Vervoeging van modale werkwoorden

Vervoeging van modale werkwoorden

willen

tegenwoordige tijdverleden tijdvoltooide tijd
ik wilik wildeik heb gewild
jij wiljij wildejij hebt gewild
wil jij?hij/zij/het wildehij/zij/het heeft gewild
hij/zij/het wilwij wildenwij hebben gewild
wij willenjullie wildenjullie hebben gewild
jullie willenzij wildenzij hebben gewild
zij willen

Moeten

tegenwoordige tijdverleden tijdvoltooide tijd
ik moet ik moestik heb gemoeten
jij moet jij moestjij hebt gemoeten
moet jij? hij/zij/het moesthij/zij/het heeft gemoeten
hij/zij/het moet wij moestenwij hebben gemoeten
wij moeten jullie moestenjullie hebben gemoeten
jullie moeten zij moestenzij hebben gemoeten
zij moeten

Kunnen

tegenwoordige tijdverleden tijdvoltooide tijd
ik kanik konik heb gekund
jij kanjij konjij hebt gekund
kan jij?hij/zij/het konhij/zij/het heeft gekund
hij/zij/het kanwij kondenwij hebben gekund
wij kunnenjullie kondenjullie hebben gekund
jullie kunnenzij kondenzij hebben gekund
zij kunnen

Mogen

tegenwoordige tijdverleden tijdvoltooide tijd
ik magik mochtik heb gemogen
jij magjij mochtjij hebt gemogen
mag jij?hij/zij/het mochthij/zij/het heeft gemogen
hij/zij/het magwij mochtenwij hebben gemogen
wij mogenjullie mochtenjullie hebben gemogen
jullie mogenzij mochtenzij hebben gemogen
zij mogen

Gaan

tegenwoordige tijdverleden tijdvoltooide tijd
ik gaik gingik ben gegaan
jij gaatjij gingjij bent gegaan
ga jij?hij/zij/het ginghij/zij/het bent gegaan
hij/zij/het gaatwij gingenwij zijn gegaan
wij gaanjullie gingenjullie zijn gegaan
jullie gaanzij gingenzij zijn gegaan
zij gaan

zullen

tegenwoordige tijdverleden tijd
ik zalik zou
jij zultjij zou
zal jij?hij/zij/het zou
hij/zij/het zalwij zouden
wij zullenjullie zouden
jullie zullenzij zouden
zij zullen