episcopaat met lekenheren:
Aanstelling van bisschoppen gebeurt door ‘geestelijkheid en volk’ (clerus et populus), maar er is ook invloed van vorsten en regionale aristocratie.
Onder Merovingen: bisschoppen zochten steun bij immer ‘barbaarse’ vorsten en dit leidde tot sterke regionale verbondenheden.
Onder Karolingen: bisschoppen verliezen bewegingsvrijheid ten gunste van imperiale ambtenaren.
Machtige O-Frankische bisschoppen onder Ottonen (Rijkskerk); vaak uit dezelfde familielijnen en netwerken.
Moeilijkheid om onderscheid te maken tussen aristocratie en clerus, aangezien zij vaak dezelfde families en netwerken deelden.
De wereldlijke en religieuze macht lopen in elkaar over.
De opmars van het pausdom
Pausen eisen een prominentere rol op in de Kerk:
Zelfpromotie: gebruik van Rome’s prestige als administratieve, politieke, en culturele hoofdstad van het Romeinse Rijk.
Rome wordt één van de vijf patriarchaten sinds het concilie van Efeze (431); dit symbolisch oppergezag van de Kerk is in handen van meerdere patriarchen, maar collegialiteit is vooral theoretisch.
Prestige van Rome komt voort uit de symbolische rol van de bisschoppen als opvolgers van de martelaars Petrus en Paulus.
Bisschoppen van Rome worden aangeduid als ‘vicarius Petri’ (plaatsvervanger van Petrus), de term ‘papa’ (vadertje) komt voor het eerst voor aan het einde van de 4e eeuw en pas courant in de 9de eeuw.
De cultus van Petrus wordt gestimuleerd door de bouw van de Sint-Pietersbasiliek op de Vaticaanse heuvel.
Religieuze én wereldlijke autoriteit:
Gregorius de Grote (r. 590-604) legt de basis voor wereldlijke macht van het pausdom.
Bijzonder gezag over de stad Rome en haar omgeving - Patrimonium Petri.
Donatio Constantini (8e eeuw): vervalst decreet waarmee claim op wereldlijke gezag wordt gemaakt, waarin keizer Constantijn de Grote zou paus Sylvester (r. 314-335) bescherming bieden over ‘alle kerken van God op aarde’.
Vanaf Stefanus II (r. 752-757) ontstaan banden met de Karolingen en de kroning van de keizer (vanaf 800).
Buitenkansen voor de paus: alliantie met Frankische vorsten ten nadele van de Byzantijnse keizer.
Grote uitbreiding van de pauselijke staat door de Donatio Pippini (schenking Pepijn I).
Impact tijdens de vroege middeleeuwen:
Claimen van ‘primaatschap’ in de Westelijke Kerk vanaf de 2de eeuw, hoewel dit vooral spiritueel prestige was, niet feitelijk prima inter pares (‘eerste onder gelijken’).
Bisschoppen en abten laten privileges van hun kerken of abdijen bevestigen door de paus, die bovendien als zn ‘reactief’ optreedt.
Groeiende wereldlijke macht in Midden-Italië, maar onbeduidend vergeleken met de keizer.
Beperkt feitelijk gezag buiten Midden-Italië; voorlopig geen uitgebreid bureaucratisch apparaat of voldoende personeel om in te grijpen in lokale kerkgemeenschappen.
Bisschoppen blijven de focus van kerkelijke macht.
Lekenspiritualiteit en volksgeloof
Christianisatie en rituelen:
Christianisatie is beperkt tot uiterlijke en formele aspecten, met weinig geloofsverdieping.
Zichtbare, tastbare elementen zijn belangrijk, wat leidt tot een magisch wereldbeeld langs welke lijnen mensen proberen de bovennatuurlijke te benaderen.
Via kerkelijke rituelen wordt bescherming gezocht tegen boosaardige krachten, zoals het inroepen van heiligen en verering van relieken.
De grens tussen magisch bijgeloof en christelijke riten is dun, vaak ook voor clerici zelf.
Voorbeeld uit het Vierde concilie van Toledo (633):
“Als blijkt dat een bisschop, priester, of andere clericus magiërs of waarzeggers raadpleegt, dan moet hij uit zijn positie verwijderd worden.”
Heidense praktijken:
Veroordelen als bijgeloof of heiligschennis, maar ook assimilatie van bepaalde elementen van heidens geloof, zoals zegeningen in plaats van bezweringen.
Relieken in plaats van amuletten en talismannen.
Veel syncretisme: combinatie van diverse culten, zowel prechristelijk als christelijk geloof.
Geloofsonderricht:
Leken praktiseren hun geloof zonder het echt te begrijpen; dit nuanceert het traditionele beeld van de middeleeuwen als diepchristelijk.
Hun religieuze praktijk werd toevertrouwd aan ‘experts’ (clerici) voor rituelen.
Leken spelen een passieve rol: zij nemen deel aan liturgische handelingen, ontvangen sacramenten, vasten en houden zondagsrust.
Het lage niveau van priesters door gebrek aan opleiding leidt tot een verbetering door de Karolingische hervorming.
Eigen kerken en parochies
Microchristendoms:
Brede variatie in cultusplaatsen, heiligdommen en kerken, waarbij deze religieuze centra ook sociale en economische functies vervullen in het rurale landschap.
Kerken worden ontmoetingsplaatsen en vestigingen voor wekelijkse markten.
Vanaf de 9de eeuw ontstaat er territorialisering van ‘parochies’ binnen het Frankische Rijk.
Eigendom van kerken:
Elke kerk heeft één of meer ‘eigenaars’.
In en rond Romeinse steden zijn dit aanvankelijk bisschoppen, terwijl in het rurale gebied er veel privékerken zijn (Eigenkirchen) van heren.
Deze heren zijn vorsten, aristocraten, abdijen en bisschoppen, verantwoordelijk voor de bouw en onderhoud.
Vaak wordt het beheer van deze kerken overerfbaar gemaakt.
De heer stelt priesters aan en ontvangt een deel van de tienden.
Aantasting van bisschoppelijk gezag; in theorie vallen klerikale bedienaars onder het disciplinair gezag van de bisschop.
Inkomsten van de kerk
Accumulatie van rijkdom:
De clerus bezit 1/3 van grootgrondbezit in de 9e eeuw.
Bijbelverzen zoals Mattheüs 19:16-21 beschrijven het belang van schenkingen aan de kerk.
“Verkoop wat ge bezit en geef het aan de armen.”
Inkomstenbronnen:
Inkomsten door schenkingen van edellieden hebben positieve impact op het lot van de schenker in hiernamaals (‘zielenheil’).
Giften ontvangen in ruil voor gebedsnagedachtenis voor deler en familie wordt als een ‘salvation economy’ gezien.
Inkomsten door inningen/religieuze taksen: tienden (1/10 van landbouwopbrengst).
Beheer van eigen landerijen:
Efficiënt beheer van inkomsten en surplus is cruciaal voor de werking van de kerk en haar sociale zorgen.
Conclusie: Een Kerk in lekenhanden?
Argumenten pro:
Lekeninvloed op kerkelijke benoemingen (abt, bisschop, priester).
Lekeninvloed op kerkelijk beleid en hervormingen (bijvoorbeeld onder de Karolingen).
Argumenten contra/nuance:
Moeilijk om onderscheid te maken tussen spirituele en wereldlijke macht.
Moeilijkheid om aristocratie en clerus van elkaar te scheiden.
Ook invloed van machtige bisschoppen en abten op lekenwereld.
Algemeen:
Complexe symbiose tussen seculiere en religieuze sfeer, met grote variëteit in plaats en tijd (microchristendoms).